Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3882

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
23-000647-13 (Passage)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Zaak ''Passage''. Beslissingen op verzoeken tot informatieverstrekking door openbaar ministerie over kaders getuigenbescherming met het oog op toetsing door het hof. Beslissingen op getuigenverzoeken met het oog op beoordeling overeenkomst met en betrouwbaarheid van (kroon)getuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Amsterdam

Afdeling strafrecht

Strafzaak Passage

Extract beslissingen

Datum: 21 september 2015

Vorderingen, voornemens en verzoeken: overwegingen en beslissingen van het hof

1 Inleiding

In het hoger beroep “Passage” is het hof thans toegekomen aan het geven van overwegingen en beslissingen na een kortgeleden gehouden derde ronde van regiezittingen.

Met het oog op het behouden van het scherpe zicht op samenhang en context leert een korte terugblik het volgende.

De vorige, tweede regieronde is afgerond met overwegingen en beslissingen die het hof heeft gegeven op 23 januari 2015. Het ging toen om ambtshalve gegeven beslissingen tot het horen van getuigen, als ook om aankondigingen en vorderingen van de advocaat-generaal en verzoeken, gedaan namens de verdachten door hun respectieve raadslieden. Dit een en ander sproot direct voort uit de in het najaar van 2014 door de advocaat-generaal geïntroduceerde tweede kroongetuige [R.] . Deze introductie bleek niet onproblematisch; op tal van onderdelen die steeds samenhingen met de door de advocaat-generaal gepresenteerde kroongetuige [R.] is debat gevoerd en is op geschilpunten door het hof beslist. Gedurende de voorbije periode heeft het hof een aanzienlijk aantal getuigen gehoord, overwegend in de sleutel van de door de advocaat-generaal nagestreefde doelen van het verifiëren/falsifiëren van de (kluis)verklaringen van de getuige [R.] .

Naast de aan de introductie van [R.] als kroongetuige gerelateerde verzoeken en verweren werd over de band van deze kroongetuige de verbinding gelegd met de door de officier van justitie gestarte strafzaak tegen [H.] .

[H.] staat bij de rechtbank terecht, ook voor misdrijven die in het hoger beroep Passage aan de orde zijn. En: [R.] heeft ook verklaard over misdrijven die min of meer zijdelings aan de orde zijn in dit hoger beroep. Voor zover [R.] over die misdrijven heeft verklaard blijven die niet buiten het zicht van Passage in hoger beroep, ook omdat die verklaringen van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door [R.] als kroongetuige afgelegde verklaringen.

Voorts is bij gelegenheid van die tweede regieronde in januari jl. stilgestaan bij het gegeven dat in de zaak tegen [H.] onderzoek (door politie, rechter-commissaris en rechtbank) werd gedaan naar zijn betrokkenheid bij moorden die ook in het kader van Passage aan een aantal verdachten wordt verweten. Na een verkenning van het een en ander heeft het hof, mede op basis van de standpunten van procespartijen, vastgesteld dat als een min of meer vaststaand gegeven moet worden beschouwd dat het procesverloop van Passage in hoger beroep zich relatief onafhankelijk van dat in de zaak-Vandros zal bewegen. Het hof heeft toen goede nota genomen van de breed gedragen wens dat het hof de regie met strakke hand voert, dit ook in het licht van de met het Passageproces tot dusver gemoeide tijd. Aan de advocaat-generaal is toen opgedragen het hof in te blijven lichten over het verloop van die zaak. Het hof heeft destijds gemotiveerd afgezien van het investeren in verkenningen op (on)mogelijkheden van het gelijkschakelen van getuigenverhoren in beide onderzoeken.

Inmiddels is ook de behandeling van een andere strafzaak door de rechtbank scherper in beeld gekomen: Enclave. Ook die zaak heeft raakvlakken met onderdelen van Passage en in zoverre is ook de samenloop met die zaak niet zonder betekenis. Het is in het bijzonder de in die zaak figurerende getuige [K.] en al hetgeen aan diens getuigenissen al dan niet is voorafgegaan waarvoor de verdediging van [verdachte 1] en [verdachte 2] aandacht heeft gevraagd, thans in de vorm van verzoeken.

