Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3932

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
200.164.895/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:492, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen strijd met beginsel gelijke arbeid, gelijk loon. Sociaal Plan uit het verleden verplicht niet tot betaling van loon over niet gewerkte uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1778
AR-Updates.nl 2015-0927
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.164.895/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland :

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2015

inzake

1 [appellant sub 1] wonend te [woonplaats] ,

2. [appellante sub 2] wonend te [woonplaats] ,

3. [appellant sub 3] wonend te [woonplaats] ,

4. [appellant sub 4] wonend te [woonplaats] ,

5. [appellant sub 5] wonend te [woonplaats] ,

6. [appellant sub 6] wonend te [woonplaats] ,

7. [appellant sub 7] wonend te [woonplaats]

8. [appellant sub 8] wonend te [woonplaats] ,

9. [appellant sub 9] wonend te [woonplaats] ,

10. [appellant sub 10] wonend te [woonplaats] ,

11. [appellant sub 11] wonend te [woonplaats] ,

12. [appellant sub 12] wonend te [woonplaats] ,

13. [appellant sub 13] wonend te [woonplaats] ,

14. [appellant sub 14] wonend te [woonplaats] ,

15. [appellant sub 15] wonend te [woonplaats] ,

16. [appellant sub 16] wonend te [woonplaats] ,

17. [appellant sub 17] wonend te [woonplaats] ,

18. [appellant sub 18] wonend te [woonplaats] ,

19. [appellant sub 19] wonend te [woonplaats] ,

20. [appellante sub 20] wonend te [woonplaats] ,

21. [appellant sub 21] wonend te [woonplaats] ,

22. [appellant sub 22] wonend te [woonplaats] ,

23. [appellant sub 23] wonend te [woonplaats] ,

24. [appellant sub 24] wonend te [woonplaats] ,

25. [appellant sub 25] wonend te [woonplaats] ,

26. [appellant sub 26] wonend te [woonplaats] ,

27. [appellant sub 27] wonend te [woonplaats] ,

28. [appellant sub 28] wonend te [woonplaats] ,

29. [appellant sub 29] wonend te [woonplaats] ,

30. [appellant sub 30] wonend te [woonplaats] ,

31. [appellant sub 31] wonend te [woonplaats] ,

32. [appellant sub 32] wonend te [woonplaats] ,

33. [appellant sub 33] wonend te [woonplaats] ,

34. [appellant sub 34] wonend te [woonplaats] ,

35. [appellant sub 35] wonend te [woonplaats] ,

36. [appellant sub 36] wonend te [woonplaats] ,

37. [appellant sub 37] wonend te [woonplaats] ,

38. [appellant sub 38] wonend te [woonplaats] ,

39. [appellante sub 39] wonend te [woonplaats] ,

40. [appellant sub 40] wonend te [woonplaats] ,

41. [appellant sub 41] wonend te [woonplaats] ,

42. [appellant sub 42] wonend te [woonplaats] ,

43. [appellant sub 43] wonend te [woonplaats] ,

44. [appellant sub 44] wonend te [woonplaats] ,

45. [appellant sub 45] wonend te [woonplaats] ,

46. [appellant sub 46] wonend te [woonplaats] ,

47. [appellant sub 47] wonend te [woonplaats] ,

48. [appellant sub 48] wonend te [woonplaats] ,

49. [appellante sub 49] wonend te [woonplaats] ,

50. [appellant sub 50] wonend te [woonplaats] ,

51. [appellant sub 51] wonend te [woonplaats] ,

52. [appellant sub 52] wonend te [woonplaats] ,

53. [appellant sub 53] wonend te [woonplaats] ,

54. [appellant sub 54] wonend te [woonplaats] ,

55. [appellant sub 55] wonend te [woonplaats] ,

56. [appellant sub 56] wonend te [woonplaats] ,

57. [appellant sub 57] wonend te [woonplaats] ,

58. [appellant sub 58] wonend te [woonplaats] ,

59. [appellant sub 59] wonend te [woonplaats] ,

60. [appellant sub 60] wonend te [woonplaats] ,

61. [appellant sub 61] wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmers te Amsterdam,

tegen

N.V. HVC,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.R.M. van den Assum te Leusden.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de werknemers en HVC genoemd.

