Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3858

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
200.171.089/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 2:8 BW. Beide bestuurders van een vastgoed-B.V. met één pand alleen/zelfstandig bevoegd. Forse huurschuld. Bestuurder stemt in met betalingsregeling, andere bestuurder is het daarmee niet eens en wenst huurschuld te incasseren. B.V. gebonden aan regeling. Voor zover regeling niet is nagekomen wordt de bestuurder die de regeling heeft gesloten bevolen mee te werken aan incasso.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1741
OR-Updates.nl 2015-0336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.171.089/01 SKG

zaak- en rolnummer rechtbank : C/15/222537/KG ZA 15-143 (Noord-Holland)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 september 2015

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] BEHEER IJMUIDEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellante sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. P.A. van den Brink te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.H.S. ten Haaf te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] Beheer, [appellante sub 2] en [Y] genoemd. Appellanten worden gezamenlijk [appellanten] genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 1 juni 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 mei 2015 in kort geding gewezen tussen [Y] als eiseres en [appellanten] als gedaagden. De appeldagvaarding bevat de grieven en producties.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, met producties;

- akte indienen stukken van [appellanten] van 9 juni 2015, met een productie;

- akte (na memorie van antwoord) van [appellanten] van 16 juni 2015, met producties;

- antwoordakte van [Y] , met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - begrijpt het hof - de vorderingen van [Y] alsnog zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met rente.

[Y] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. [appellanten] stellen in grief 1 dat de rechtbank geen volledig overzicht heeft gegeven van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geschil. Het is echter aan de rechtbank om de naar haar oordeel voor haar beslissing relevante feiten te selecteren.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[Y] en [X] Beheer zijn ondernemingen die zich beide - onder meer bezig houden met het beheer van vermogensbestanddelen. Enig aandeelhouder en bestuurder van [Y] is [A] , voormalige schoonzoon van [appellante sub 2] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [X] Beheer is [appellante sub 2] .

2.2.

[Y] en [X] Beheer zijn ieder 50% aandeelhouder en tevens alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] & [Y] Vastgoed B.V. (hierna: [Z] ). Het bestuur van [Z] behoeft op grond van art. 16 lid 3 sub g van haar statuten de “-slechts intern werkende- goedkeuring van de algemene vergadering voor bestuursbesluiten, strekkende tot (…) het voeren van processen (…), het nemen van conservatoire maatregelen en het optreden in korte gedingen”.

2.3.

De activiteiten van [Z] bestaan (louter) uit de exploitatie van een haar toebehorend bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het pand).

2.4.

Bij “Huurovereenkomst Kantoorruimte” van 5 januari 2012 heeft [Z] ten aanzien van het pand een huurovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gebr. [X] & [Y] B.V. (thans: [X] Installatietechniek B.V., hierna: [X] Installatietechniek) voor een huurprijs van € 9.725,40 per maand. De huurprijs over juni 2015 bedroeg € 10.645,82. Enig aandeelhouder van [X] Installatietechniek is [X] Beheer.

2.5.

Bij brief van 10 juni 2013 heeft [B] (hierna: [B] ), enig bestuurder van [X] Installatietechniek en de huidige schoonzoon van [appellante sub 2] , onder meer het volgende aan [Z] ter attentie van [appellante sub 2] geschreven:

“(…)

Langs deze weg verzoeken wij u, als wettelijke vertegenwoordiger van [X] & [Y] Vastgoed BV, om akkoord te gaan met de volgende betalingsregeling om de opgelopen huurachterstand 2012 voor onze bedrijfsruimten aan de [adres] te voldoen.

[X] Installatietechniek BV zal hierbij de opgelopen huurachterstand voor 2012, zijnde een bedrag van € 90.146,61 voor de helft, zijnde € 45.073,31 voor 1 september 2013 aan u voldoen.

U heeft aangegeven dat wij over het voldoen van uw deel van de huurpenningen, zijnde de overige 50%, aparte afspraken kunnen maken. De helft van de huurpenningen zullen wij voortaan gewoon maandelijks aan u voldoen.

