Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3980

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2015
Datum publicatie
29-09-2015
Zaaknummer
23-004362-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:35, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Slagend Salduz-verweer mbt voorgeleiding hulp-ovj bij aankomst op bureau; bewezenverklaring moord mede o.g.v. leugenachtige verklaringen verdachte en schotrestenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004362-14

datum uitspraak: 25 september 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-665330-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

thans gedetineerd in PI Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2015 en 11 september 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 21 april 2013 tot en met 22 april 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam en/of in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 22 april 2013) is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op onderdelen een andere bewijsconstructie hanteert dan de eerste rechter .

Bespreking Salduz-verweer en standpunt daaromtrent van het Openbaar Ministerie

De feitelijke gang van zaken

Na zijn aanhouding op 21 april 2013 is de verdachte overgebracht naar het politiebureau. Aldaar is hij voorgeleid aan de hulpofficier van justitie [verbalisant 1]. Deze heeft – zo blijkt uit het door hem ter zake opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 380) en uit de door hem op 10 oktober 2013 als getuige aan de rechter-commissaris afgelegde verklaring – de verdachte de cautie gegeven en hem gewezen op zijn recht een advocaat te consulteren. Vervolgens heeft [verbalisant 1] de verdachte onder meer de vraag gesteld of hij wist waarom hij was aangehouden. Voormeld proces-verbaal vermeldt als verklaring van verdachte – afgelegd door middel van telefonische vertolking –:

“Ik weet waarom ik hier ben. Ik ben degene die heeft geschoten. Ik heb daar goede

redenen voor. Ik wil je niet vertellen waar ik het wapen heb gelaten. Ik kende natuurlijk de

andere persoon. Ik wil eerst wat drinken en roken. Ik ben hier gister aangekomen. Ik heb

geslapen in een hotel, de naam weet ik niet. Ik wil verder niet meer vertellen maar eerst een

advocaat spreken.”

De standpunten van partijen

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van de verdachte van 21 april 2013 in zijn geheel dient te worden uitgesloten van het bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verbalisant zaakinhoudelijke vragen heeft gesteld, terwijl de verdachte nog geen raadsman had gesproken en ondubbelzinnig had aangegeven gebruik te willen maken van die mogelijkheid. Het verhoor heeft dan ook plaatsgevonden in strijd met Richtlijn 2013/48 EU van 22 oktober 2013.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer dient te worden verworpen, nu het ging om een voorgeleiding en niet om een verhoorsituatie. De aan de verdachte gestelde vragen gingen slechts over zijn personalia en over of hij begreep waarom hij was aangehouden. De verdachte heeft spontaan meegedeeld dat hij had geschoten en dat hij daar goede redenen voor had. Een dergelijke spontane mededeling mag meewerken tot het bewijs. De hulpofficier van justitie had daarna moeten afzien van het stellen van vervolgvragen, zodat de uitlatingen van verdachte erna wel dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Overwegingen en oordeel van het hof

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of het recht op rechtsbijstand van de verdachte zich uitstrekt tot zaakgerelateerde vragen door de hulpofficier van justitie ten tijde van de voorgeleiding na aanhouding (zoals bedoeld in art. 53, derde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv)).

- Het juridisch kader

Artikel 53 Sv luidt als volgt:

“1.

In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.

2.

In zoodanig geval is de officier van justitie of de hulpofficier bevoegd den verdachte, na aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.

3.

Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid.”

Het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) overwoog in de zaak Salduz (EHRM 27 november 2008, 36391/02. EHRC 2009/7 onder meer:

“52. National laws may attach consequences to the attitude of an accused at the initial stages of police interrogation which are decisive for the prospects of the defence in any subsequent criminal proceedings. In such circumstances, Article 6 will normally require that the accused be allowed to benefit from the assistance of a lawyer already at the initial stages of police interrogation. (…)

53. These principles, (…), are also in line with the generally recognised international human rights standards (…) which are at the core of the concept of a fair trial and whose rationale relates in particular to the protection of the accused against abusive coercion on the part of the authorities. They also contribute to the prevention of miscarriages of justice and the fulfilment of the aims of Article 6, notably equality of arms between the investigating or prosecuting authorities and the accused.

