Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3854

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
200.165.328/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot wedertewerkstelling na ontslag op staande voet o.g.v. camerabeelden. Bewuste en opzettelijke gedragingen werknemer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2309
AR-Updates.nl 2015-1194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.165.328/01 KG

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 3672260 VV EXPL 14-126

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 september 2015

inzake

[X] B.V.,

gevestigd te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.H. Horst te Landsmeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L. Nix te Amsterdam.

Partijen worden hierna [X] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 17 februari 2015 is [X] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter te Zaanstad van 21 januari 2015, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [X] als gedaagde.

[X] heeft bij memorie zes grieven geformuleerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en hem zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft bij memorie de grieven van [X] bestreden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en [X] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het hoger beroep.

Ter zitting van het hof van 17 juni 2015 hebben partijen de zaak doen bepleiten, beide door hun voornoemde advocaat, waarbij beide partijen toelichting hebben gegeven op camerabeelden die zich bevinden op een USB-stick die tevoren bij het hof was gedeponeerd. Tevens is daarbij akte verleend aan [geïntimeerde] van het in het geding brengen van enkele aanvullende producties.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 3 tot en met 11 een aantal feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [X] houdt zich bezig met het produceren en leveren van gedroogde en vloeibare eiproducten voor onder meer de voedingsmiddelenindustrie.

(ii) [geïntimeerde] (geboren op [geboortedatum] 1957) is sinds 4 april 1984 werkzaam bij [X] en vervulde inmiddels de functie van operator met een salaris van € 2.453,85 bruto per maand.

(iii) Medio november 2014 heeft [X] kennisgenomen van camerabeelden, waarop te zien is dat [geïntimeerde] aan het werk is in de bedrijfshal van [X] (verder: de camerabeelden).

(iv) Op 16 november 2014 is [geïntimeerde] door [X] geconfronteerd met de camerabeelden.

( v) In een brief van 16 november 2014 van de advocaat van [X] , gericht aan [geïntimeerde] , is meegedeeld dat volgens [X] uit de camerabeelden blijkt dat [geïntimeerde] tijdens zijn werkzaamheden heeft geconstateerd dat in de verpakking van een doos met eierpoeder een gat zat, dat [geïntimeerde] deze doos (verder: de gewraakte doos) niettemin ‘door heeft laten gaan’, en dat hij de gewraakte doos onderop een pallet heeft geplaatst. [X] heeft [geïntimeerde] vanwege deze gedragingen vrijgesteld van werkzaamheden en aangekondigd dat een nader gesprek zal plaatsvinden.

(vi) Met een brief van 18 november 2014 heeft [X] [geïntimeerde] “in het kader van hoor en wederhoor” in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Daartoe is [geïntimeerde] uitgenodigd voor een gesprek op 21 november 2014.

(vii) Op 24 november 2014 heeft een gesprek tussen partijen, in het bijzijn van hun advocaten, plaatsgevonden.

(viii) [X] heeft [geïntimeerde] met een brief van 26 november 2014 op staande voet ontslagen. Daarbij is als dringende reden voor dat ontslag gegeven dat [geïntimeerde] zijn plichten als werknemer op grove en onacceptabele wijze niet is nagekomen en dat hij de belangen van [X] onacceptabel op het spel heeft gezet.

(ix) [geïntimeerde] heeft tijdig een beroep gedaan op de nietigheid van het ontslag.

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, wedertewerkstelling en doorbetaling van loon – beide op straffe van verbeurte van een dwangsom – alsmede betaling van een voorschot van € 3.000,= netto op de loonbetaling (met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW) en veroordeling van [X] in de proceskosten. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven omdat hij zijn verplichtingen als werknemer niet op grove en onacceptabele wijze heeft geschonden, dat hij weliswaar erkent dat hij een fout heeft gemaakt doordat hij bij controle van de gewraakte doos heeft geconstateerd dat in de verpakking daarvan een gat zat en deze doos toch heeft laten ‘doorgaan’, maar dat het daarbij om een onopzettelijke fout gaat die geen ontslag op staande voet kan rechtvaardigen, zeker niet nu sprake is van een lang dienstverband en hij altijd goed heeft gefunctioneerd. Daarnaast heet [geïntimeerde] gesteld dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. [X] heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen, kort gezegd, dat [X] aannemelijk dient te maken dat zich een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft voorgedaan en dat het ontslag onverwijld is gegeven, dat dit laatste het geval is geweest, dat [X] de feiten die zij ten grondslag legt aan het ontslag op staande voet heeft ontleend aan de camerabeelden, maar dat hij (de kantonrechter), na de camerabeelden op zitting bekeken en besproken te hebben met partijen, er niet van overtuigd is dat de door [X] gestelde gedragingen bewust en opzettelijk zijn begaan door [geïntimeerde] , dat dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van een onopzettelijke fout die, ook als deze als ernstig is aan te merken, geen ontslag op staande voet kan rechtvaardigen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat sprake is van een eenmalige fout, dat [geïntimeerde] daarvoor nooit eerder is gewaarschuwd, dat [geïntimeerde] al dertig jaar in dienst is en steeds goed heeft gefunctioneerd en dat de gevolgen van het ontslag zeer ernstig zijn voor [geïntimeerde] . Op grond van een en ander heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [X] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