Graag verneem ik van u of u hiermee kunt instemmen.

(…)”

2.6.

Bij brief van 17 juni 2013 heeft [appellante sub 2] in haar hoedanigheid van (bestuurder van [X] Beheer als) bestuurder van [Z] onder meer het volgende aan [X] Installatietechniek geschreven:

“(…)

Geachte heer [B] ,

U heeft uitstel van betaling gevraagd voor het voldoen van de huurverplichting met betrekking tot de [adres] .

Ik heb besloten dat u uitstel van betaling krijgt. Ik verbind aan dit uitstel de voorwaarde dat de termijnen tijdig worden betaald.

(…)

2.7.

Blijkens het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van [Z] van 8 januari 2015 heeft [X] Beheer geen toestemming gegeven voor het treffen van rechtsmaatregelen tegen [X] Installatiebedrijf ter zake van de huurschuld aan [Z] met betrekking tot het pand.

3 Beoordeling

3.1.

[Y] heeft in haar antwoordakte primair betoogd dat de akte van [appellanten] van 16 juni 2015, gezien haar omvang, buiten beschouwing gelaten moet worden wegens strijd met het rolreglement en de goede procesorde. Wat hier ook van zij, nu de akte hoofdzakelijk herhalingen bevat, zoals [Y] ook opmerkt, worden - ook - deze akte en de antwoordakte van [Y] bij de beoordeling in aanmerking genomen.

3.2.

[Y] heeft, kort samengevat, in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank beveelt dat [appellanten] medewerking verlenen aan het treffen van rechtsmaatregelen tegen [X] Installatietechniek door het afgeven van een onherroepelijke volmacht, dat [X] Beheer een onherroepelijke machtiging afgeeft om namens [Z] het pand te (her)verhuren en [appellante sub 2] daaraan haar medewerking verleent en dat [appellanten] medewerking verlenen aan de verkoop en levering van het pand, alsmede dat de rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van (een van) de bevelen indien [appellanten] in gebreke blijven hieraan te voldoen.

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen, met uitzondering van de vordering inzake de verkoop en levering van het pand. De rechtbank heeft in dit verband onder meer overwogen dat de toe te wijzen voorzieningen passend zijn. Aan de orde is hier immers weinig meer of anders dan dat [X] Beheer heeft bewerkstelligd dat de bedrijfsvoering van een dochtervennootschap die onder haar controle staat langdurig en substantieel wordt gesubsidieerd ten detrimente van de winst van [Y] en doet wat haar goeddunkt om die situatie te continueren, aldus de rechtbank.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] met hun grieven op.

3.3.

[appellanten] stellen in grief 2 dat geen sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van [Y] . Zij voeren daartoe aan dat niets is gesteld over of gebleken is van een financiële noodsituatie van [Z] en dat [Y] bovendien gedurende een lange periode geen actie heeft ondernomen. Deze grief faalt. Gezien de aard van de onderliggende vordering, een forse huurschuld van [X] Installatietechniek, is het spoedeisend belang gegeven. Hetgeen [appellanten] in dit verband stellen, is onvoldoende om anders te oordelen.

3.4.

Het hof ziet aanleiding de grieven 3 tot en met 8 gezamenlijk te behandelen.

[appellanten] omschrijven de kern van het geschil als volgt. De gevorderde voorzieningen zijn veel te verstrekkend omdat deze feitelijk zien op het geheel uit handen geven van de bedrijfsvoering van [Z] , daar de (ver)huur van het pand haar enige activiteit is. Dit is geen houdbare situatie omdat [Y] niet enkel in het belang van [Z] handelt door haar dubbele petten - [Y] is enig aandeelhouder en bestuurder van concurrenten van [X] Installatietechniek - en gezien de familiaire achtergrond - de bestuurder van [Y] is getrouwd geweest met de dochter van [appellante sub 2] - en omdat [X] Beheer hierdoor haar bestuurstaak niet behoorlijk kan uitoefenen. Voor het verstrekken van volmachten aan [Y] ontbreekt voorts iedere juridische onderbouwing en bestaat geen wettelijke grondslag, aldus [appellanten]

3.5.

Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat de beide bestuurders van [Z] , [X] Beheer en [Y] , alleen/zelfstandig bevoegd zijn om haar te vertegenwoordigen. [X] Beheer heeft als bestuurder van [Z] in juni 2013 met [X] Installatietechniek afgesproken dat de helft van de huurachterstand over 2012 voor 1 september 2013 wordt voldaan en voortaan de helft van de huurpenningen tijdig wordt voldaan en dat de andere helft later zou worden afgelost, zoals voorshands volgt uit de onder 2.5 en 2.6 weergegeven correspondentie. Gezien het feit dat de huur over januari 2013 tot en met juni 2013 toen - op 17 juni 2013 - ook nog niet was voldaan, gaat het hof er voorshands van uit dat de betalingsregeling, naast de huurschuld over 2012, ziet op de verschuldigde huur vanaf 1 januari 2013. [Z] is dan ook in beginsel gebonden aan deze door [X] Beheer als bestuurder van [Z] getroffen betalingsregeling met [X] Installatietechniek. Dit zou anders kunnen zijn als geen redelijk denkend bestuurder een dergelijke betalingsregeling zou hebben gesloten, hetgeen [X] Installatietechniek wist of had moeten weten. In dat geval zou het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen zijn dat [Z] aan deze regeling gebonden is. [appellanten] hebben als redenen voor de betalingsregeling aangevoerd dat deze juist in het belang strekt van [Z] , omdat [X] Installatietechniek zich in zwaar weer bevond, door de betalingsregeling wel aan haar huurverplichtingen jegens [Z] zou kunnen voldoen en het pand niet leeg zou komen te staan - terwijl leegstand een nadelig effect heeft op de waarde van het pand en het pand niet gemakkelijk (her)verhuurbaar zou zijn - en dat [Z] met ontvangst van de helft van de huurpenningen ook kan voldoen aan haar maandelijkse rente- en aflossingsverplichtingen jegens de bank. Deze redenen komen niet op voorhand onlogisch en/of onredelijk voor. Niet gezegd kan dan ook worden dat geen redelijk denkend bestuurder de betalingsregeling met [X] Installatietechniek had gesloten. Dat [Y] als bestuurder van [Z] een andere afweging op grond van eveneens plausibele redenen zou hebben gemaakt, zoals zij betoogt, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat er voorshands van wordt uitgegaan dat [Z] gebonden is aan de betalingsregeling.

3.6.

Het voorgaande leidt echter niet tot afwijzing van de vordering ten aanzien van het treffen van rechtsmaatregelen jegens [X] Installatietechniek ter zake van haar huurschuld. Hierbij is het volgende van belang. [Y] heeft in eerste aanleg gesteld dat [X] Installatietechniek pas per half oktober 2014 weer gedeeltelijk huur is gaan betalen. Uit een overzicht van de accountant van [Z] betreffende (onder meer) de huurschuld van [X] Installatietechniek aan [Z] per ultimo 2014 (productie 23 bij de oorspronkelijke dagvaarding) volgt dat [X] Installatietechniek op 15 oktober, 17 november en 31 december 2014 aflossingen ad in totaal € 20.673,92 heeft voldaan en dat haar huurschuld toen € 320.238,16 bedroeg. [X] Installatietechniek heeft de huur over januari tot en met juni 2015 inmiddels volledig voldaan alsmede een bedrag afgelost op de huurschuld. Een en ander staat tussen partijen vast. Hieruit volgt dat [X] Installatietechniek niet (volledig) aan de betalingsregeling heeft voldaan. Uitgaande van de betalingsregeling, is thans opeisbaar de helft van de huurschuld over 2012 ad € 45.073,31 plus de helft van de maandelijkse huur vanaf januari 2013 tot heden minus de inmiddels verrichte huurbetalingen. Geen redelijk denkend aandeelhouder of bestuurder, gezien art. 2:8 lid 1 BW, zou zich in een geval als dit verzetten tegen rechtsmaatregelen van de verhurende vennootschap jegens de huurder. [appellanten] hebben geen feiten en omstandigheden gesteld, die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Enkel het voorstel van [X] Installatietechniek aan [Z] bij brief van 30 mei 2015 om haar huurschuld in te lossen “binnen een maximale periode van circa 4,5 jaar” is daartoe volstrekt onvoldoende.