54. In this respect, the Court underlines the importance of the investigation stage for the preparation of the criminal proceedings, as the evidence obtained during this stage determines the framework in which the offence charged will be considered at the trial (…). At the same time, an accused often finds himself in a particularly vulnerable position at that stage of the proceedings, (…). In most cases, this particular vulnerability can only be properly compensated for by the assistance of a lawyer whose task it is, among other things, to help to ensure respect of the right of an accused not to incriminate himself. (…). Early access to a lawyer is part of the procedural safeguards to which the Court will have particular regard when examining whether a procedure has extinguished the very essence of the privilege against self-incrimination (…). Any exception to the enjoyment of this right should be clearly circumscribed and its application strictly limited in time. These principles are particularly called for in the case of serious charges, for it is in the face of the heaviest penalties that respect for the right to a fair trial is to be ensured to the highest possible degree by democratic societies.

55. Against this background, the Court finds that in order for the right to a fair trial to remain sufficiently 'practical and effective' (see paragraph 51 above) Article 6 § 1 requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right. (…)

The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are used for a conviction.” (EHRM 27 november 2008, nr 36391/02, NJ 2009, 214NJ 2009, 214 (Salduz tegen Turkije).

De jurisprudentie van de Hoge Raad houdt in dat een aangehouden verdachte, behoudens uitzonderingen, binnen redelijke grenzen gelegenheid moet worden geboden vóór het politieverhoor aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen.

Niet-naleving van deze regel zal, ingeval van een verweer ter zake, moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen en van het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg daarvan, met uitzondering van de verklaring(en) die de verdachte heeft afgelegd nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en hem de cautie is gegeven. (HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009, 349).

- Oordeel van het hof

Het hof overweegt dat de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie als bedoeld in artikel 53 Sv, gelet op het systeem van de wet, tot doel heeft de rechtmatigheid en de opportuniteit van de aanhouding te controleren en een beslissing te nemen over het al dan niet toepassen van verdere dwangmiddelen als bedoeld in de wet. In het kader daarvan dient de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid, mede te beoordelen of ten aanzien van hem sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Het verhoor door de hulpofficier van justitie van de verdachte dient dan ook naar het oordeel van het hof te worden beschouwd als een politieverhoor aangaande de betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit. Het enkele feit dat de voorgeleiding mede een informatief karakter heeft, doet daaraan niet af. Het hof is, anders dan de rechtbank, gelet op voornoemd karakter van het verhoor, van oordeel dat geen ruimte bestaat onderscheid te maken tussen wel en niet ‘geoorloofde’ vragen. Evenzeer is het van oordeel dat van een spontane verklaring (die dan voor het bewijs wordt gebruikt) binnen het kader van een dergelijk verhoor geen sprake kan zijn. Een andere opvatting laat zich naar ’s hofs oordeel niet rijmen met de jurisprudentie van het EHRM zoals hiervoor weergegeven.

Het hof overweegt ten overvloede dat het van oordeel is dat de vraag die de hulp-officier van justitie in dit geval stelde (“Weet u waarom u hier bent?”) door de verdachte kon worden opgevat als een vraag naar zijn betrokkenheid bij het feit waarvan hij werd verdacht. Dat de hulp-officier van justitie die vraag niet zodanig bedoelde, zoals hij heeft verklaard, doet daar niet aan af.

Nu de verdachte voornoemde verklaring heeft afgelegd voordat hij een raadsman heeft kunnen consulteren, leidt het voorgaande tot de conclusie dat in het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Gelet op het fundamentele karakter van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, dient dit vormverzuim op de voet van artikel 359a Sv tot gevolg te hebben dat de verklaring van de verdachte bij zijn voorgeleiding aan de hulp-officier van justitie dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Gelet hierop zal het verweer over een al dan niet juiste vertaling van hetgeen de verdachte hier heeft verklaard onbesproken blijven.

