Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3779

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
23-004298-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet; diefstal door twee of meer verenigde personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004298-14

Datum uitspraak: 2 juni 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 oktober 2014 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-706067-13 en 15-660006-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 15-706067-13:
1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2013 tot en met 26 februari 2013 te Purmerend en/of te Hoofddorp, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- een brief naar die [slachtoffer 2] gestuurd met intimiderende en dwingende strekking waarin hij onder meer die [slachtoffer 2] ertoe dwingt om de naam en/of verblijfplaats van ‘[slachtoffer 3]’ te verstrekken en/of hem met die [slachtoffer 3] in contact te brengen en

- veelvuldig meermalen per dag naar de huistelefoon van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebeld en (daarbij) onder meer gezegd ‘Zijn jullie de ouders van [slachtoffer 3]? Ik sta zo voor je deur’ en/of ‘Ik moet [slachtoffer 3] hebben, vuile Poolse tyfus kankerlijer’ en/of

- ( daarbij) onder meer de volgende voicemailberichten ingesproken ‘Ik maak u kapot’ en/of ‘[slachtoffer 1] stink temeier moppie je gaat eraan met die hele stinkfamilie, doei doei’ en/of ‘Jullie moeten je ogen in jullie achterhoofd houden. Als jullie niet meewerken dat maken jullie je schuldig aan 2e graads verkrachting’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

1 subsidiair:
hij in of omstreeks 18 februari 2013 tot en met 22 februari 2013 te Purmerend [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend (in een voicemailbericht) de woorden toegevoegd: 'Zijn jullie de ouders van [slachtoffer 3]? Ik sta zo voor je deur' en/of (in een later voicemailbericht) 'Ik maak u kapot' en/of '[slachtoffer 1] stink temeier moppie je gaat eraan met die hele stinkfamilie, doei doei' en/of 'Jullie moeten je ogen in jullie achterhoofd houden', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij op of omstreeks 22 juli 2013 te Purmerend [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] in een aan die [slachtoffer 2] gerichte brief opzettelijk dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd:

“- [slachtoffer 3] je hangt, dat kind van je heeft binnenkort geen moeder meer. Je bent te ver gegaan en/of

- Ik zal pas rusten als jij dood en begraven bent en dat ga ik aan [naam] overlaten en/of

- Die ruggegraatloze droplul van een vader van je heeft binnenkort een hartaanval en je leugenachtige Poolse kankermoer kan je dochtertje alleen opvoeden. Ik haat je en/of

- You loose bloedhoer. Alles maak ik voor je kapot met liefde”,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


Zaak met parketnummer 15-660006-12 (gevoegd in eerste aanleg):
1:
hij op 8 maart 2011 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van ongeveer 929 (stuks) hennepplant(en) en/of een hoeveelheid van ongeveer 10.836 (stuks) hennepstek(ken), althans een groot aantal hennepplanten en/of hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;


2:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 07 maart 2011 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres 2]) (telkens) een groot aantal hennepplant(en) en/of (telkens) een groot aantal (hennepstek(ken) en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 08 maart 2011 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen (in totaal) ongeveer 85.072 kWh, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of wijzigen en/of manipulatie van het/de zegel(s) (van de hoofdaansluitkast) en/of de binneninstallatie en/of de bedrading;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep onder verwijzing naar HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625 op het standpunt gesteld dat de in de zaak met parketnummer 15-706067-13 de primair ten laste gelegde belaging bewezen kan worden verklaard.

Op grond van de inhoud van het dossier komt het hof echter – ook tegen de achtergrond van de door de advocaat-generaal genoemde beslissing – niet tot andere inzichten dan de rechtbank omtrent dit ten laste gelegde feit, zodat de verdachte ook in hoger beroep van dit primair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

Bespreking verweren raadsman

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat de rol van de verdachte bij de hennepkwekerij van ondergeschikte aard is geweest. De verdachte zou feitelijk de bovenverdieping van het pand hebben verhuurd en voor het overige enkel hand- en spandiensten hebben verricht, bestaande uit fysieke arbeid, hetgeen volgens de raadsman kan leiden tot bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de hennepplanten, maar vrijspraak van het medeplegen van de teelt tot gevolg moet hebben, omdat hoogstens van medeplichtigheid sprake is.

Met betrekking tot de ten laste gelegde diefstal van de elektriciteit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het de verdachte weliswaar is te verwijten dat hij wist dat deze buiten de meter om werd gebruikt en daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt, maar dat medeverdachte [medeverdachte] verantwoordelijk is geweest voor de aanleg en het gebruik ervan. In ruil voor de ter beschikking gestelde ruimte in het pand en de elektriciteit heeft voornoemde [medeverdachte] – die overigens, naar de verdachte (naar eigen zeggen) in de krant heeft gelezen, is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten met betrekking tot de hennepkwekerij en elektriciteitsdiefstal – de verdachte betaald, hetgeen als huur moet worden gezien. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de diefstal, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte] in aanraking is gekomen in een periode waarin hij in financiële nood verkeerde. Hij kon de huurpenningen voor de autowasserette aan de [adres 2] te Volendam niet meer betalen en heeft besloten een deel van het bedrijfspand in te richten als hennepkwekerij. De verdachte heeft samen met [medeverdachte] de hennepkwekerij opgebouwd. In de hennepkwekerij werkten verscheidene personen, waarvan er twee (vrijwel) elke dag aanwezig waren.