Het verloop van de onderzoeken tegen [H.] (Vandros) en tegen anderen (Enclave) heeft de advocaat-generaal ertoe gebracht inhoud te geven aan de in januari 2015 door het hof met zekere nadruk geformuleerde alertheid die het van de advocaat-generaal verwacht.

Het toch al zeer omvangrijke Passage-dossier is sedertdien door hem aangevuld met tal van stukken die in die onderzoeken Vandros en Enclave zijn ingebracht. In dat bestek springen de processen-verbaal waarin de verklaringen van de gezusters [getuigen] , [getuige 2] en [K.] zijn gerelateerd in het oog.

Gesteld voor de vraag of, en zo ja op welke wijze enige gelijkschakeling van onderzoekshandelingen in Vandros en Passage aangewezen is heeft het hof ter terechtzitting van 23 januari 2015 overwogen dat op grond van de toen beschikbare gegevens daarvoor geen termen aanwezig waren. Daarom heeft het hof toen ervan afgezien om in die tweede regiefase te investeren in nadere verkenningen ter zake.

Het hof heeft op die terechtzitting vastgesteld dat procespartijen sterk hechten aan een voortvarende afdoening, dit ook in het licht van de zeer aanzienlijke tijd die tot dusver gemoeid is geweest met de behandeling van de zaken in eerste aanleg en in hoger beroep en de druk die strafvervolging voor de respectieve verdachten meebrengt. Het onderzoek is vervolgens met voortvarendheid en strakke regievoering voortgezet.

Ook thans geldt evenwel onverkort dat de mate waarin in hoger beroep met voortvarendheid kan worden geprocedeerd onlosmakelijk samenhangt met de kwaliteit van de waarheidsvinding in hoger beroep en de waarborging van de belangen van procespartijen. Het hof zal steeds oog hebben te blijven houden voor de juiste balans van deze aspecten in hun onderling verband.

Het hof heeft op die terechtzitting in januari 2015 voorts het volgende overwogen.

Het hof zal hierna in lijn met het voorgaande beslissingen geven ten aanzien van de voortgang.

Die beslissingen brengen mee dat de opgave voor de komende periode erin bestaat dat externe onzekerheden die op het proces van invloed zijn worden onderkend, gevolgd en tot hanteerbare proporties teruggebracht. Deze onzekerheden zijn bij de huidige stand van de inzichten vooral te lokaliseren in het te verrichten onderzoek in het kader van de strafzaak Vandros. Daarnaast doen deze zich voor in het domein van enkele lopende opsporingsonderzoeken naar liquidaties die aan geen van de verdachten die in Passage terecht staan, zijn ten laste gelegd.

Elke andere richting waarin oplossingen zouden worden gezocht, zou stilstand, althans vertraging alsmede verminderde controle impliceren. Waar het gaat om ontwikkelingen in het onderzoek-Vandros kan vooralsnog vrijwel uitsluitend worden uitgegaan van toekomstige onzekere gebeurtenissen. Op zo’n smalle basis kan een nadere vormgeving van het onderzoek Passage niet worden gefundeerd, noch op een juridisch verantwoorde noch op een praktisch aanvaardbare manier.

Als mogelijk nadelig gevolg zal eveneens moeten worden aanvaard dat verschillende rechters op uiteenlopende momenten feitelijke en rechtsvragen zullen gaan beantwoorden die onderling nauw samenhangen.

De door het hof beoogde regie, in antwoord op de daartoe gedane uitnodiging, zal inhouden dat op regelmatige basis beoordeeld zal worden of de onzekerheden van aard en intensiteit zijn veranderd en aanleiding kunnen zijn voor nadere omlijning en invulling van het te verrichten onderzoek in hoger beroep. Daarbij staan het hof thans in elk geval twee momenten voor ogen.

Het eerste is het moment waarop het openbaar ministerie meer inzicht geeft in verloop en inrichting van het (voorbereidende) onderzoek-Vandros.

Het tweede moment is dat waarop het vandaag door het hof te bevelen onderzoek (ter terechtzitting en uit te voeren door de rechter-commissaris) zal zijn afgerond. Vooralsnog kan alleen het tweede moment worden geraamd. Het is opgenomen in de heden bekend te maken planning voor het onderzoek ter terechtzitting in de eerste helft van 2015. Overigens valt niet uit te sluiten dat beide momenten in tijd min of meer zullen samenvallen.