Bespreking van verweren omtrent het bewijs

Het standpunt van de verdediging

Net als in eerste aanleg heeft de verdediging in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit bij gebreke aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Zakelijk weergegeven heeft de verdediging in dit verband het volgende gesteld:

-de kruitsporen kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt daar sprake zou kunnen zijn van secundaire of zelfs tertiaire overdracht van kruitsporen;

-de sms-berichten kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt omdat de inhoud hiervan niet eenduidig uit te leggen is;

-er is ontlastend bewijs (geen van de gehoorde getuigen herkennen de verdachte of geven een signalement dat duidelijk naar hem wijst; de fiets noch het wapen van de schutter zijn bij de verdachte aangetroffen, langs de vermeende vluchtroute zijn geen voor inbeslagname vatbare goederen aangetroffen; de kleding van de schutter komt niet overeen met de kleding van de verdachte, er zijn geen sporen van de verdachte aangetroffen op de hulzen die op de plaats delict zijn achtergebleven, er zijn op de plaats delict geen sporen van de verdachte aangetroffen);

-er is geen motief.

Het hof begrijpt dat verdediging voorts stelt dat er geen bewijs is van medeplegen bij gebreke van voldoende aanwijzingen dat nauw en bewust met een ander is samengewerkt ter uitvoering van een gezamenlijk plan.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie komt tot de conclusie dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van moord zoals tenlastegelegd. Geconcludeerd kan worden dat het slachtoffer in opdracht is geliquideerd waarvoor in nauwe en bewuste samenwerking is samengewerkt met één of meer anderen.

Het hof overweegt als volgt.

Schotresten/kruitsporen

Op 24 april 2013, 1 augustus 2013, 31 januari 2014 en 23 juni 2014 heeft het NFI rapporten uitgebracht naar aanleiding van een ingesteld onderzoek naar eventuele schotresten op de handen en op de kleding van de verdachte. Uit voornoemde rapporten blijkt dat op de handen en op de binnenkant van de mouwen van de verdachte 3 respectievelijk 9 zogenoemde A-deeltjes zijn aangetroffen. Het NFI komt op grond daarvan tot de conclusie dat het onderzoek een vrijwel zekere relatie heeft aangetoond tussen deze sporen en een schietproces. Voorts kunnen deze deeltjes passen in het palet aan deeltjes dat is aangeetrofffen op een van de hulzen op de plaats delict. Twee deeltjes, één afkomstig van de jas en één van de handen, zijn afkomstig van gemarkeerde politiemunitie. De overige deeltjes niet, hetgeen blijkt uit het feit dat daarin het element lood voorkomt, welk element zich niet in politiemunitie bevindt, zoals de schotrestendeskundige [deskundige] ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 2014 heeft verklaard (p. 12).

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 2014 heeft de schotrestendeskundige ing. [deskundige] van het NFI voorts het volgende verklaard.

Het aantreffen van A-deeltjes toont een relatie aan met een schietincident, die kan bestaan uit het zelf schieten, in de nabijheid staan van het schietproces of contaminatie door een met schotresten besmet voorwerp. Niet kan worden gezegd dat iemand bij wie duizenden A-deeltjes zijn aangetroffen meer waarschijnlijk de schutter is dan de persoon met slechts één A-deeltje. Aan de hand van het aantal A-deeltjes kan niet worden bepaald of de persoon zelf heeft geschoten, of dat sprake is geweest van secundaire overdracht. Het bereik van schotresten afkomstig van handvuurwapens is vanaf handvuurwapens vanaf de voorzijde van de loop ongeveer anderhalve meter en vanaf de zijkanten van een wapen één tot twee meter. Naar verwachting is de kans dat bij iemand die op meer dan tien meter van de schutter staat schotresten worden gevonden niet groot, maar uitgesloten is het niet, bijvoorbeeld door invloed van de wind. Maar het zou dan toevallig zijn dat er vijf deeltjes op de hand terechtkomen.