De grieven van [X] strekken ertoe de beslissing van de kantonrechter om de vorderingen van [geïntimeerde] toe te wijzen en de gronden die daartoe zijn gebezigd, geheel aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Zij zullen, omdat zij nauw met elkaar samenhangen, gezamenlijk worden behandeld.

3.5.

Het hof stelt voorop dat de in kort geding beslissende rechter zich heeft te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure. Voorts overweegt het hof dat ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW voor een ontslag op staande voet wegens dringende reden door [X] is vereist dat sprake is van gedragingen van [geïntimeerde] die ten gevolge hebben dat van [X] redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren – waarbij het op de weg van [X] ligt om dit aannemelijk te maken – en dat bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking moeten worden genomen.

3.6.

De vraag die partijen primair verdeeld houdt, is of de gedragingen van [geïntimeerde] die te zien zijn op de camerabeelden, bewust en opzettelijk door hem zijn verricht. Daarbij dient het volgende in aanmerking te worden genomen. Ter voornoemde zitting van het hof van 17 juni 2015 is allereerst komen vast te staan dat [geïntimeerde] (op de camerabeelden) achtereenvolgens de negentiende en de achttiende doos controleert en niet, zoals de kantonrechter heeft overwogen, achtereenvolgens de achttiende en de zeventiende doos, waarbij het hof aantekent dat de negentiende doos de gewraakte doos betreft. Voor deze handelwijze heeft [geïntimeerde] als verklaring gegeven dat hij op de negentiende doos een ‘tik’ zag en daarom dacht dat de (plastic) zak die zich in de (kartonnen) doos bevond wellicht kapot was en dat, als een doos oneffenheden vertoont, deze ter controle wordt geopend. Voorts is op die zitting komen vast te staan dat de verpakking, dat wil zeggen de (plastic) zak die zich in de doos bevond, in het geheel geen gat bevatte. Dit feit is als volgt komen vast te staan. Ter zitting deelde [X] mee dat zij de gewraakte doos had meegenomen, waarop zowel het hof als partijen en hun advocaten deze doos aan een nadere inspectie hebben onderworpen, waarbij zowel [A] (directeur-grootaandeelhouder van [X] ) als mr. Horst voornoemd desgevraagd het desbetreffende gat in de (zich in de gewraakte doos bevindende) zak niet konden tonen, ook niet nadat deze zak uit de doos was verwijderd. Op de vraag van het hof of hij op de bewuste dag daadwerkelijk een gat heeft gezien, zoals hij in eerste aanleg heeft gesteld, heeft [geïntimeerde] vervolgens geantwoord dat hij oneffenheden aan de doos zag, de ‘tik’, en ervan uitging dat er een gat in de zak zat omdat hij bij het openen van de gewraakte doos poeder voelde op zijn handen, maar dat hij geen gat heeft gezien. Hiervan uitgaande en van hetgeen overigens ter zitting – met name aan de hand van de vertoonde en becommentarieerde camerabeelden en de naar aanleiding daarvan door het hof gestelde vragen – is komen vast te staan en uit de reeds vaststaande feiten alsmede de processtukken kan worden afgeleid, overweegt het hof als volgt.

3.7.

