Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
200.170.646/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:956
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 6 oktober 2015

Zaaknummer: 200.170.646/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/579570/JE RK 15-42

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. J.K. Gaasbeek te Haarlem,

tegen

William Schrikker Jeugdbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en WSJ genoemd.

1.2.

De moeder is op 28 mei 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 10 maart 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk C/13/579570/JE RK 15-42.

1.3.

WSJ heeft op 17 juni 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De moeder heeft op 7 augustus 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 17 augustus 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de gezinsvoogd, namens WSJ;

- mevrouw [A] , namens Zorg Stichting Vivence;

- de heer [Y] (hierna: de pleegvader);

- mevrouw [B] , vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de moeder en de heer [X] (hierna: de vader) is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2010. De moeder oefent het gezag uit over [de minderjarige] . De moeder heeft uit twee andere relaties nog twee dochters: [dochter a] (13 jaar oud) en [dochter b] (11 jaar oud). Deze dochters wonen bij hun vaders.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 17 maart 2010 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd. Bij beschikking van de kinderrechter van 28 januari 2014 is [de minderjarige] uit huis geplaatst.

[de minderjarige] heeft van 28 januari 2014 tot 5 mei 2014 in een crisispleeggezin verbleven. Met ingang van 5 mei 2014 verblijft zij in het huidige pleeggezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – op verzoek van WSJ de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij een pleegouder, met ingang van 17 maart 2015 voor de duur van een jaar verlengd.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, (naar het hof begrijpt) het verzoek van WSJ tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3.3.

WSJ verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Overeenkomstig artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2.

De moeder is van mening dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het voor de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] noodzakelijk is dat zij in het pleeggezin blijft wonen en dat de moeder onvoldoende in staat is om voor een stabiele woonomgeving voor [de minderjarige] te zorgen.

De moeder voert hiertoe aan dat er thans geen sprake is van een bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] , voor zover deze er ooit zou zijn geweest. Het gaat goed met [de minderjarige] , zoals ook blijkt uit de bestreden beschikking.

Voorts is het volgens de moeder van belang dat het heel goed met haarzelf gaat. Zij heeft thans een stabiele woonsituatie in een woonsetting bij Zorgstichting Vivence en zij werkt tweemaal per week positief mee aan de persoonlijke begeleiding van Vivence. De -destijds- persoonlijk begeleider van de moeder, mevrouw [C] van Vivence, heeft ter zitting bij de rechtbank naar voren gebracht dat de moeder zeer goed functioneert in haar nieuwe woonsetting bij Vivence, positief meewerkt aan de persoonlijke begeleiding en goed begeleidbaar en leerbaar is. De moeder wordt thans begeleid door mevrouw [A] van Vivence.

De moeder heeft er daarnaast zorg voor gedragen dat [de minderjarige] is erkend door de vader.

De moeder wijst voorts op de beschikking van dit hof van 23 december 2014 waarin is overwogen dat van een perspectiefbiedende plaatsing nog geen sprake kan zijn. Er moet gestreefd worden naar terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, maar iedere bereidheid om daaraan mee te werken lijkt bij de WSJ te ontbreken, aldus de moeder. Er is geen enkele stap in die richting ondernomen. Volgens de moeder zijn de mogelijkheden van terugplaatsing van [de minderjarige] bij haar niet onderzocht door WSJ en is er evenmin toegewerkt naar een uitbreiding van de omgang. De moeder heeft slechts een zeer beperkte omgangsregeling met [de minderjarige] van één uur per maand en deze omgang vindt (zonder dat daarvoor een concrete reden is gegeven) onder toezicht plaats. Volgens de moeder zijn de bezoekcontacten goed verlopen, maar zijn er geen verslagen gemaakt van de bezoeken.

De moeder is van mening dat continuering van de huidige situatie niet in het belang van [de minderjarige] is. Zij wenst primair dat [de minderjarige] weer bij haar komt wonen, hetgeen volgens haar het meest in het belang van [de minderjarige] is. De moeder is voorts van mening dat de kinderrechter ten onrechte niet positief heeft beslist op het subsidiaire verzoek, plaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin. Hierbij zou gedacht kunnen worden aan de grootmoeder moederszijde of de familie van de vader, aldus de moeder.