Een en ander laat overigens onverlet dat procespartijen op elk moment het hof kunnen vragen om een moment voor nadere regie in te plannen als zij van mening zijn dat ontwikkelingen daartoe noodzaken.

Thans is het moment aangebroken waarop de afronding van het in januari 2015 bevolen onderzoek in zicht komt, met dien verstande dat de aankomende periode nog een klein aantal getuigen zal worden gehoord. Het voortschrijden van de tijd heeft enige helderheid gebracht. De advocaat-generaal heeft het hof ingelicht over de op 16 september jl. door de rechtbank bepaalde vormgeving van de voortgang van het onderzoek in de [H.] betreffende strafzaak. Voorts is thans de agendering van de behandeling door de rechtbank van een aantal strafzaken onder de noemer Enclave bekend.

Nu de rechtbank in de strafzaak tegen [H.] het zwaartepunt van het in die zaak thans te houden onderzoek bij de rechter-commissaris heeft gelegd - verhoren van de na te noemen drie getuigen daaronder mede begrepen – zal het hof, voordat het beslist over de agendering en modaliteit van verhoren van de door de advocaat-generaal aangekondigde getuigen [getuigen] en [getuige 2] , de advocaat-generaal en de verdediging in de strafzaken tegen [verdachte 3] , [S.] , [R.] , [verdachte 1] en [verdachte 2] de gelegenheid bieden dat nieuwe gegeven van verwijzing naar de rechter-commissaris te betrekken bij de reeds gegeven toelichting op het zowel door de advocaat-generaal als die verdediging voorgestane verhoor van deze getuigen in de in hoger beroep voorliggende strafzaken. Het hof verstaat, dat de advocaat-generaal zich onverwijld door de officier van justitie laat inlichten over (verwachtingen over) de agendering van die verhoren door de rechter-commissaris.

Die gelegenheid zal worden geboden ter terechtzitting van 22 september 2015 te 13:00.

Overigens brengt hetgeen het hof tot nog toe ter kennis is gebracht over inhoud en voortgang van de strafzaken Vandros en Enclave geen verandering in het eerder in januari 2015 gekozen uitgangspunt: voortvarend voort-procederen in hoger beroep, met een open oog voor al hetgeen door en onder gezag van de rechtbank inzake Vandros en Enclave voorvalt, indien en voor zover relevant voor het onderzoek in hoger beroep in Passage. In elk geval de advocaat-generaal wordt geacht die ogen van het hof open te doen houden, door het hof blijvend in te lichten over al hetgeen in die zaken voorvalt en wordt verricht, indien en voor zover van belang voor enige door het hof in de in hoger beroep ter berechting voorliggende strafzaken te nemen beslissing.

2. De verzoeken die strekken tot nader onderzoek naar vorm en inhoud getuigenbescherming

[…]

2.2

Beoordeling door het hof

2.2.1

Processueel kader

Vooropgesteld dient te worden dat het processuele kader waarin de verzoeken zijn gedaan en door het hof dienen te worden beoordeeld wordt gevormd door de artikelen 315 en 328 Wetboek van Strafvordering (Sv). Ingevolge deze bepalingen die in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, kan de zittingsrechter, indien hem daartoe de noodzaak is gebleken, de oproeping van getuigen bevelen en voorts bepalen dat bescheiden die niet ter terechtzitting aanwezig zijn aan het dossier worden toegevoegd. De verdachte kan in elke stand van het geding een verzoek doen tot toepassing van deze bevoegdheid.

Het hof stelt voorop dat in artikel 226l Sv weliswaar is neergelegd dat de Minister van Justitie de bevoegdheid toekomt om op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen te treffen voor feitelijke bescherming van zekere getuigen en personen, doch een bijzondere, op dergelijke maatregelen betrekkelijke wettelijke regeling, waarin aan de zittingsrechter (al dan niet na een daartoe gevoerd verweer) enige toetsende rol van dergelijke getroffen maatregelen is opgedragen, ontbreekt.

Derhalve zal het hof als zittingsrechter bij de beoordeling van verweren die zien op het aan de verzoeken onderliggende speelveld zich hebben te richten op de in artikel 359a Sv neergelegde regeling van sanctionering van vormverzuimen, vanzelfsprekend naast het aan artikel 6 van het EVRM te ontlenen toetsingskader.