Schotresten vallen neer op handen en op kleding. Ze branden niet in. Indien iemand de jas of handen afveegt of beweegt kunnen deze deeltjes ervan afvallen. Het uittrekken van een jas kan de hoeveelheid schotresten verminderen. Hetzelfde geldt voor het in het water houden of wassen van de handen.

Het gevaar van contaminatie van een verdachte (het hof begrijpt: bij en na aanhouding) met politiemunitie is groot, met name door besmetting van de handboeien, doordat de politie schiet en oefent met wapens. De deeltjes waar lood in zit, zullen nooit van de politie afkomstig zijn.

De elementsamenstelling op de op de verdachte aangetroffen deeltjes kan passen bij dat wat in de hulzen is aangetroffen, maar is dusdanig algemeen van aard dat ook andere merken van munitie niet kunnen worden uitgesloten.

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande, dat het feit dat slechts weinig A-deeltjes op de verdachte zijn aangetroffen, het niet minder waarschijnlijk maakt dat hij degene is geweest die op het slachtoffer heeft geschoten dan als op hem veel van die deeltjes waren aangetroffen. Voorts oordeelt het hof dat niet aannemelijk is dat de aangetroffen schotresten, voor zover niet afkomstig van politiemunitie, door contaminatie op de verdachte of diens kleding terecht zijn gekomen. Het hof overweegt hieromtrent dat vrijwel onmiddellijk na zijn aanhouding zakken om de handen van de verdachte zijn gedaan. Deze zakken zijn op het politiebureau weer verwijderd. Gebleken is dat de verdachte enige tijd zonder zakken om zijn handen in een voorgeleidingsruimte van het politiebureau heeft vertoefd. Niet aannemelijk is echter dat zich aan de handboeien of in voornoemde ophoudruimte restsporen van niet-politiemunitie zouden hebben bevonden. Het hof wijst erop dat de verklaring van de deskundige dat contaminatie veel voorkomt slechts betrekking heeft op politiemunitie. Het hof merkt in dit verband ten overvloede op dat op de handen van de ongeveer tegelijkertijd met de verdachte als verdachte aangehouden [medeverdachte], die eveneens zonder zakken om zijn handen in een voorgeleidingsruimte op voornoemd politiebureau heeft verbleven, geen A-deeltjes zijn aangetroffen (zoals blijkt uit voornoemd Aanvullend schotrestenonerzoek van 1 augustus 2013 en het proces-verbaal van bevindingen van afnemen van schiethanden [medeverdachte], dossierpagina 220).

Evenmin is sprake van aanwijzingen dat de verdachte op de plaats delict op een afstand van twee meter of minder van de schutter heeft gestaan. De verklaringen van de getuige [getuige], die naast het slachtoffer liep, houdt immers in dat zij direct na de schoten een man met een pistool in zijn hand zag. Deze man zat op een fiets, vlak bij haar. Zij verklaart niet dat zich bij deze man nog een ander bevond. Ook anderszins is niet gebleken dat zich op het moment van het schieten iemand in de directe omgeving van de schutter bevond, anders dan het slachtoffer en de getuige [getuige]. Op de foto’s van het Osdorpplein die zich in het dossier bevinden (pagina’s 98-116) is voorts zichtbaar dat het rond het tijdstip van het schieten rustig was op straat. Ten slotte heeft de verdachte geen verklaring afgelegd op grond waarvan aannemelijk is dat de op zijn handen en mouwen aangetroffen schotresten zijn terechtgekomen terwijl hij niet de schutter was. Het hof zal de aanwezigheid van schotresten op de handen en de mouwen van de verdachte dan ook aanmerken als sporen die zijn nagelaten doordat hij heeft geschoten en deze als zodanig bezigen voor het bewijs.