De werknemers zijn bij dagvaarding van 21 januari 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), van 22 oktober 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de werknemers als eisers en HVC als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 augustus 2015 doen bepleiten, de werknemers door mr. M.S.J. Steenhuis, advocaat te Haarlem, en HVC door mr. Van den Assum voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De werknemers hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog

  1. voor recht zal verklaren dat HVC verplicht is de werknemers die vallen onder de werking van het op 14 oktober 2003 gesloten Sociaal Plan gelijk te behandelen als de overige werknemers van HVC zoals die sinds 1 januari 2009 zijn ingeschaald volgens het beloning -en functiewaarderingssysteem Baarda;

  2. HVC zal veroordelen om desgevraagd aan de werknemers, die vallen onder de werking van het Sociaal Plan van 14 oktober 2003, met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2009 een salaris te betalen gelijk aan het salaris zoals de overige werknemers ontvangen op grond van het beloning,- en functiewaarderingssysteem Baarda die niet onder de werking van het Sociaal Plan van 14 oktober 2003 vallen;

  3. voor recht zal verklaren dat de werknemers die vallen onder de werking van het Sociaal Plan van 14 oktober 2003 recht hebben op de overeengekomen vier compensatie-uren bij een 40-urige werkweek, althans een compensatie naar rato bij een werkweek van minder dan 40 uur, zulks bij inschaling in het Baarda-systeem;

  4. HVC zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

HVC heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel onder verbetering van gronden, en veroordeling van de werknemers in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder rov. 2 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig nog aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

( i) HVC is een energie- en afvalnutsbedrijf waarbinnen door verschillende gemeentes en waterschappen wordt geparticipeerd.

(ii) Eind 2003 heeft HVC het Centraal Afvalverwijderingsbedrijf West-Friesland (CAW) overgenomen, waaronder de bij CAW in dienst zijnde werknemers.

(iii) Het voltijdsdienstverband voor medewerkers van HVC betreft in beginsel 40 uur per week, bij CAW was dat op grond van de toen geldende CAR UWO 36 uur per week.

(iv) De werknemers als bedoeld in deze procedure behoren tot de door HVC van CAW overgenomen werknemers.

( v) Ten behoeve van de voormalige werknemers van CAW is op 14 oktober 2003 een

sociaal plan gesloten tussen HVC, CAW en de vakbonden ABVA/KABO FNV en CNV Publieke Zaak (hierna het Sociaal Plan).

(vi) Het Sociaal Plan bevat de volgende bepalingen:

Artikel 3.1.:

“De werkgever (bedoeld wordt: HVC: toevoeging hof) garandeert toepassing van de afspraken in dit Sociaal Plan voor de duur van het dienstverband van de medewerker met de werkgever. Deze garantie geldt ook voor de (eventuele) rechtsopvolgers van

de werkgever.”

Artikel 7:

‘‘Voor de medewerkers die bij de werkgever worden aangesteld bedraagt de formele

arbeidsduur op jaarbasis gemiddeld 40 uur per week, onder gelijktijdige toekenning van 4 compensatie-uren per week. De compensatie-uren worden door de werkgever op een vaste wijze ingeroosterd. Indien het bedrijfsbelang dit vereist kan de werkgever in overleg met de ondernemingsraad de compensatie in tijd vervangen door een salarisgarantie. Wanneer hier sprake van is, wordt de waarde van de compensatie-uren berekend op basis van het 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledige betrekking berekende - salaris van de medewerker per maand. Het geldende salarisperspectief op het moment van wijziging is bepalend voor de genoemde berekeningswijze.”

(vi) Met ingang van 1 april 2009 heeft HVC binnen haar organisatie een nieuw

Functiewaardering- en beloningssysteem ingevoerd, het Baarda-systeem. Dit systeem kent een loonschaal van 40 uur per week.

(vii) HVC heeft het Baarda-systeem niet automatisch toegepast op de van CAW

overgenomen werknemers, maar inschaling in dit systeem op basis van een loonschaal van 40 uur per week afhankelijk gesteld van het doen van afstand van hun rechten die hen toekomen volgens het Sociaal Plan, waaronder de in artikel 7 bedoelde compensatie-uren.

