Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:4117

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
200.150.089/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Vordering wegens gebrek in het opgeleverd werk. Verjaring is gestuit. Comparitie van de partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.150.089/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 2215143 \ CV EXPL 13-2128

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2015

(bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

tevens h.o.d.n. [X] ,

tevens h.o.d.n. [Y] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.C.J. Ris te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 27 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Hoorn (hierna: de kantonrechter), van 10 maart 2014, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord;

- akte van [appellant] ;

- antwoordakte van [geïntimeerde] .

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen tot betaling van € 12.000,- aan hoofdsom, met rente, en van € 952,= wegens buitengerechtelijke incassokosten, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis, onder 2 tot en met 11, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, gaat het hof uit van de volgende feiten.

2.1

In november 2006 heeft [appellant] van [geïntimeerde] een offerte ontvangen voor het installeren van elektrische vloerverwarming en het leggen van een Cera Silence ondervloer voor een bedrag van in totaal € 6.450,- inclusief btw.

2.2

Medio 2007 heeft [geïntimeerde] de vloerverwarming en de Cera Silence ondervloer aangebracht. [A] B.V. (hierna: [A] ) heeft daaroverheen een tegelvloer gelegd.

2.3

Eind 2009 is geconstateerd dat de voegen van de tegels op meerdere plaatsen loslieten, dat de vloer bol lag en dat de plavuizen waren losgekomen.

2.4

Nadat [appellant] hierover zijn beklag had gedaan, heeft de fabrikant van de Cera Silence platen ( [B] B.V., hierna: [B] ) de vloer onderzocht. [B] concludeert in haar rapport van 7 oktober 2010 dat de tegelzetter de leginstructie niet heeft opgevolgd en dat zij zich daarom niet verantwoordelijk voelt voor de ontstane problemen.

2.5

Nadat [geïntimeerde] op basis van voornoemd rapport de klacht van [appellant] had afgewezen, heeft de gemachtigde van [appellant] expertisebureau [C] (hierna: [C] ) ingeschakeld. In haar rapport van 11 februari 2011 concludeert [C] dat de problemen zijn veroorzaakt doordat de tegelzetter zich niet aan de leginstructie heeft gehouden. De herstelkosten worden door [C] begroot op € 24.000,-.

2.6

Eind 2011 is [appellant] een gerechtelijke procedure tegen [A] gestart bij de kantonrechter te Hoorn. Bij brief van 17 februari 2012 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] over deze procedure geïnformeerd en heeft hij zich alle rechten voorbehouden om bij [geïntimeerde] op de zaak terug te komen.

2.7

In de door [appellant] tegen [A] aangespannen procedure heeft de kantonrechter een deskundige benoemd, te weten [D] (hierna: [D] ). In zijn rapport van 17 oktober 2012 concludeert [D] dat [A] en [geïntimeerde] ieder voor 45% schuld aan het gebeurde hebben en [appellant] voor 10%.

2.8

Bij vonnis van 14 januari 2013 in de procedure tussen [appellant] en [A] heeft de kantonrechter [A] veroordeeld om een bedrag van € 12.000,- aan [appellant] te betalen.

2.9

Bij brief van 31 januari 2013 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] verzocht het resterende schadebedrag van € 12.000,- te betalen.

2.10

Bij e-mailbericht van 22 april 2013 heeft [geïntimeerde] iedere aansprakelijkheid voor de vordering van [appellant] afgewezen.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] een bedrag van € 12.000,- aan vervangende schadevergoeding en een bedrag van € 952,- aan buitengerechtelijke incassokosten zal betalen. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] bij het bestreden vonnis afgewezen.

3.2

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op met vijf grieven.

3.3

Alvorens de grieven te behandelen, zal het hof ingaan op het door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord opgeworpen verweer dat de vordering van [appellant] is verjaard. [appellant] heeft betoogd dat dit verweer tardief en daarmee in strijd met de goede procesorde is. Dit betoog treft geen doel, omdat het [geïntimeerde] vrijstond dit verweer voor het eerst in hoger beroep te voeren.

