Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3833

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
200.166.162/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing gezag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266 (oud)
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 september 2015

Zaaknummer: 200.166.162/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/567956 / FA RK 14-4864 (DB TJ)

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 10 maart 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 december 2014 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), met kenmerk C/13/567956 / FA RK 14-4864 (DB TJ).

1.3.

De hierna te noemen [kind 1] heeft bij brief, ingekomen op 14 juli 2015, zijn mening aan het hof kenbaar gemaakt.

1.4.

De zaak is op 16 juli 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Voorafgaand aan de zitting is de hierna te noemen [kind 2] afzonderlijk door de voorzitter gehoord.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw C. Geldof namens de Raad;

- twee medewerkers van de William Schrikker Jeugdbescherming (hierna: WSJ);

- de heer [a] (pleegvader van de hierna te noemen [kind 3] ).

1.7.

Mevrouw [b] (pleegmoeder van [kind 2] ) en de heer [c] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Uit de moeder zijn geboren [naam kind 1] (hierna: [kind 1] ) [in] 2001, [naam kind 2] (hierna: [kind 2] ) [in] 2002 en [naam kind 3] (hierna: [kind 3] ) [in] 2008 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De heer [c] (ook wel genaamd [d] ) is de biologische vader van [kind 1] en [kind 2] . De heer [e] heeft [kind 3] erkend.

2.2.

De moeder heeft uit andere relaties de meerderjarige kinderen [zoon] en [dochter] en de minderjarige kinderen [kind 4] en [kind 5] .

2.3.

De kinderen staan sinds 30 januari 2012 onder toezicht. Op 21 augustus 2012 zijn zij uit huis geplaatst. [kind 1] verblijft bij zijn vader en grootmoeder vaderszijde. [kind 2] en [kind 3] verblijven in pleeggezinnen.

2.4.

De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen zijn laatstelijk verlengd tot 30 januari 2015.

2.5.

Bij de stukken bevinden zich twee raadsrapporten van 27 juni 2014 en een bereidverklaring van WSJ van 2 juli 2014 om de voogdij over de kinderen uit te voeren.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Voor zover in hoger beroep van belang, is bij de bestreden beschikking de moeder ontheven van het gezag over de kinderen en Jeugdbescherming Regio Amsterdam als voogdes benoemd, uit te voeren door WSJ. De beschikking is gegeven op het daartoe strekkende verzoek van de Raad.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de Raad af te wijzen.

3.3.

De Raad verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de wetgeving met betrekking tot de beëindiging van het ouderlijk gezag gewijzigd. Niettemin dient op grond van artikel 28 lid 1 Invoeringswet Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek een verzoek tot ontheffing van het gezag te worden beoordeeld aan de hand van het recht dat voor 1 januari 2015 gold, indien het inleidend verzoek voor die datum is ingediend. Nu dat laatste hier het geval is, zal het hof het verzoek van de Raad toetsen aan het bepaalde in artikel 1:266 en 1:268 Burgerlijk Wetboek (oud).

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

In het geval een ouder zich verzet tegen ontheffing van het gezag over een of meer van zijn kinderen, kan op grond van artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel door de ongeschiktheid of de onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de gronden voor ontheffing van de moeder van het gezag over de kinderen aanwezig zijn.

4.2.

De moeder stelt dat de rechtbank haar ten onrechte van het gezag heeft ontheven en dit aan JBRA heeft opgedragen, omdat hiervoor geen grond is. Zij is in staat en bereid haar kinderen thuis te verzorgen en op te voeden. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de positieve ontwikkelingen van de moeder onvoldoende toereikend zijn om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben en de moeder ongeschikt is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen Verder is aan het feit dat de moeder bereid is en in staat is mee te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling onvoldoende waarde gehecht. Dat niet wordt gewerkt aan thuisplaatsing en herstel van de opvoedingsrelatie, is overigens geen reden om haar uit het gezag te ontheffen. Daarbij komt nog dat door de moeder het gezag te ontnemen een psychologische barrière wordt opgeworpen en dat schaadt het belang van de kinderen. In verband met hun onderlinge samenhang, zal het hof de grieven van de moeder in het hiernavolgende gezamenlijk bespreken.