De moeder heeft hier ter zitting in hoger beroep aan toegevoegd dat zij is gegroeid en dat zij heeft geleerd met haar emoties om te gaan. De samenwerking met haar begeleider van Vivence

verloopt goed en als [de minderjarige] weer bij haar zou komen wonen zou zij ook de benodigde hulpverlening accepteren. De moeder heeft voorts verklaard dat zij het erg moeilijk vindt dat zij [de minderjarige] zo weinig ziet en dat de verhouding met de gezinsvoogd van meet af aan zeer slecht is geweest.

4.4.

WSJ is van mening dat uit de voorgeschiedenis is gebleken dat de moeder niet in staat is [de minderjarige] de zorg te geven die zij nodig heeft en dat de moeder niet leerbaar is. WSJ wijst erop dat het, ook volgens de huidige wetgeving, van belang is voor een kind jonger dan zes jaar oud om binnen een half jaar duidelijkheid te krijgen over het opvoedperspectief. De jeugdzorgwerker heeft dit protocol al in 2014 gevolgd en er zal zo spoedig mogelijk een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel worden ingediend bij de Raad.

Mevrouw [C] van Vivence heeft na de zitting bij de rechtbank laten weten dat haar contract beëindigd zou worden en volgens WSJ is voor de jeugdzorgwerker volstrekt onduidelijk wie de begeleiding van de moeder heeft overgenomen. Ten aanzien van de bezoekregeling verwijst WSJ naar de aanwijzing bezoekregeling van 13 mei 2015. Tijdens de bezoeken is volgens WSJ gebleken dat de moeder onderhevig is aan wisselende stemmingen, hetgeen zij uitstraalt naar [de minderjarige] en haar zusjes. Ze maakt dan negatieve opmerkingen en is niet in staat om initiatief te nemen in het doen van een leuke activiteit met [de minderjarige] . De zusjes richten hun aandacht vaak op de jeugdzorgwerker of op elkaar omdat de moeder alleen aandacht heeft voor [de minderjarige] . [de minderjarige] voelt de spanning van de moeder en zij reageert daarop met zeer timide gedrag. Na de bezoekregeling is [de minderjarige] vaak extreem moe en plast zij soms in bed. Als [de minderjarige] een leuk en gezellig bezoek heeft gehad is ze vrolijk en gaat ze weer over tot de orde van de dag.

De gezinsvoogd heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het verzoek tot de gezagsbeëindigende maatregel nog niet is ingediend, maar dat WSJ wel voornemens is dit te doen. De gezinsvoogd ziet de positieve ontwikkeling van de moeder niet terug in het contact met WSJ en de moeder is nog steeds vaak boos. Voor zover het beter gaat met de moeder komt dit volgens de gezinsvoogd omdat de moeder niet langer overbelast wordt. De gezinsvoogd heeft voorts desgevraagd verklaard dat er niet is gekeken naar de mogelijkheden van terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder nu dit niet in het belang van [de minderjarige] is, aldus de gezinsvoogd.

4.5.

Mevrouw [A] , thans de persoonlijk begeleidster van de moeder bij Vivence, heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de moeder duidelijk een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De moeder is rustiger geworden en in conflictsituaties is zij nu in staat kalm te blijven en het gesprek aan te gaan. Ook lukt het haar goed het huis schoon te houden. Mevrouw [A] heeft voorts gezien dat de moeder een goede band heeft met haar oudste dochter [dochter a] . De moeder heeft een kleine zorg indicatie voor twee uur per week. Als [de minderjarige] bij de moeder zou komen wonen, zal de indicatie uitgebreid worden en krijgt de moeder meer hulp. Daarnaast kent Vivence de methodiek “Goed genoeg ouderschap”, die ingezet zou kunnen worden als [de minderjarige] weer bij de moeder zou komen wonen, aldus mevrouw [A] .