3 Beoordeling

3.1

De werknemers doen een beroep op het beginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden gelijk beloond dient te worden. Zij hebben - voor zover in hoger beroep nog relevant - onder verwijzing naar hetgeen is toegezegd in het Sociaal Plan hun vorderingen onderbouwd door te stellen dat nu in hun met HVC destijds gesloten arbeidsovereenkomsten geen eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen, HVC hen niet kan dwingen om afstand te doen van de eertijds toegezegde compensatie-uren. Zij hebben daarom recht om ingeschaald te worden in het bij HVC geldende Baarda-systeem op basis van een 40-urige werkweek met behoud van de vier compensatie-uren. Beloning volgens het Baarda-systeem is voor de werknemers financieel gunstiger dan het beloningssysteem zoals dat HVC tot nu toe jegens hen hanteert op basis van het Sociaal Plan.

HVC heeft deze stellingen weersproken en, kort samengevat, betoogd dat de werknemers die onder het Sociaal Plan vallen (met hun aanspraak op compensatie-uren) niet één op één inpasbaar zijn in het Baarda-systeem. Het is ook niet billijk deze werknemers op basis van een 40-urige werkweek in te schalen en te belonen, omdat zij feitelijk maar 36 uur werken. Dat rechtvaardigt in de visie van HVC ook het onderscheid in beloning.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen van de werknemers afgewezen. Hij overwoog daartoe kort samengevat dat uit het Sociaal Plan valt af te leiden dat de in geding zijnde compensatie-uren geen loonwaarde vertegenwoordigen, zodat deze uren ook niet zonder meer zijn op te nemen in het Baarda-systeem. Dit rechtvaardigt een onderscheid in beloning alsmede de omstandigheid dat ongeclausuleerde opname van de onder het Sociaal Plan vallende werknemers in het Baarda-functiewaarderingssysteem ook tot ongelijke behandeling leidt, doordat dit systeem een 40-urige loonschaal kent, terwijl de betreffende werknemers feitelijk slechts 36 uur werken. Tenslotte hebben de werknemers ook niet cijfermatig inzichtelijk gemaakt hoeveel het verschil in salaris(perspectief) bedraagt met de onder het Baarda-systeem vallende werknemers. Aldus de kantonrechter.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen de werknemers met hun grieven op.

3.3

De eerste twee grieven hebben de kennelijke strekking het geschil over de vraag of HVC een deugdelijke grond heeft om een deel van haar werknemers, die vallen onder de werking van het Sociaal Plan, anders te belonen dan de overige werknemers in haar onderneming, die overeenkomstig het in 2009 ingevoerde Baarda-systeem worden beloond, opnieuw aan de orde te stellen. Daarbij kan worden opgemerkt dat partijen het er inmiddels over eens zijn dat het in deze zaak bedoelde Sociaal Plan niet is te beschouwen als een cao, nu aanmelding ervan achterwege is gebleven.

3.4

De werknemers hebben de grieven toegelicht door erop te wijzen dat de vier compensatie-uren - en de daarmee destijds ontstane - ongelijkheid een historische oorsprong hebben en voortvloeien uit het Sociaal Plan, dat is opgemaakt ten tijde van de overgang van onderneming van CAW naar HVC in 2003. Deze aanspraak op compensatie-uren is inmiddels deel gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomst van de werknemers met HVC. Het kan, aldus de werknemers, niet zo zijn dat een situatie die door HVC zelf in het leven is geroepen - de introductie van het Baarda-systeem - haar thans tot voordeel strekt in de relatie met die werknemers. Onjuist is ook de overweging dat de compensatie-uren geen loonwaarde hebben. In het Sociaal Plan (artikel 7) wordt er immers in voorzien dat wanneer de compensatie ongedaan wordt gemaakt er door HVC een salarisgarantie tegenover staat.

3.5

Het hof stelt voorop dat het onderscheid in beloning niet een onderscheid betreft dat door wet of een rechtstreeks werkende verdragsbepaling wordt verboden zoals de in artikel 5 Algemene wet gelijke behandeling genoemde gevallen, dan wel het in artikel 7:646 BW en artikel 7 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bedoelde onderscheid in arbeidsvoorwaarden of het in artikel 7:648 en 7:649 BW verboden onderscheid op grond van het verschil in arbeidsduur of van het al dan niet tijdelijk karakter van de arbeidsovereenkomst.