Thans ligt evenwel niét aan het hof de beoordeling en beslissing van verweren, doch wél van aan de hand van de even genoemde maatstaf te beoordelen verzoeken voor. Voor de beoordeling of de noodzaak tot toewijzing van verzoeken zich voordoet geldt steeds als voorwaarde dat hetgeen is verzocht van belang is voor enige, door het hof te nemen beslissing.

2.2.2.

De beoordeling en beslissing

Het onderwerp van het treffen van specifieke maatregelen voor de feitelijke bescherming van de in art. 226l, eerste lid, Sv bedoelde getuigen ( [S.] en [R.] ) als ook van de in het tweede lid van die bepaling bedoelde personen ( [K.] ), brengt naar zijn aard mee dat de inhoud van (het samenstel van) die maatregelen zich in beginsel niet leent voor openbaarmaking. Immers, aangenomen moet worden dat openbaarmaking van die inhoud afbreuk doet aan het realiseren van het met het treffen van die maatregelen nagestreefde doel: het bieden van een effectieve feitelijke bescherming van personen in meest ruime zin.

Het hof neemt aan dat de door de raadslieden gewenste openbaarmaking van de in de verzoeken bedoelde onderdelen en aspecten van de inhoud van het samenstel van maatregelen (al dan niet zijnde de vrucht van door de Staat met die getuigen/persoon gemaakte afspraken) per definitie slechts een gefragmenteerd en lacuneus beeld kan opleveren van al hetgeen in de sleutel van bescherming als geheel door de Staat wordt geboden en verricht. Daarbij komt, dat aard, omvang en inhoud van het samenstel van die maatregelen in hoge mate zullen zijn toegesneden op de specifieke situatie waarin ieder van de te beschermen personen (in casu: [S.] , [R.] en [K.] ) verkeert. Voorts mag worden aangenomen dat deze maatregelen rechtstreeks zullen samenhangen met en voortvloeien uit hetgeen de Staat op basis van de op ieder van die personen toegesneden dreigingsanalyse heeft vastgesteld. Wat die dreigingsanalyse betreft neemt het hof in aanmerking dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Bovendien komt in dit verband betekenis toe aan de vaststelling dat deze dreigingsanalyse zich naar haar aard niet voor enige vorm van openbaarmaking in enigerlei mate leent.

Het hof neemt in aanmerking hetgeen hiervoor is overwogen en betrekt daarbij wat hiervoor met betrekking tot het processuele kader is overwogen. Dit leidt tot de slotsom dat een door de raadslieden beoogde toetsing door de zittingsrechter van de opportuniteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van het samenstel van voor zekere personen getroffen beveiligingsmaatregelen, aan de hand van kennisneming van de inhoud van slechts één of meer onderdelen van dat samenstel van maatregelen, per definitie gemankeerd zal zijn. Immers, niet valt in te zien hoe het resultaat van deze beoordeling van getroffen en mogelijk nog te treffen maatregelen in hun onderlinge verband en samenhang betekenisvol kan zijn als ten aanzien daarvan wél van de inhoud van het één en tegelijkertijd niet ook van het ánder kan worden kennisgenomen.

Daar komt nog bij dat, anders dan bij andere aan de zittingsrechter opgedragen beslissingen, noch een kader voor toetsing noch een maatstaf voor beoordeling bestaat. Dit heeft als achtergrond, zo mag worden aangenomen, de aard van de getuigenbescherming en de onmogelijkheid om daarover, anders dan op zeer beperkte wijze, te rapporteren.

Zo bezien heeft te gelden dat toewijzing van de verzoeken – gelet op het per definitie gefragmenteerde en lacuneuze karakter van de mogelijk daaruit naar voren komende informatie – niet verder zal kunnen bijdragen aan een door de raadslieden beoogde toetsing door het hof zodat daarvoor geen noodzaak bestaat.

Ten aanzien van de getuige [S.] heeft nog in het bijzonder te gelden dat hetgeen tot dusver door het hof niettemin aan nader onderzoek is opgedragen en vervolgens is verricht rechtstreeks samenhangt met – zeer kort samengevat – het dynamisch verloop van al hetgeen door en over hem naar voren is gebracht c.q. verklaard c.q. was weggelaten, zoals daarvan blijkt uit al hetgeen door het hof is overwogen en beslist ter (regie)terechtzittingen van 13 december 2013, 10 juni 2014, en bekrachtigd op 23 januari 2015.

