Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3777

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
23-002225-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling aanwezig hebben grote hoeveelheid heroine. Vrijspraak onder 1 ten laste gelegde, nu het delict reeds was voltooid op grond van de Opiumwet, maar enkel de poging ten laste is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-002225-14

Datum uitspraak: 2 juni 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-997179-05 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij in of omstreeks de periode van 21 december 2005 tot en met 22 december 2005 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van zijn/hun voornemen om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen (als bedoeld in artikel 1 lid 5 Opiumwet) ongeveer 4,5 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk - contacten heeft gelegd en/of gehouden met een of meer anderen en/of - afspraken heeft gemaakt met een of meer anderen, gericht op het elkaar ontmoeten en/of elkaar spreken omtrent de uitvoering van een of meer van die te plegen misdrijf/misdrijven en/of - inlichtingen en/of aanwijzingen heeft gegeven en/of opdrachten heeft gegeven en/of opdrachten heeft uitgevoerd met betrekking tot die uitvoering en/of - geld heeft gegeven en/of heeft ontvangen en/of heroïne heeft gegeven en/of heeft ontvangen en/of - (andere) hand en spandiensten heeft verricht, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 21 december 2005 tot en met 22 december 2005 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd ongeveer 4,5 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een ametriaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het verkorte vonnis niet is aangevuld met de wettige bewijsmiddelen.

Vrijspraak

Aan verdachte is primair in essentie ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd 4,5 kg heroïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen.

Uit het dossier blijkt onder andere dat verdachte vanuit Engeland opdracht had gekregen om verdovende middelen aan te schaffen. Daartoe heeft hij samen met medeverdachte [medeverdachte 1], op 21 december 2005 een tas bevattende deze heroïne in een coffeeshop opgehaald en overhandigd aan de medeverdachte [medeverdachte 2], de koerier van de verdovende middelen. De verdovende middelen hadden een buitenlandse bestemming. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte deze gang van zaken bevestigd.

Het hof beschouwt het handelen van verdachte als het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de heroïne, als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet. Immers, ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, levert het met bestemming naar het buitenland ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden van de heroïne een voltooid delict op. Nu het primair ten laste gelegde alleen poging tot uitvoer behelst (en niet het voltooide delict) kan het tenlastegelegde niet worden bewezen en moet de verdachte hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
hij in de periode van 21 december 2005 tot en met 22 december 2005 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd ongeveer 4,5 kilogram van een materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan handelingen die er feitelijk toe hebben gestrekt om de handel – waaronder de uitvoer naar het buitenland – van een aanzienlijke hoeveelheid heroïne te faciliteren. Hij is als bemiddelaar van de deal en tester van deze verdovende middelen opgetreden. Door op dergelijke wijze bij te dragen aan de instandhouding van de internationale handel in harddrugs, heeft de verdachte de ernstige gevolgen van zijn gedragingen voor de samenleving voor lief genomen.

De handel in harddrugs leidt niet alleen tot een ontwrichting van het beleid dat wordt gevoerd om het drugsgebruik te reguleren, maar heeft bovenal een negatieve uitwerking op de reeds bestaande maatschappelijke problematiek die is verbonden aan de handel in en het gebruik van in het bijzonder heroïne. Het gebruik van heroïne schaadt de gezondheid van de gebruikers ernstig en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Handelingen die mede tot doel hebben illegaal drugs op de (internationale) markt te brengen dienen daarom streng te worden bestraft.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 mei 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Bovendien zal het hof rekening houden met de tijdsverloop en de inmiddels gewijzigde omstandigheden waarin verdachte thans verkeert.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Een deel daarvan zal voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen behoren aan de verdachte toe. Het betreft grote geldbedragen in biljetten van verschillende valuta, te weten de Engelse pond en de euro. De verdachte heeft verklaard dat het geld niets met de drugsdeal te maken heeft gehad en dat hij het heeft meegenomen vanuit Engeland ter betaling van kosten die gepaard gaan met de door hem destijds voorgenomen oprichting van een bedrijf in Nederland. Tijdens het opsporingsonderzoek hebben verbalisanten de verklaringen van de verdachte over het geld getracht te verifiëren, hetgeen geen positief resultaat heeft opgeleverd. Het hof acht de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst en bestemming van het geld dan ook ongeloofwaardig.

De geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard, aangezien het hof heeft vastgesteld dat zij geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde zijn verkregen dan wel dat dit met behulp daarvan is begaan of voorbereid.

Het hof heeft de geldbedragen op de beslaglijst vergeleken met de kennisgeving van inbeslagneming in het dossier (doorgenummerde pagina’s 243 en 244). Hieruit trekt het hof de conclusie dat waar op de beslaglijst 132 biljetten van 20 Engelse pond staat vermeld, kennelijk moet zijn bedoeld 122 biljetten van 20 Engelse pond. De lijst zal daarom verbeterd worden gelezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

122 biljetten van 20 Engelse pond (RN-04-70 nr. 1), 7 biljetten van 10 Engelse pond (RN-04-70 nr. 2), 2 biljetten van 5 Engelse pond (RN-04-70 nr. 3), 10 biljetten van 20 Engelse pond (RN-04-70 nr. 8), 14 biljetten van 1 Engelse pond (RN-04-70 nr. 9) en 87 biljetten van 100 euro (RN-04-70 nr. 4), 2 biljetten van 50 euro (RN-04-70 nr. 5), 1 biljet van 20 euro (RN-04-70 nr. 6) en 7 biljetten van 10 euro (RN-04-70 nr. 7).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juni 2015.

mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]