Dat brengt met zich dat in het onderhavige geval de vraag of sprake is van een ongeoorloofd onderscheid dan ook slechts kan worden beantwoord aan de hand van de eisen van goed werkgeverschap op de voet van art. 7:611 BW, in welke bepaling de algemene eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals neergelegd in art. 6:2 en 6:248 BW voor het arbeidsrecht uitdrukking vinden. Bij de vaststelling van wat de eisen van goed werkgeverschap voor een geval als het onderhavige inhouden, moet derhalve het beginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden op gelijke wijze moet worden beloond, tenzij een objectieve rechtvaardigingsgrond een ongelijke beloning toelaat, “in aanmerking worden genomen”. Dit een en ander betekent dat dit beginsel – waaraan, gelet op het feit dat het ook steun vindt in verdragsbepalingen als art. 26 IVBPR en art. 7 Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (hierna: IVESCR), een zwaar gewicht kan worden toegekend – niet doorslaggevend is, maar dat het naast andere omstandigheden van het geval moet worden betrokken in de afweging of de werkgever in de gegeven omstandigheden heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Anders gezegd: ook ingeval op zichzelf moet worden aangenomen dat werknemers gelijke arbeid in gelijke omstandigheden verrichten, zonder dat voor een verschil in beloning een objectieve rechtvaardigingsgrond valt aan te wijzen, kan dit nog niet zonder meer tot de slotsom leiden dat zij een gelijke beloning behoren te krijgen. Tevens volgt hieruit dat bij de beoordeling van de vraag of een overeengekomen ongelijkheid in beloning op grond van dit beginsel als ongeoorloofd moet worden beschouwd en derhalve ongedaan gemaakt moet worden, een terughoudende toetsing op haar plaats is, aangezien het hier gaat om een toetsing van gelijke aard als die welke plaatsvindt bij de toepassing van art 6:248 lid 2 BW en dat derhalve deze vraag slechts bevestigend kan worden beantwoord indien de ongelijkheid in beloning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hetzelfde geldt eens te meer indien de ongelijke beloning voortvloeit uit een collectieve arbeidsovereenkomst, omdat dan tevens het uit verscheidene verdragsbepalingen voortvloeiende zwaarwegende beginsel van de vrijheid van onderhandelen over arbeidsvoorwaarden in het geding is. Vergelijk HR 30 januari 2004, JAR 2004/68, Parallel Entry/KLM en VNV).

3.6

Vastgesteld kan worden dat bij de overgang van de werknemers van CAW naar HVC uitdrukkelijk onderkend is dat voor de toenmalig werknemers van CAW een voltijdse werkweek gold van 36 uur op grond van de CAR-UWO, terwijl de verkrijgende werkgever (HVC) een voltijdse werkweek kende van 40 uur. Bij de overgang van CAW naar HVC is aan alle medewerkers van CAW een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden door HVC waarbij de CAO A&M - Sector CAO Afval en Milieu 2003 deel Algemeen (A) en deel Services (B) - van toepassing werd. Een van de uitgangspunten was dat de bestaande salarispositie inclusief toelagen werden gegarandeerd. Dit hield in het voor de werknemer op dat moment geldende bedrag in de salarisschaal, het uitzicht op de volgende periodieken met inbegrip van de uitloopsystematiek volgend uit het salarissysteem van CAW en alle vaste toelagen (exclusief overwerk) waarop de werknemer bij CAW aanspraak kon maken (pagina 4 gezamenlijk voorstel voor CAW en HVC, productie 2 bij inleidende dagvaarding). Onder meer tegen deze achtergrond is het Sociaal Plan overeengekomen. Dit hield kort gezegd in dat alle vroegere medewerkers van CAW formeel een veertigurige werkweek kregen doch slechts 36 uur behoefden te werken onder behoud van het hen voordien toekomende loon. Meerwerk boven de betreffende 36 uur werd aangemerkt als overwerk en werd ook als zodanig betaald. Partijen twisten nog over de vraag wat de precieze achtergrond van het formele karakter van de betreffende 40 uur was (pensioenwetgeving of niet), maar dat aspect acht het hof voor de verdere beoordeling niet van belang, nu vaststaat dat de salarispositie van de betrokken medewerkers gelijk bleef én zij daartoe nog immer feitelijk niet meer dan 36 uur per week dienden te werken.