Sms-berichten

Vlak voor het schietincident heeft de verdachte van ‘[naam 1]’ de volgende sms-berichten ontvangen:

21.31

uur: “Blijf hier in de buurt”

21.32

uur: “Ik beweeg / Is aan het bewegen”

21.34

uur: “Wacht Die gaat tegenover”

21.36

uur: Luister nog een keer naar en volg die waar die naar toe gaat”

21.37

uur: “Begrijp je me”

21.38

uur: “Zwarte jas en grijze broek/pantalon”

Naar het oordeel van het hof duidt de inhoud van deze berichten, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, erop dat de verdachte naar het slachtoffer werd geloodst. Het hof overweegt hieromtrent dat het slachtoffer een zwarte jas en een zandkleurige broek droeg, waarbij naar zijn oordeel ‘zandkleurig’ – mede gezien de kleurenfoto’s van het latere slachtoffer op dossierpagina’s 98, 99 en 100 – niet in strijd is met de omschrijving ‘grijs’. Het slachtoffer liep ten tijde van deze berichten over het Osdorpplein. De telefoon van de verdachte peilde op het moment van de schietpartij uit in de directe omgeving van het Osdorpplein, de plaats van de schietpartij. De telefoon van ‘[naam 1]’, wie deze sms-berichten afkomstig waren, peilde uit op dezelfde telefoonmast (dossierpagina 524). De politie kreeg om 21.42 uur de melding over de schietpartij. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de door de verdachte afgelegde verklaringen over deze sms-berichten niet aannemelijk zijn. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2014 zowel verklaard dat hij niet meer wist waar deze berichten over gingen als dat het gesprekken waren met zijn vriendin [naam vriendin], die de bijnaam [naam 1] zou dragen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat die sms-jes gingen over “dat hij met zijn neef iets wilde bereiken over zijn vertrek”, maar dat het ook berichten waren die hij uitwisselde met zijn vriendin, met wie hij een ruzietje of een misverstand had. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de sms-jes zich met geen van beide verklaringen laten rijmen en dat de verschillende verklaringen overigens tegenstrijdig zijn. Het hof laat dan nog terzijde dat de verdachte in zijn eerste politieverhoor heeft verklaard dat hij twee dagen na zijn aankomst in Nederland met zijn vriendin [naam vriendin] ruzie had gekregen, dat zij haar telefoon had uitgezet en dat hij toen haar nummer had gewist (dossierpagina 42).

‘Ontlastend bewijs

Onder het kopje ‘ontlastend bewijs’ heeft de verdediging hoofdzakelijk gewezen op het ontbreken van bepaalde bewijsmiddelen, waarvan zij stelt dat die een contra-indicatie opleveren voor een bewezenverklaring. Dat andere bewijsmiddelen ontbreken, doet echter niet af aan de bewijskracht van de bewijsmiddelen die wel voorhanden zijn en die het hof bezigt. Met betrekking tot de kleding die de verdachte bij zijn aanhouding droeg is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het feit dat die kleding niet (geheel) overeenkomt met de kleding die de schutter droeg, kan zijn veroorzaakt dat de verdachte zich tijdens zijn vlucht, die meer dan een half uur heeft geduurd, heeft ontdaan van een overjas en (mogelijk) een broek. Opvallend is in dat verband dat hij bij zijn arrestatie dun gekleed was, terwijl het op dat moment fris was (zie de verklaring van de verbalisant [verbalisant 2] bij de rechter-commissaris van 17 oktober 2013).

Met betrekking tot het ontbreken van een op de verdachte passend signalement van de dader, wijst het hof op het feit dat de verdachte voor wat betreft zijn postuur en haarlijn aanzienlijke gelijkenis vertoont met de foto van de dader die zich in het dossier bevindt (dossierpagina’s 59 en 60).

Motief:

Aan de verdediging moet worden toegegeven dat het precieze motief van de liquidatie niet uit de bewijsmiddelen is vast komen te staan. Mede gelet op de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden en het gegeven dat de verdachte op veel punten geen openheid van zaken heeft willen geven, beschouwt het hof de onduidelijkheid hierover echter niet als een contra-indicatie voor de bewezenverklaring.