Met de inrichting van de hennepkwekerij in zijn bedrijfspand heeft de verdachte inkomen gegenereerd, hetgeen neerkwam op de helft van de huur van het bedrijfspand en een percentage (25%) van de opbrengst, althans van de marktwaarde, van de verkochte hennepstekken. De verdachte heeft voorts (af en toe) zakken aarde en doosjes naar boven gebracht en hennepzaden gekocht in een smartshop te Amsterdam ten behoeve van de kwekerij.

Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal van de elektriciteit heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat [medeverdachte], samen met de verzorgers van de hennepkwekerij, de elektriciteit buiten de meter om gebruikte en dat hij de aanleg daarvan had geregeld. De verdachte heeft verklaard hier geen expliciete toestemming voor te hebben gegeven, maar er wel mee akkoord te zijn gegaan.

Aldus heeft de verdachte meegewerkt aan de inrichting en instandhouding van de hennepkwekerij en ook gedeeld in de opbrengsten die de kwekerij genereerde. Hij wist ook dat de elektriciteit die ten behoeve van die kwekerij werd gebruikt, buiten de meter om werd afgetapt. Op grond van het voorgaande en de inhoud van de overige bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met medeverdachten dat sprake is van medeplegen van de ten laste gelegde hennepteelt en diefstal van de elektriciteit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 15-706067-13:

1 subsidiair:
hij op 22 februari 2013 te Purmerend [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend in een voicemailbericht de woorden toegevoegd: ‘Ik maak u kapot’ en ‘[slachtoffer 1] stinktemeier moppie je gaat eraan met die hele stinkfamilie, doei doei’ en ‘Jullie moeten je ogen in jullie achterhoofd houden’.

2:
hij op 22 juli 2013 te Purmerend [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] in een aan die [slachtoffer 2] gerichte brief opzettelijk dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd:

- “ [slachtoffer 3] je hangt, dat kind van je heeft binnenkort geen moeder meer. Je bent te ver gegaan” en

- “ Ik zal pas rusten als jij dood en begraven bent en dat ga ik aan [naam] overlaten” en

- “ Die ruggegraatloze droplul van een vader van je heeft binnenkort een hartaanval en je leugenachtige Poolse kankermoer kan je dochtertje alleen opvoeden. Ik haat je” en

- “ You loose bloedhoer. Alles maak ik voor je kapot met liefde”.


Zaak met parketnummer 15-660006-12:

1:
hij op 8 maart 2011 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [adres 2], een hoeveelheid van ongeveer 929 hennepplanten en een hoeveelheid van ongeveer 10.836 hennepstekken.


2:
hij in de periode van 1 juli 2010 tot en met 7 maart 2011 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [adres 2], een groot aantal hennepplanten en een groot aantal hennepstekken.

3:
hij op in de periode van 1 juli 2010 tot en met 8 maart 2011 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 85.072 kWh, toebehorende aan de Liander N.V.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op, telkens:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 (in de zaak met parketnummer 15-706067-13) en 1, 2 en 3 (in de zaak met parketnummer 15-660006-12) bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde een verbod om contact te leggen met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen van aangevers. Die bedreigingen heeft hij telefonisch en schriftelijk, via een brief, geuit. De bedreigingen hebben bij de aangevers veel onrust en angst teweeg gebracht.

Voorts heeft verdachte zich samen met anderen gedurende een periode van ruim acht maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van het kweken van hennep in een professionele hennep(stekken)kwekerij waarin bij de ontdekking op 8 maart 2011 in totaal 929 hennepplanten en 10.836 hennepstekken stonden. Door deze activiteiten heeft de verdachte een bijdrage geleverd in de handel in softdrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze handel aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden gepaard gaan met andere vormen van criminaliteit. Aan dergelijke handel medewerking verlenen, op welke wijze dan ook, is laakbaar en het hof rekent dit de verdachte aan. Ten behoeve van een voordelige exploitatie van de kwekerij heeft de verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging van elektriciteit.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 mei 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte.

Het hof zal bij de strafoplegging echter eveneens rekening houden met de ontwikkeling van de verdachte op persoonlijk vlak. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard de kwestie waarmee de bewezenverklaarde bedreigingen verband hield achter zich te hebben gelaten. Daarvoor kan bevestiging worden gevonden in het gegeven dat de verdachte niet opnieuw op enige wijze contact heeft gezocht met de slachtoffers van deze bedreigingen. In dat licht bezien, ziet het hof thans geen aanleiding meer om bijzondere voorwaarden op te leggen bij het voorwaardelijke strafdeel. Ook acht het hof het ongewenst dat de verdachte een hoger onvoorwaardelijk strafdeel opgelegd krijgt dan zijn in voorarrest doorgebrachte tijd. Dit zou thans naar het oordeel van het hof een onevenredig zware wissel trekken op het leven van de verdachte, die inmiddels een betrekking heeft gevonden in de haven van een familielid.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.298,01. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 20.272,76 en duurt in zoverre van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 56, 57, 63, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-706067-13 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Liander N.V. ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.272,76 (twintigduizend tweehonderdtweeënzeventig euro en zesenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Liander N.V., ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-660006-12 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 20.272,76 (twintigduizend tweehonderdtweeënzeventig euro en zesenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 136 (honderdzesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. R.A.F. Gerding en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juni 2015.

=========================================================================

[....]

.