3.7.

De slotsom is dat de grieven 3 tot en met 8 slechts deels slagen. De vordering jegens [appellanten] ten aanzien van het treffen van rechtsmaatregelen, waaronder het vorderen van ontbinding en ontruiming, tegen [X] Installatiebedrijf ter zake de hiervoor omschreven opeisbare huurschuld is terecht toegewezen.

De vordering jegens [X] Beheer ter zake de (her)verhuur van het pand zal alsnog worden afgewezen, nu die een te verstrekkend karakter heeft om in kort geding te worden toegewezen.

[X] Beheer zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep worden veroordeeld voor zover betreffende de zaak jegens haar.

De vorderingen, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, jegens [appellante sub 2] zullen alsnog worden afgewezen, nu de vorderingen kennelijk niet zien op haar pro se. De vorderingen zien op [X] Beheer als medeaandeelhouder en medebestuurder van [Z] , die daarbij vertegenwoordigd wordt door [appellante sub 2] . Een rechtspersoon kan nu eenmaal niet anders handelen dan door middel van (direct of indirect) een natuurlijk persoon. Dat [appellante sub 2] pro se jegens [Y] op grond van art. 2:8 lid 1 BW of art. 6:162 BW aansprakelijk is, is niet gesteld of gebleken, nog daargelaten of de vorderingen zoals ingesteld jegens haar dan toewijsbaar zouden zijn.

[Y] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep voor zover betreffende de zaak jegens [appellante sub 2] worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van [appellante sub 2] begroot op nihil daar zij dezelfde advocaat als [X] Beheer heeft en geen separaat verweer heeft gevoerd.

In verband met de leesbaarheid van het dictum, zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd en het dictum opnieuw worden geformuleerd.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

beveelt [X] Beheer om binnen drie dagen na betekening van dit arrest onverkort en zonder voorbehoud haar medewerking te verlenen aan het treffen van rechts-maatregelen tegen [X] Installatietechniek doordat [X] Beheer als medeaandeelhouder van [Z] een schriftelijke volmacht aan [Y] als medeaandeelhouder van [Z] afgeeft tot instemming tijdens een algemene vergadering van aandeelhouders van [Z] met een of meerdere bestuursbesluiten tot het voeren van processen, het nemen van conservatoire maatregelen en/of het optreden in korte gedingen jegens [X] Installatietechniek ter zake van de huurschuld, bestaande uit de helft van de huurschuld over 2012 ad € 45.073,31 plus de helft van de maandelijkse huur vanaf januari 2013 tot heden minus de inmiddels verrichte huurbetalingen, en als medebestuurder van [Z] een schriftelijke volmacht aan [Y] als medebestuurder van [Z] afgeeft tot het treffen van rechtsmaatregelen jegens [X] Installatiebedrijf ten zake van de hiervoor bedoelde huurschuld;

bepaalt dat indien [X] Beheer in gebreke blijft aan voornoemd bevel te voldoen, dit arrest in de plaats treedt van de hiervoor bedoelde volmachten;

veroordeelt [X] -Beheer in de kosten van het geding voor zover betreffende de zaak van [Y] tegen [X] -Beheer in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [Y] begroot op € 694,80 aan verschotten en € 816,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 711,00 aan verschotten en € 1.341,00 voor salaris;

veroordeelt [Y] in de kosten van het geding voor zover betreffende de zaak van [Y] tegen [appellante sub 2] in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellante sub 2] begroot op nihil;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, A. Bockwinkel en C.A.J van Yperen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.