Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3773

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
23-000629-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak pogingen doodslag in het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-000629-15

Datum uitspraak: 2 juni 2015

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 januari 2015 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 9 februari 1995 in de strafzaak onder parketnummer 16-070363-93 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Procesgang

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte voor het – onder 1 en 2 tenlastegelegde – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 2 februari 1996 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 6 januari 2015 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 1995 en, na terugwijzing, op de terechtzitting van dit hof van 19 mei 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 29 oktober 1993 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer (onbekend gebleven) personen van het leven te beroven, althans aan een of meer (onbekend gebleven) personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto (op de Brailledreef) op de linkerrijstrook voor het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden terwijl een tegenligger op zeer korte afstand genaderd was, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die tegenligger door uit te wijken verdachtes voertuig wist te ontwijken, in elk geval a1leen tengevo1ge van een van zijn wil onafhankelijke omstandigheid;

2:
hij op of omstreeks 29 oktober 1993 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], respectievelijk. brigadier en hoofdagent van politie, van het leven te beroven, althans aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door verdachte bestuurde personenauto meermalen, in elk geval eenmaal opzettelijk naar links heeft gestuurd, terwijl die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] zich in een opvallende politieauto links naast verdachte bevonden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] door krachtig snelheid te verminderen een aanrijding met de links naast de rijbaan staande bomen wisten te voorkomen, in elk geval alleen tengevolge van een van zijn wil onafhankelijke omstandigheid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft namens de verdachte aangevoerd dat, nu het openbaar ministerie bij de betekening van het arrest van 2 februari 1996 niet de nodige voortvarendheid heeft betracht, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging in verband met grove overschrijding van de redelijke termijn.

Overschrijding van de redelijke termijn kan volgens de rechtspraak van de Hoge Raad niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Verder zal het hof dit verweer onbesproken laten nu de verdachte daarbij geen belang heeft, gelet op de hiernavolgende beslissing.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Vrijspraak

Op basis van de stukken van het beknopte dossier in deze inmiddels zeer oude strafzaak en het verhandelde ter terechtzitting – aan de hand waarvan het hof onder meer niet heeft kunnen vaststellen met welke snelheid de verdachte heeft gereden ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten – is niet vast komen te staan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn potentiele slachtoffers heeft aanvaard. Mede in het licht van de tegenwoordig aan het bewijs van het (voorwaardelijk) opzet te stellen te eisen, komt het hof niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Gelet hierop zal het hof de overige verweren van de raadsman onbesproken laten.

BESLISSING

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. R.A.F. Gerding en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juni 2015.

=========================================================================

[....]