Het hof merkt in dit verband op dat het primaire object van aanvullend onderzoek en nadere verantwoording ten aanzien van getuigenbeschermingsmaatregelen het gestelde conflict tussen [S.] en de Staat was. Dit riep vragen op ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van zijn verklaringen waarna het hof binnen de grenzen van de in artikel 187d Sv bedoelde belangen onderzoekshandelingen heeft bevolen, die, na enige aanloopproblemen, zijn uitgevoerd.

Het is op grond van de inhoud van in eerste aanleg gevoerde verweren en de eerder in hoger beroep gedane en thans voorliggende verzoeken niet ondenkbaar dat door of namens de verdachten te zijner tijd verweren zullen worden gevoerd die inhoudelijk zullen samenhangen met de inhoud van de voorliggende verzoeken.

Zo bestaan aanknopingspunten om te veronderstellen dat zal worden betoogd dat aan het openbaar ministerie de ontvankelijkheid in de strafvervolging dient te worden ontzegd, of dat verklaringen die door de beschermde getuigen zijn afgelegd van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De onderbouwing daarvan zal mogelijk bestaan in de argumenten dat per definitie en/of op grond van hetgeen ter zake feitelijk wél en/of niét is gebleken over achtereenvolgens beschermingskaders, (toegezegde) prestaties door de Staat en de wijze van verantwoording daaromtrent door het openbaar ministerie, het aan toetsing door het hof als zittingsrechter onttrokken zijn van de totstandkoming en/of inhoud van beschermingsafspraken met [S.] , [R.] en [K.] (als getuigen/persoon in de betekenis van art. 226l Sv) deze sanctionering dienen mee te brengen.

Daarmee is de noodzaak tot de opdracht aan de advocaat-generaal tot het ter tafel doen brengen van (meer) informatie over de totstandkoming of inhoud van de ten aanzien van de even genoemde personen getroffen maatregelen evenwel niet gegeven.

Aan het kunnen voeren van dergelijke verweren kan – gelijk hiervoor is uiteengezet – ontsluiting van slechts onderdelen van een op verschillende personen toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen in redelijkheid niet bijdragen. Daarom is - ook bezien in het perspectief van het verdedigingsbelang - de noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen mrs. [getuige 3] en [getuige 4] (voor zover hun verhoor is verzocht met het oog op nadere informatieverstrekking over de inhoud van getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen) noch tot het geven van de door de verdediging verzochte opdrachten tot nadere informatieverstrekking aanwezig, zodat het hof deze verzoeken afwijst.

De raadsman van [verdachte 3] heeft, zoals hiervoor reeds beschreven, ook verzocht om de personen [getuige 3] en [getuige 4] te doen oproepen met het oog op een verhoor tegen de achtergrond van de door de raadsman gesignaleerde verschillen tussen de zogeheten intentieverklaring financiële bepalingen 2007 en de overeenkomst op hoofdlijnen 2009 met betrekking tot de ten aanzien van [S.] te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen. Kennelijk zijn, aldus de raadsman, andere kaders gehanteerd dan de in dit verband vigerende kaders voor besluitvorming. De raadsman wil weten of er andere kaders in de besluitvorming zijn betrokken en zo ja, welke inhoud deze hebben. Daarnaast gaat zijn interesse uit naar de betrokkenheid van hogere echelons binnen het openbaar ministerie bij de inhoud van de daarover opgemaakte processen-verbaal.

De raadsman heeft daarbij betrokken zijn observaties dat het openbaar ministerie over de inhoud van deze documenten niet telkens op dezelfde wijze en met dezelfde inhoud in de strafzaak van zijn cliënt [verdachte 3] heeft gecommuniceerd. Hij heeft in dat verband als zijn mening te kennen gegeven dat de ingebrachte informatie stelselmatig onjuist is geweest.