Medeplegen

Aan de verdachte is tevens ten laste gelegd dat hij de moord in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Uit de hierboven genoemde sms-berichten is de betrokkenheid gebleken van een of meerdere personen, maar niet is komen vast te staan wat de rol van deze personen is geweest. Derhalve kan evenmin met voldoende precisie worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Net als de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte vrijspreken van het bestanddeel “tezamen en in vereniging”.

Leugenachtige verklaringen van de verdachte

Tijdens zijn eerste politieverhoor en ook nog ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij maar één retourticket van Albanië naar Amsterdam had gekocht voor zichzelf een verblijf van 4 a 5 dagen. De verdachte heeft voorts meermalen verklaard dat hij Geron ofwel Bujar [naam 2] niet kent, terwijl ten eerste is komen vast te staan dat de verdachte in Albanië voor hemzelf en [naam 2] tickets heeft gekocht voor een enkele reis naar Amsterdam (via Wenen), waarmee zij op 17 april 203 naar Nederland zijn gekomen (dossierpagina 269 en 270). Zij hebben vrijwel gelijktijdig ingechecked voor die vlucht. Voorts is sprake van meerdere afgeluisterde telefoongesprekken tussen beiden en hebben zij in een transportbus van DV&O uitvoerig en op dusdanige wijze met elkaar gesproken, dat geen twijfel bestaat dat de verdachte [naam 2] niet alleen kent, maar ook dat hij details van de onderhavige zaak met hem bespreekt en [naam 2] instrueert over wat hij aan de politie moet verklaren (dossierpagina 512).

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij, in Nederland aangekomen, eerst zijn Albanese simkaart heeft gebruikt om zijn vriendin te bellen en dat hij pas daarna van zijn vriendin een Nederlandse simkaart had ontvangen die hij in zijn Albanese telefoon had gedaan. Gebleken is echter dat in de telefoon van de verdachte alleen een Nederlandse simkaart in gebruik is geweest, die kort na zijn aankomst in Nederland, te weten om 12.05 uur in Nederland is geactiveerd (dossierpagina’s 87 en 320-323).

Gelet op vorenstaande acht het hof de verklaringen van de verdachte over het retourticket, over het niet kennen van de medeverdachte [naam 2] en over het gebruik van zijn Albanese telefoonnummer in Nederland kennelijk leugenachtig en enkel afgelegd om de waarheid te bemantelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 21 april 2013 tot en met 22 april 2013 te Amsterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels in het lichaam en in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 22 april 2013 is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroofd en zich daarmee

schuldig gemaakt aan een van de ernstigste misdrijven die de samenleving kent. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht wat hem toekwam, het recht op leven, ontnomen. De moord draagt alle kenmerken van een koelbloedig, zakelijk geplande en uitgevoerde liquidatie. De dood van het slachtoffer heeft aan de nabestaanden een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Ook voor de omstanders, in het bijzonder de persoon die naast het slachtoffer liep, moet het gebeuren schokkend zijn geweest. Een dergelijke gebeurtenis op de openbare weg zorgt bovendien voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 augustus 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Verbeurdverklaring

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: nr. 10, een zaktelefoon, zwart, merk Nokia. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Onttrekking aan het verkeer

De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen, te weten: nr. 16, een paspoort, nr. 17, een identiteitsbewijs, nr. 18, een rijbewijs, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan het slachtoffer toe. Zij zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder begane misdrijf aangetroffen. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen, te weten: nr. 28, een stuks munitie, kogelpunt en nr. 29, een stuks munitie, huls, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe. Zij dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Teruggave aan de verdachte

Het hof is van oordeel dat van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: nummers 4, 7, 8, 20 en 31, de teruggave dient te worden gelast aan de verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

Teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer]