3.4

Vervolgens is de vraag aan de orde of de vordering van [appellant] is verjaard. Op grond van artikel 7:761 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Uit de stukken en het door partijen over en weer gestelde blijkt niet op welke datum [appellant] voor het eerst zijn beklag bij [geïntimeerde] heeft gedaan. Eind 2009 is door [appellant] geconstateerd dat de voegen van de tegels op meerdere plaatsten loslieten, dat de vloer bol lag en dat de plavuizen waren losgekomen. Hij heeft hierover vervolgens zijn beklag gedaan bij [geïntimeerde] . [B] heeft daarop de vloer onderzocht en hierover op 7 oktober 2010 een rapport uitgebracht. In dat rapport valt onder meer het volgende te lezen:

“Na telefonisch contact tussen mijn collega [collega 1] en [collega 2] van [geïntimeerde] te Haarlem is mij verzocht zo spoedig mogelijk een bezoek te brengen bij de Fam. [appellant] te [woonplaats] .” Het ligt in de rede, zoals [appellant] heeft betoogd, ervan uit te gaan dat het rapport op redelijk korte termijn is uitgebracht nadat [appellant] zijn beklag had gedaan en dat de verjaringstermijn niet eerder is aangevangen dan kort voor 7 oktober 2010. Ook [geïntimeerde] gaat hier kennelijk van uit, nu zij in haar antwoordakte (zelfs) 7 oktober 2010 als datum noemt waarop de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. Het hof zal er dan ook vanuit gaan dat de verjaringstermijn op 7 oktober 2010 is aangevangen.

3.5

[appellant] heeft zich erop beroepen dat de onder 2.6 genoemde brief van 17 februari 2012 de verjaring heeft gestuit. Het hof oordeelt daarover als volgt.

Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het moet gaan om een voldoende duidelijke schriftelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat deze, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de eisen van genoemd artikel voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval.

In de brief van 17 februari 2012 wordt allereerst een schets gegeven van de gang van zaken tot dan toe en de betrokkenheid van [geïntimeerde] daarbij, waarbij erop wordt gewezen dat [geïntimeerde] eerder aansprakelijkheid voor de schade had afgewezen. Vervolgens wordt verwezen naar het als bijlage meegestuurde rapport van Bouwcentrum Advies cv van 16 november 2011, waarin volgens de brief wordt geconcludeerd dat de problemen zijn veroorzaakt door de door [geïntimeerde] geleverde ondervloer met vloerverwarming. Ten slotte wordt medegedeeld, zakelijk, dat indien het vonnis in de door [appellant] aangespannen procedure tegen [A] daartoe aanleiding mocht geven, het recht wordt voorbehouden bij [geïntimeerde] terug te komen op deze zaak. Gezien de inhoud van de brief als zojuist vermeld, moet het voor [geïntimeerde] duidelijk zijn geweest dat hij mogelijk alsnog in verband met zijn werkzaamheden bij [appellant] zou worden aangesproken en daarom zijn gegevens en bewijsmiddelen moest bewaren. De brief van 17 februari 2012 moet dan ook worden aangemerkt als een stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW. De vordering is daarom niet verjaard.

3.6

Nu het beroep op verjaring van [geïntimeerde] faalt, zal het hof moeten beoordelen of en in hoeverre [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade. Het hof acht zich hierover thans onvoldoende geïnformeerd en ziet aanleiding een verschijning van partijen te gelasten met het doel hierover nadere informatie te verkrijgen. De comparitie zal tevens worden benut voor het beproeven van een schikking. Partijen wordt verzocht schriftelijke bewijsstukken, bijvoorbeeld kleurenfoto’s van de betreffende vloer, voorafgaand aan de comparitie in te dienen op de wijze zoals hierna genoemd.

3.7

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon, tezamen met hun advocaten, tot het hiervoor onder 3.6 omschreven doel zullen verschijnen ten overstaan van mr. R.J.M. Smit, daartoe als raadsheer‑commissaris benoemd, op een nader te bepalen tijdstip in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam;

verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2015 voor het opgeven van verhinderdata over de maanden december 2015 en januari en februari 2016;

verzoekt partijen eventuele bescheiden waarop zij zich ter zitting wensen te beroepen alsmede eventuele schriftelijke (bewijs)stukken uiterlijk twee weken voor de comparitiedatum toe te zenden aan de raadsheer‑commissaris, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2015.