De advocaat-generaal heeft zich, op basis van een andere lezing van de relevante processen-verbaal en op grond van een waardering van de reeds over [S.] prijsgegeven informatie, tegen toewijzing van de verzoeken verzet.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Gedurende de gedingfase in eerste aanleg zijn diverse processen-verbaal van officieren van justitie belast met getuigenbescherming of criminele inlichtingen ingebracht met als onderwerp de ten aanzien van [S.] te treffen beschermingsmaatregelen. Voorts is op bevel van het hof een officier van justitie (mr. [getuige 3]) meermalen gehoord, waarbij deze functionaris als getuige tweemaal effectief door de raadsman van de verdachte [verdachte 3] kon worden ondervraagd.

Aldus is door het openbaar ministerie informatie verstrekt en verantwoording afgelegd, zij het op een naar de mening van de raadsman ontoereikende wijze.

Het hof stelt vast dat de voor de besluitvorming binnen het openbaar ministerie relevante regelgeving volledig bekend is. Het gaat hierbij in het bijzonder om artikel 226l Sv en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur en, in ruimere zin, de wettelijke kroongetuigenregeling en de toepasselijke, gepubliceerde, beleidsregels van het openbaar ministerie. De raadsman is blijkens de gegeven toelichting op zoek naar overige normerende kaders die, hoewel niet bekend gemaakt, zijn gehanteerd bij de interne besluitvorming en bij de verslaglegging daarover.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof voorop dat de loop van de interne besluitvorming binnen het openbaar ministerie (door de raadsman in zijn verzoek ook wel getypeerd als “hoe de hazen hebben gelopen”) zich in het algemeen niet leent voor enige uitleg of verantwoording in het kader van strafvordering. Het verzoek, in de kern inhoudend dat ook niet-kenbare “kaders” (met inbegrip van hun boven- en ondergrenzen) worden geopenbaard, staat op gespannen voet met dit uitgangspunt.

Het hof heeft reeds bij eerdere gelegenheden verstaan dat de raadsman verweren heeft gevoerd en opnieuw zal voeren die zijn gebaseerd op de stelling dat in strijd met toepasselijke rechtsregels de getuigenbescherming van [S.] is vormgegeven en dit bovendien in problematische verhouding staat tot de met hem gesloten zogenoemde kroongetuigendeal.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze verweren, die zien op de rechtmatigheid van het handelen van het openbaar ministerie in brede zin, op basis van hetgeen thans beschikbaar is, gevoerd worden. Dit kan ook blijken uit de door de raadsman op het verzoek gegeven toelichting, die klaarblijkelijk vertrekt vanuit de door het openbaar ministerie geproduceerde processtukken. De aanvullende informatie dient, zo begrijpt het hof, betrekking te hebben op de totstandkoming van besluiten binnen de gelederen van het openbaar ministerie.

Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien wat, in het licht van zowel de door hem aan de verzoeken verbonden toelichting als de, naar verwachting, te voeren verweren de toegevoegde waarde kan zijn van hetgeen de raadsman heeft verzocht.

Ook op deze gronden wordt het verzoek dat strekt tot nadere informatieverstrekking, primair in de vorm van een verhoor van mrs. [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen en subsidiair in de vorm van een bevel van het hof aan de advocaat-generaal tot toevoeging van nadere bescheiden, bij gebrek aan noodzaak afgewezen.

3 De aankondigingen, vordering en overige verzoeken

[…]

3.3.2. Getuigen (die raken aan de in het onderzoek Viool voorliggende misdrijven)

De raadsman heeft verzocht om een aantal getuigen, door hem in pleitnotitie 1 genummerd als 13 t/m 21, ter terechtzitting te doen horen. Gedeeltelijk zijn deze door hem ingedeeld in de rubriek ‘Onderzoek Viool’.

Met betrekking tot deze getuigen stelt het hof het navolgende voorop.

Uit de toelichting op de verzoeken volgt, dat genoemde getuigen niet rechtstreeks of uit eigen wetenschap kunnen verklaren over enig aan de verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] tenlastegelegd feit. Het hof begrijpt de verzoeken aldus, dat deze getuigen iets zouden kunnen verklaren omtrent hun wetenschap van overige feiten waarover een ander, namelijk [R.] in zijn verklaringen heeft gesproken dan wel dat zij wetenschap hebben van – criminele – activiteiten van [R.] . Om die reden, zo begrijpt het hof, zijn de verklaringen van de getuigen van belang voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [R.] . Voorts kan uit eerder door de raadsman ingenomen standpunten blijken dat de verklaringen van de bedoelde getuigen van belang kunnen zijn voor de beoordeling door het hof van de rechtmatigheid van de door het openbaar ministerie met hem gesloten kroongetuigendeal, al dan niet responderend op dienaangaande nog te voeren verweren.