4.3.

Naar de mening van de Raad zijn de gronden aanwezig om de moeder van het gezag over de kinderen te ontheffen.

4.4.

Uit de raadsrapporten en de verklaring van WSJ ter zitting in hoger beroep blijkt het volgende ten aanzien van de kinderen.

[kind 1]

Bij [kind 1] zijn er zorgen (geweest) over zijn gedrag en zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. In 2012 is hij geschorst van school, als gevolg van brutaal, agressief en intimiderend gedrag en vanwege slecht luisteren. Omdat de moeder geen toestemming gaf voor een onderzoek, heeft [kind 1] tussen november 2012 en september 2013 geen onderwijs gevolgd, waardoor hij een leerachterstand heeft opgelopen. [kind 1] heeft voorts verteld dat de moeder hem regelmatig heeft geslagen, waarvan hij aangifte heeft gedaan. Sinds mei 2013 heeft hij geen contact meer met de moeder.

Bij de vader en grootmoeder vaderszijde thuis gaat het goed met [kind 1] . WSJ heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat het goed gaat op school en dat [kind 1] graag weer contact wil met de moeder, maar dat zij hieraan tot nu niet heeft meegewerkt. In het raadsrapport is verder te lezen dat [kind 1] zich leerbaar opstelt, weer (passend) onderwijs volgt en een inhaalslag maakt.

[kind 2]

Er zijn zorgen over het gedrag en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind 2] . Op school laat hij probleemgedrag zien; hij is brutaal, dominant, manipulatief, zoekt grenzen op en kan bedreigend overkomen. Hij kan explosief reageren op correcties. [kind 2] uit zijn emoties en gevoelens zelden en vertoont regelmatig sociaal wenselijk gedrag, waardoor het voor betrokkenen moeilijk is in te schatten hoe [kind 2] over zijn situatie denkt. Hij lijkt de emoties die hij ervaart met betrekking tot gebeurtenissen in het verleden en de uithuisplaatsing te uiten in boos en opstandig gedrag. WSJ heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij binnen twee weken een gesprek zal hebben bij Punt P om – naar het hof begrijpt – over zijn gevoelens te spreken. Positief is dat [kind 2] het naar zijn zin heeft in het pleeggezin. Hij heeft een goede band met de pleegmoeder en haar partner en heeft vriendjes in de buurt. Verder hebben de pleegouders goed contact met [kind 2] ’s vader.

[kind 3]

BRight GGZ heeft vastgesteld dat bij [kind 3] sprake is van hechtingsproblematiek en mogelijk ook van traumagerelateerde problematiek. Zij is daarvoor behandeld. De contacten tussen [kind 3] en de moeder zijn stopgezet, omdat [kind 3] angsten had ontwikkeld voor de moeder. WSJ heeft verklaard dat het op dit moment goed met haar gaat en dat na de zomer 2015 getracht zal worden contact tussen haar en de moeder te leggen. Door de pleegouders en de school wordt ze omschreven als een vitale, sportieve en open meid. Ze heeft veel vriendjes op school en in de buurt en ze houdt ervan om buiten te spelen. Ze heeft het naar haar zin bij de pleegouders en ze lijkt zich bij hen thuis te voelen.

4.5.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is voorts het volgende gebleken. Sinds 2002 is hulpverlening bij het gezin betrokken. De ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] is in 2005 beëindigd, maar sinds 2008 zijn opnieuw diverse zorgmeldingen (bijvoorbeeld door de school en de schoolarts) gedaan waaruit naar voren kwam dat de kinderen werden geconfronteerd met affectieve verwaarlozing, pedagogische verwaarlozing en huiselijk en pedagogisch geweld. Naar aanleiding daarvan zijn het AMK en de Raad meerdere onderzoeken gestart en zijn verschillende hulpverleningstrajecten geadviseerd. Uiteindelijk bleken deze niet tot een bestendige positieve verandering te hebben geleid. De kinderen zijn daarom in januari 2012 weer onder toezicht gesteld en de rechtbank heeft op 21 augustus 2012 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend.