Het hof is van oordeel dat van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: nummers 1, 2, 3, 5 en 6, 11 tot en met 13, 19 en 21 tot en met 27, de teruggave dient te worden gelast aan de nabestaanden van [slachtoffer], aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de nummers 9, 14, 15, 32 tot en met 51. Nu zij niet kan vaststellen dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, dient daarvan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- nr. 10, een zaktelefoon. zwart, Nokia (4510393).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nr. 16, een paspoort (4520964),

- nr. 17, een identiteitsbewijs (4520970),

- nr. 18, een rijbewijs (4520975),

- nr. 28, een stuks munitie, kogelpunt (4512352), en

- nr. 29, een stuks munitie, huls (4511265).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nr. 4, een spijkerbroek, blauw (4510355),

- nr. 7, twee schoenen, Nike (4510358),

- nr. 8, twee sokken, zwart (4510368),

- nr. 20, een overhemd, kleur grijs, geen mouwen, (4510367), en

- nr. 31, Geld Euro 300.00 (4510390).

Gelast de teruggave aan nabestaanden van [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nr. 1 en 19, twee reisdocumenten OV Chipkaart (4510350 en 4510351),

- nr. 2, een rijbewijs. Eigenaar [slachtoffer] (4510352),

- nr. 3, een identiteitsbewijs op naam van [slachtoffer] (4510353),

- nr. 5, 6 en 13, drie visitekaartjes, aangetroffen bij [slachtoffer] (4510356, 4510357 en 4510586),

- nr. 11, een zaktelefoon. wit. Blackberry, van [slachtoffer] (4510579),

- nr. 12, een zaktelefoon, grijs, Nokia van [slachtoffer] (4510582),

- nr. 21, een jas, zwart, van [slachtoffer] (462926),

- nr. 22, een trui, zwart van [slachtoffer] (4510405),

- nr. 23, een stuks ondergoed, zwart/paars, Calvin Klein, van [slachtoffer] (4629201),

- nr. 24, een trui, wit, van [slachtoffer] (4629204),

- nr. 25, twee schoenen, grijs. Dolce & Gabbana, van [slachtoffer] (4629209),

- nr. 26, een broek, grijs, van [slachtoffer] (4629211), en

- nr. 27, een riem, bruin (4629213).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nr. 9, een sleutel, kleur zilver (4510370),

- nr. 14, een notitieblok, uit zoeking [adres], A’dam (4512149),

- nr. 15, een enveloppe, uit zoeking [adres], A’dam (4512151),

- nr. 32, een zaktelefoon, zwart, Nokia (4752920),

- nr. 33, een zaktelefoon, zwart, Nokia (4752921),

- nr. 34, een zaktelefoon, wit, Blackberry (4752922),

- nr. 35, 19 Zaktelefoons (4752900),

- nr. 36, een computer, zwart, Toshiba Satellite (4736572),

- nr. 37, 23 stuks Papier, losse documenten een aantekeningen (4736588),

- nr. 38, een zaktelefoon, zwart, Nokia (473596),

- nr. 39, een zaktelefoon, wit, Blackberry (4736601),

- nr. 40, een zaktelefoon, zwart, Nokia (4736606),

- nr. 41, een zaktelefoon, zwart, Nokia 1280 (4737190),

- nr. 42, een zaktelefoon, zwart, Nokia 1280 (4737191),

- nr. 43, een zaktelefoon, zwart, Nokia 1280 (4737193),

- nr. 44, een simkaart van zaktelefoon, Vodafone C13 (4737200),

- nr. 45, een simkaart van zaktelefoon, Vodafone C5 (4737210),

- nr. 46, een simkaart van zaktelefoon, Lebara C6 (4737213),

- nr. 47, een simkaart van zaktelefoon C7 (4737214),

- nr. 48, een zaktelefoon, zwart, Blackberry (4736604),

- nr. 49, 3 sleutels (4737226),

- nr. 50, een zaktelefoon, zwart, Nokia (4737216), en

- nr. 51, een zaktelefoon, Zwart, Nokia (4737217).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. E.N. van der Spoel en mr. L.C. van Walree, in tegenwoordigheid van

mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 september 2015.

Mr. L.C. van Walree is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.