4.6.

De pleegvader heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige] in het pleeggezin. Ze is een vrolijk en veerkrachtig meisje en op school een gangmaker. Ze heeft een sterke eigen wil. Toen ze in het pleeggezin kwam was ze erg moeilijk te sturen, maar ze heeft nu, na 14 maanden rust en regelmaat, haar draai gevonden en is rustiger geworden. Ook de school heeft gemerkt dat [de minderjarige] rustiger is. De pleegvader heeft voorts verklaard dat [de minderjarige] zich erg verheugt op de bezoeken van haar moeder, maar dat het afscheid nemen haar moeilijk valt. Na het eerste bezoek van de moeder heeft [de minderjarige] lang gehuild. Het gaat nu beter, maar ze is wel altijd even van slag, aldus de pleegvader.

4.7.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er ten tijde van de uithuisplaatsing veel zorgen waren over [de minderjarige] . De thuissituatie bij de moeder was onveilig en [de minderjarige] had gedragsproblemen. Het is goed te horen dat het beter gaat met [de minderjarige] in het pleeggezin. De Raad benadrukt dat [de minderjarige] een pittig kind is en een pedagogisch sterke opvoeder nodig heeft.

De doelen waar de moeder aan werkt zijn doelen die al jaren geleden zijn geformuleerd. De Raad hoopt dat de positieve ontwikkeling van de moeder doorzet, maar constateert dat deze ontwikkeling in het contact met de hulpverlening kennelijk niet zichtbaar is. De stemmingswisselingen van de moeder komen nog steeds terug in de doelen. De Raad is van menig dat de positieve ontwikkeling van de moeder niet genoeg is. [de minderjarige] is erg jong en zij moet niet aan teveel wisselingen in haar opvoedsituatie worden blootgesteld. De Raad adviseert daarom de bestreden beschikking te bekrachtigen.

De Raad heeft voorts verklaard dat er bij de moeder sprake is van cognitieve beperkingen, en dat voor de Raad niet duidelijk is in hoeverre zij inzicht heeft in haar eigen problematiek en wat zij moet doen voor [de minderjarige] . Desgevraagd heeft de Raad verklaard dat het goed zou zijn als er een onderzoek naar de mogelijkheden en beperkingen van de moeder wordt gedaan, waarbij ook de mogelijkheden van het netwerk van de moeder kunnen worden betrokken. Tot nu toe is het netwerk weinig betrokken geweest bij [de minderjarige] , aldus de Raad.

4.8.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en het ter zitting verhandelde komt naar voren dat er voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [de minderjarige] al langere tijd zorgen bestonden over de (onveilige) opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder. Er was onder meer sprake van relatieproblematiek tussen de ouders waar de moeder [de minderjarige] onvoldoende voor afschermde. De moeder was voorts onvoldoende in staat om samen te werken met de hulpverlening zodat de situatie niet verbeterde. Er waren toenemende zorgen over het gedrag van [de minderjarige] als gevolg van de thuissituatie bij de moeder, welke zorgen hebben geleid tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] eind januari 2014.

Het hof stelt vast dat zowel de rechtbank als het hof ten tijde van de verlening van de eerdere machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft benadrukt dat de periode van uithuisplaatsing benut dient te worden om te beoordelen of de moeder met de juiste hulp op termijn weer in staat zal zijn de opvoeding van [de minderjarige] ter hand te nemen. Gebleken is dat WSJ om haar moverende redenen geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van thuisplaatsing van [de minderjarige] , maar kort na de uithuisplaatsing een traject heeft ingezet gericht op een verderstrekkende maatregel. [de minderjarige] is begin mei 2014 in een perspectiefbiedend pleeggezin geplaatst, waar zij thans nog steeds verblijft. De contactregeling tussen [de minderjarige] en de moeder is zeer beperkt: één uur per maand onder begeleiding.

Sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] is de persoonlijke situatie van de moeder enigszins verbeterd. Zij heeft huisvesting gevonden en de samenwerking met haar begeleiders van Vivence verloopt goed. De relatie met de vader van [de minderjarige] is beëindigd, maar zij hebben nog wel sporadisch contact. Van nieuwe conflicten tussen de ouders is niet gebleken.

Uit de stukken komt voorts naar voren dat bij de moeder in het verleden agressie-regulatie problematiek en een (licht) verstandelijke beperking zijn vastgesteld. De moeder heeft enige ondersteuning gehad bij de Waag, met name op het gebied van emotieregulatie, maar deze therapie is door haar beëindigd.

Het hof constateert, op grond van de uitlatingen van haar huidige persoonlijke begeleiders, dat er sprake lijkt te zijn van een voorzichtig positieve ontwikkeling bij de moeder. Ook is gebleken dat de ondertoezichtstelling van [dochter a] en [dochter b] is beëindigd, dat [dochter a] regelmatig weekenden bij de moeder logeert en dat de moeder zelf afspraken met de vaders van deze dochters maakt omtrent de omgang. Niet duidelijk is of deze positieve ontwikkelingen bestendig zijn en of zij voldoende zijn om voor [de minderjarige] een perspectief op thuisplaatsing te bieden of eventueel tot een uitgebreidere contactregeling met de moeder kunnen leiden. Er is geen verbetering opgetreden in de samenwerking tussen de moeder en WSJ. De verhouding tussen de moeder en de gezinsvoogd is verstoord en de communicatie tussen hen verloopt zeer moeizaam, hetgeen in de weg staat aan een verdere ontwikkeling van de bezoekregeling.

Ten aanzien van [de minderjarige] is gebleken dat zij zich naar omstandigheden voorspoedig ontwikkelt in het pleeggezin. [de minderjarige] is een kwetsbaar meisje, mede door alle onrust en wisselingen die zij op jonge leeftijd in haar opvoedsituatie heeft meegemaakt.

Het hof acht zich, met name gelet op het door WSJ ingezette traject, gericht op een verderstrekkende maatregel, op dit moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen ten aanzien van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Bekrachtiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] zou er immers op neer komen dat nu al min of meer vaststaat dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de moeder kan liggen. Eerder heeft het hof echter aangegeven dat voordat hier toe kan worden besloten nader onderzoek nodig is. Desondanks heeft WSJ in de periode sinds [de minderjarige] uit huis is geplaatst geen onderzoek gedaan naar de vraag of de moeder met de juiste hulpverlening op termijn in staat zal zijn de opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Het hof acht het daarom thans noodzakelijk, alvorens een beslissing te nemen, dat er op korte termijn een dergelijk onderzoek wordt verricht.

Het hof zal WSJ dan ook gelasten onderzoek te laten verrichten door een daartoe geschikte en van WSJ onafhankelijke instantie naar de mogelijkheden van thuisplaatsing (die eventueel ook deels bij moeder kan zijn, of bij haar netwerk) van [de minderjarige] bij de moeder. Bij dit onderzoek dienen onder meer de opvoedvaardigheden en beperkingen van de moeder te worden betrokken, alsmede de (hechtings-)ontwikkeling van [de minderjarige] .

Het hof zal de zaak pro forma aanhouden tot zondag 3 januari 2016 met het verzoek aan WSJ het hof ruim voor die datum te berichten over de voortgang en resultaten van het onderzoek.

Het hof benadrukt hierbij dat het van groot belang is dat de moeder haar volledige medewerking verleent aan het onderzoek.

4.9.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5 Beslissing

Het hof:

gelast WSJ een onderzoek te laten verrichten door een onafhankelijke instantie zoals hiervoor onder 4.8 omschreven;

houdt de zaak pro forma aan tot zondag 3 januari 2016, met het verzoek aan WSJ het hof ruim voor die datum te berichten omtrent de voortgang en resultaten van voornoemd onderzoek;

beveelt de oproeping van partijen en belanghebbenden tegen een nog nader te bepalen terechtzitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. M.E. Burger in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2015.