De moeder heeft herhaaldelijk geweigerd toestemming te verlenen voor onderzoeken, medische handelingen of hulpverlening. Zo heeft ze geen toestemming verleend voor een onderzoek om te beoordelen welk onderwijs passend voor [kind 1] zou zijn, voor een operatie van [kind 1] , voor kindercoachgesprekken voor [kind 2] , voor het aanvragen van de paspoorten van de kinderen en hulpverlening voor [kind 3] vanuit BRight GGZ.

Tijdens bezoekmomenten is de moeder luid in discussie gegaan met de begeleidende gezinsvoogd over onder andere het kapsel van [kind 3] en werd [kind 3] steeds angstiger voor de moeder als gevolg waarvan de bezoekregeling met [kind 3] moest worden gestaakt. De moeder heeft vervolgens geweigerd [kind 2] op twee afgesproken bezoekmomenten te zien, omdat [kind 3] niet meer mee zou komen. Daardoor was ook een tijd lang geen bezoekregeling tussen de moeder en [kind 2] mogelijk. Voor [kind 2] was dat zeer verdrietig en confronterend, te meer omdat hij zijn moeder erg mist en haar graag wil zien.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om de kinderen te verzorgen en op te voeden. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat de door haar overgelegde rapportage van Child Support onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een andere conclusie te komen. Child Support heeft uitsluitend moeder onderzocht en op basis van dit onderzoek vastgesteld dat de moeder als zodanig geen emotionele of cognitieve beperkingen heeft om de zorg voor de kinderen weer op zich te nemen. Uit het onderzoek komt niet naar voren dat de belangen van de kinderen of de interactie tussen de moeder en de kinderen zijn onderzocht, anders dan dat mededelingen van de moeder hieromtrent zijn opgetekend. Van een objectief onderzoek naar de ongeschiktheid en onmachtigheid van de moeder tot opvoeding en verzorging van deze kinderen kan dan ook niet worden gesproken. Daar tegenover staat dat de Raad bij de hiervoor aangehaalde rapportages ook onderzoeksgegevens van derden (onder meer school, GGZ en netwerk van de kinderen) heeft betrokken. Het hof heeft daarom aan deze rapportages het meeste gewicht toegekend.

4.6.

Voorts is het hof van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de dreiging zoals genoemd in art. 1:254 BW af te wenden. Op grond van het overwogene onder 4.4. en 4.5. komt het hof tot de conclusie dat het toekomstperspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt. De doelstelling van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, te weten het tijdelijk voorzien in een opvoedsituatie buiten het gezin van de moeder met uiteindelijk weer een terugkeer naar de moeder, is om die reden dan ook niet meer aan de orde. Weliswaar stelt de moeder dat zij in staat is en bereid om mee te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling, maar uit de overgelegde raadsrapporten en het eerder overwogene komt naar voren dat de noodzakelijke hulpverlening niet van de grond komt door toedoen van de moeder. Het is in het belang van de kinderen dat zij duidelijkheid krijgen over hun toekomstperspectief, dat is gelegen in de verschillende gezinnen waar zij op dit moment verblijven en waar zij het goed maken. Daar krijgen ze rust, veiligheid en stabiliteit, waardoor ze zich goed kunnen ontwikkelen. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal de onzekerheid van de kinderen over hun opvoedingsperspectief voortduren, hetgeen niet in het belang van de kinderen is.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het belang van de kinderen zich niet tegen de ontheffing verzet. Dat belang weegt bovendien zwaarder dan het belang van de moeder om het gezag te behouden en betrokken te blijven bij gezagsbeslissingen over de kinderen.

4.7.

Het hof passeert het (algemene) bewijsaanbod van de moeder. Voor zover al duidelijk is op welke stellingen of betwistingen dat aanbod betrekking heeft, is het hof van oordeel dat de moeder deze onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van hetgeen uit de stukken en ter zitting is gebleken.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. H.T. Klein Schiphorst als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.