Het hof stelt vast dat gedurende de afgelopen maanden reeds een groot aantal getuigen is gehoord in het kader van de ‘verificatie en falsificatie’ van de door [R.] als getuige afgelegde verklaringen, zowel door de politie als door het hof ter terechtzitting, nadat deze door de advocaat-generaal - veelal op de voet van artikel 414 Sv- daartoe waren opgeroepen. Ook staat het verhoor van een aantal van in dat kader te horen getuigen nog op het programma.

Het hof acht het, gelet op de in het voorgaande gedane constateringen, aangewezen om ten aanzien van getuigen als hiervoor bedoeld thans een zekere mate van begrenzing aan te geven.

Het stelt daarbij voorop dat, zoals gezegd, deze getuigen geen ‘bewijsgetuigen’ zijn; hun verklaringen kunnen niet bijdragen tot het bewijs dat de verdachten (in casu: [verdachte 1] en [verdachte 2] ) de aan ieder van hen tenlastegelegde feiten hebben begaan, dan wel van die feiten dienen te worden vrijgesproken. Deze vaststelling geldt evenzeer ten aanzien van de getuige [R.] . In de onderhavige strafzaken is immers ook niet de bewijsvraag ten aanzien van enige betrokkenheid van [R.] bij hem niet-tenlastegelegde feiten aan de orde: vanzelfsprekend niet in de strafzaken tegen [verdachte 1] en [verdachte 2] , maar – in een verwijderd verband – evenmin in de strafzaak tegen [R.] . En voor zover de wetenschap van de hier aan de orde zijnde categorie van getuigen materieel al van betekenis kan zijn voor het aan [R.] in diens strafzaak verweten misdrijf van deelneming aan een criminele organisatie valt voorshands niet in te zien dat hun verklaringen op die grond van belang zijn voor in de strafzaken tegen [verdachte 1] en [verdachte 2] door het hof te nemen beslissingen. Dit een en ander betekent dat in beginsel niet snel de noodzaak van het horen van dergelijke getuigen ter terechtzitting aanwezig kan worden geacht.

Daarmee is evenwel niet gezegd dat de wetenschap van de even bedoelde categorie van getuigen van hetgeen door [R.] is verklaard over andere strafbare feiten c.q. van criminele activiteiten van [R.] in de strafzaken van [verdachte 1] en [verdachte 2] zonder betekenis is.

Immers, de waarheidsvinding en de beginselen van een eerlijk proces, mede in de betekenis van evenwichtigheid van de procesvoering, kunnen gediend zijn met kennisneming door het hof van de inhoud van de eerder genoemde wetenschap van bedoelde getuigen. Het hof heeft daarbij het door de verdediging benoemde belang van de inhoud van de verklaringen van [R.] en diens bijzondere positie als ‘kroongetuige’ betrokken. Aan dit belang van de verdediging kan echter in zijn algemeenheid ook in voldoende mate worden tegemoetgekomen doordat verhoren van die getuigen door de politie worden afgenomen en dat de processen-verbaal daarvan aan het dossier worden toegevoegd. De inhoud van die verklaringen kan dan immers door de verdediging bij het formuleren van uiteenlopende verweren met betrekking tot de getuige [R.] worden betrokken.

Dat niet volstaan kan worden met een verklaring die ten overstaan van opsporingsambtenaren is afgelegd en dat daarenboven een verhoor van de betreffende getuigen ter terechtzitting noodzakelijk is, vergt naar het oordeel van het hof een nadere motivering. In de gevallen waarin deze ontbreekt of naar het oordeel van het hof ontoereikend is, zullen verzoeken daarom worden afgewezen.

Een en ander leidt ten aanzien van de getuigen 13 t/m 21 tot de navolgende beslissingen.

[...]

Deze beslissing is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mr. A. Binken, griffier, en is gegeven op de openbare terechtzitting van 21 september 2015.