3.7

Met de invoering van het Baarda-systeem is een enigszins andere wijze van inschaling en daarmee samenhangende beloningsstructuur ingevoerd binnen HVC.

Dat systeem sluit aan bij de voordien reeds binnen HVC geldende werkweek van 40 uur. Voor de werknemers is dat aanleiding geweest om te verzoeken geheel volgens dat systeem te worden behandeld inclusief de daarop gebaseerde beloning echter met dien verstande dat zij feitelijk beloond wensen te worden voor een werkweek van 40 uur maar onder behoud van de 4 compensatie-uren, als toegezegd bij het Sociaal Plan. HVC heeft aangegeven er geen probleem mee te hebben indien werknemers over wensen te stappen naar het Baarda-systeem, maar koppelt daar dan de voorwaarde aan dat de daarmee samenhangende beloning overeenkomt met die van een werkweek waarin ook feitelijk 40 uren (dan wel 36 uren) wordt gewerkt.

3.8

In het licht van de hiervoor in rov. 3.5 genoemde maatstaf kan niet worden gezegd dat het standpunt van HVC als onredelijk in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW moet worden aangemerkt. Immers niet valt in te zien waarom HVC de werknemers, die gegeven de 40-urige werkweek bij HVC een uit het Sociaal Plan voortvloeiende toezegging hadden dat zij niet meer behoefden te werken dan 36 uur om hun salaris te behouden en thans - zonder feitelijk meer te gaan werken dan de betreffende 36 uur - naast die vrijstelling de facto ook nog betaling verlangen van de uren waarop die toezegging betrekking had, daarin tegemoet zou moeten komen. Daarmee zou HVC bovendien daadwerkelijk een onderscheid in beloning creëren met haar andere werknemers, die voor datzelfde loon daadwerkelijk 40 uur dienen te werken. De grondslag van de vordering : ‘gelijke arbeid, gelijk loon’ valt daarmee niet te rijmen. Voor zover de werknemers wensen te betogen dat de toezegging omtrent de compensatie-uren als een verworven recht geheel los zou moeten worden gezien van hun huidige loonaanspraken in het kader van een door hen bepleite gelijke behandeling, miskennen zij dat een dergelijke aanspraak slechts één van de omstandigheden is die moet worden meegewogen bij de beoordeling in dit kader. De toezegging in het kader van het Sociaal Plan heeft ook geen absoluut karakter in die zin dat deze los kan worden gezien van de salarisgarantie die destijds is gegeven, terwijl deze toezegging ook niet inhield dat HVC als opvolgend werkgever gehouden zou zijn om op enig moment alsnog deze vier uur compensatie te gaan betalen los van de vraag of er daarvoor arbeid zou worden verricht. Integendeel, die gehoudenheid bestond nu juist niet anders dan in het geval als bedoeld in artikel 7 van het Sociaal Plan. Andere omstandigheden, die maken dat het niet toepassen van het in het Baarda-systeem neergelegde financiële beloning op de werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar doen zijn, zijn niet aangevoerd.

3.9

Buiten beschouwing kan blijven de stelling van HVC dat een aantal werknemers er met de toepassing van het beloningssysteem in Baarda er eerder op achteruit zal gaan dan vooruit, omdat die stelling gebaseerd is op een gelijk blijven van het aantal gewerkte uren (36) in een week, terwijl de werknemers uitgaan van een beloning overeenkomstig een 40-urige werkweek.

3.10

Dit betekent dat de eerste twee grieven falen. De derde grief, die ziet op de buitengerechtelijke kosten en de proceskostenveroordeling, behoeft daarom verder geen bespreking meer.

3.11

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod wordt van de hand gewezen nu geen bewijs is aangeboden van feiten en of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. De werknemers zullen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de werknemers in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van HVC begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, C.M. Aarts en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2015.