De werkzaamheden die [geïntimeerde] volgens instructie ten behoeve van [X] diende te verrichten kwamen er, voor zover thans relevant, in beginsel op neer dat hij dozen met eierpoeder die via een lopende band in zijn richting werden aangevoerd op een pallet moest laden waarop plaats was voor achttien dozen, waarbij hij iedere achttiende (dus laatste) doos diende te controleren door deze te openen en te inspecteren, waarna deze – indien in orde bevonden – dubbel met tape afgedicht als laatste op de desbetreffende pallet moest worden geplaatst en de pallet (voor verder vervoer) moest worden afgewerkt. Op de camerabeelden is te zien dat op zeker moment zowel de achttiende doos als de negentiende (de gewraakte) doos op de lopende band voor verwerking door [geïntimeerde] gereed staan en dat [geïntimeerde] vervolgens niet de achttiende maar de negentiende doos openmaakt en inspecteert, waarvoor hij als verklaring heeft gegeven – zoals hiervoor reeds overwogen – dat hij op die doos een ‘tik’ zag en daarom dacht dat de (plastic) zak die zich in de (kartonnen) doos bevond wellicht kapot was. Deze handelwijze van [geïntimeerde] getuigt volgens het hof van verantwoordelijkheidsbesef en betrokkenheid bij het werk. Bij het openen van de gewraakte doos voelt [geïntimeerde] poeder op zijn handen en veronderstelt dat er een gat zit in de zich in die doos bevindende plastic zak althans dat er iets niet deugt, waarna hij zich uit het beeld van de camera verwijdert om – naar hij onweersproken heeft gesteld – op de plek waar de zakken (automatisch) met poeder worden gevuld te controleren of de zakken bij het vullen ervan door de uitvoermachine wel recht hangen, wat het geval blijkt te zijn. Bij terugkeer dicht hij de gewraakte doos dubbel met tape af omdat de doos naar zijn zeggen anders niet (veilig) door de tilmachine van de lopende band kan worden weg getild, wat het hof niet als een onaannemelijke verklaring voor die handelwijze voorkomt, nu volgens de (op zichzelf niet weersproken) stellingen van [geïntimeerde] de oude tilmachine vaak defect was en geen goede grip had. Vaststaat dat [geïntimeerde] na het aldus afdichten van de gewraakte doos de achttiende doos heeft gecontroleerd door deze te openen en te inspecteren, dat hij deze in orde heeft bevonden, dubbel met tape heeft afgedicht, vervolgens – geheel volgens de geldende instructies – als laatste doos op de reeds met zeventien dozen gevulde pallet heeft gezet en de pallet vervolgens voor verder vervoer heeft afgewerkt. [geïntimeerde] heeft ter voornoemde zitting onweersproken gesteld dat – eveneens volgens de instructies van [X] – eerst de pallet moest worden gevuld en daarna pas eventuele problemen moesten worden aangepakt. Vaststaat dat [geïntimeerde] – na nog wat andere dozen op een andere pallet te hebben gestapeld – kort daarna door een collega van zijn werkplek is weggeroepen om problemen elders in de bedrijfshal op te lossen, dat hij na ongeveer zestien minuten is teruggekeerd op zijn werkplek en na ongeveer tweeëntwintig minuten de gewraakte (negentiende) doos – die op dat moment overigens niet meer als enig overgebleven doos op de desbetreffende lopende band stond – met behulp van de tilmachine onderop een nieuw, leeg pallet heeft geplaatst. Voor deze – gelet op wat hij zelf voordien had geconstateerd althans had gemeend te constateren – op zichzelf onjuiste handelwijze van [geïntimeerde] heeft hij als verklaring aangevoerd dat hij inmiddels was vergeten dat de desbetreffende doos wellicht een defecte verpakking had en dus – naar tussen partijen vaststaat – moest worden verwijderd, wat, gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop hij werd weggeroepen door een collega en dat waarop hij weer terugkeerde op zijn werkplek, op zichzelf weliswaar een onvoldoende excuus vormt maar niet zonder meer ongeloofwaardig is.

3.8.

Uit al het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat, zoals [X] heeft gesteld, de desbetreffende gedragingen van [geïntimeerde] – zo hem, nu inmiddels is komen vast te staan dat de gewraakte doos geen zak met een gat bevatte, daarvan al enig verwijt kan worden gemaakt – bewust en opzettelijk door hem zijn verricht. [X] heeft ook niet gesteld waaruit die bewustheid en opzet, anders dan uit de desbetreffende camerabeelden, wel zou kunnen worden afgeleid. Ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat sprake is van een ernstige fout aan de kant van [geïntimeerde] waarvan hem ten minste enig verwijt – zij het geen bewustheid en opzet – valt te maken, is die fout, gelet op alle overige omstandigheden van het geval die daartoe in onderling verband en samenhang dienen te worden meegewogen, onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Tot die overige omstandigheden rekent het hof met name, zoals de kantonrechter eveneens heeft gedaan, dat sprake is van een eenmalige fout, dat [geïntimeerde] in dit verband – maar kennelijk, want niet door [X] gesteld, ook anderszins – nooit eerder is gewaarschuwd, dat [geïntimeerde] ten tijde van de hem verweten gedragingen een dienstverband van ruim dertig jaar had bij [X] , dat hij volgens eigen verklaringen van [X] en niet weersproken stellingen van [geïntimeerde] ter zake altijd (heel) goed heeft gefunctioneerd en dat, naar [geïntimeerde] heeft gesteld en [X] niet heeft weersproken, de gevolgen van het ontslag zeer ernstig zijn voor [geïntimeerde] .

3.9.

De slotsom luidt dat het appel faalt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 311,= aan verschotten en op € 1.896,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, W.H.F.M. Cortenraad en G.C. Boot, en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015 door de rolraadsheer.