Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3749

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
23-002963-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzetheling mobiele telefoons

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002963-14

datum uitspraak: 9 september 2015

TEGENSPRAAK, gemachtigd raadsvrouw

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2014 in de strafzaak onder de parketnummers 13-702508-13 en 13-660833-11 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 augustus 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 juli 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere telefoon(s) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht.

De verdachte heeft niet gezien dat de jongens die hij achterin zijn bus vervoerde goederen bij zich hadden. De hoeveelheid goederen was ook niet van zodanige omvang, dat de verdachte dat gezien zou moeten hebben. Evenmin is gebleken van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en deze jongens, dat medeplegen bewezen kan worden geacht.

Het hof stelt vast dat de bewijsmiddelen (onder meer) het volgende inhouden.

In de nacht van 18 juli 2013 reed de verdachte als bestuurder van een witte Volkswagen, type Transporter op de Vlaardingenlaan te Amsterdam. Hij gaf geen gevolg aan een door de politie gegeven stop/volgteken en reed met hoge snelheid door. Verbalisanten die de bus achtervolgden zagen op een zeker moment tijdens de achtervolging dat de schuifdeur aan de zijkant van het rijdende voertuig werd geopend en dat daaruit een hoeveelheid goederen werd gegooid. Dit bleken later onder meer verpakkingen met daarin achttien, eerder die nacht gestolen, telefoons. Nadat de verdachte zijn voertuig uiteindelijk in een doodlopende straat tot stilstand had gebracht, vluchtte hij uit het voertuig naar zijn nabijgelegen woning. Uit de laadruimte van de bus vluchtten ten minste twee jongens.

De verdachte heeft hieromtrent (onder meer) het volgende verklaard.

In de nacht van 18 juli 2013 werd hij door een paar jongens gebeld met het verzoek hen op te halen. Het betrof een klusje waarvoor hij € 200,- zou krijgen. Hij “voelde dat het niet goed was”. Hij is met zijn bus naar de door deze jongens opgegeven locatie gereden. Zij zijn daar achterin de bus gestapt, waarna de verdachte is gaan rijden om hen naar ‘de buurt’ te brengen, zijnde de buurt waar zij moesten zijn en waar de verdachte ook woont. De verdachte heeft de namen van deze jongens niet willen noemen.

Hij heeft ontkend te hebben geweten van de aanwezigheid van de van misdrijf afkomstige telefoons in de bus.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor omschreven gebeurtenissen naar hun uiterlijke verschijningsvorm duiden op een gezamenlijk en opzettelijk handelen door de verdachte met de medeverdachten. Zij bevonden zich immers samen in de bestelbus, waarin ook de gestolen telefoons aanwezig waren. Op het moment dat ontdekking en aanhouding dreigden, trachtten zij dit te voorkomen. De verdachte droeg daaraan bij door met hoge snelheid door te rijden, een of meer van de medeverdachten door de telefoons uit het rijdende voertuig te gooien.

Bij gebrek aan een aannemelijke verklaring voor dit handelen, kan naar het oordeel van het hof uit deze omstandigheden zowel het opzet van de verdachte op het ten laste gelegde, als de nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering daarvan, worden afgeleid.

De verdachte heeft echter een verklaring voor zijn handelen gegeven, waarin hij heeft gesteld niet van de aanwezigheid van de telefoons op de hoogte te zijn geweest. Deze verklaring is niet verifieerbaar en vindt geen steun in de overige gegevens in het dossier. Desalniettemin acht het hof deze verklaring, met name gelet op het feit dat de telefoons zich in de van de cabine afgescheiden laadruimte van de bus bevonden, niet dermate onwaarschijnlijk dat het deze zonder meer terzijde stelt.

Uit de verklaringen van de verdachte leidt het hof echter wel af dat de verdachte met zijn bus willens en wetens een of meer bekenden heeft vervoerd, wetend dat het ‘niet goed’ zat, waaruit het hof afleidt dat hij begreep dat hij daardoor betrokken werd bij een strafbaar feit. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door onder die omstandigheid genoemde personen in zijn bus toe te laten en hen te vervoeren, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij met van misdrijf afkomstige goederen zijn bus zouden betreden. Zijn handelen op het moment van het stop-/volgsein van de politie (het met hoge snelheid wegrijden) ziet het hof dan ook in het licht van deze voorafgaande intentie tot het medeplegen van een strafbaar feit. Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus het voorwaardelijk opzet had op het in vereniging voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde telefoons. Het is voorts van oordeel dat hij, doordat hij deze telefoons in zijn bus voorhanden had en vervoerde, samen met zijn medeverdachten uitvoeringshandelingen met betrekking tot dit feit heeft verricht en derhalve als medepleger kan worden aangemerkt. Uit de verklaring van de verdachte vloeit tevens voort dat dit opzet reeds bestond op het moment van het in vereniging voorhanden krijgen van die telefoons, te weten het moment dat de medeverdachten met de telefoons bij de verdachte in de bus zijn gestapt.

Het hof acht eveneens bewezen dat de medeverdachten ten tijde van het verkrijgen van de telefoons wisten dat deze van misdrijf afkomstig waren. Het hof overweegt daaromtrent dat het ging om achttien telefoons in hun verpakking, welke telefoons kort daarvoor waren gestolen. De medeverdachten hebben deze telefoons derhalve midden in de nacht en niet door middel van koop in een reguliere winkel voorhanden gekregen. Het hof is van oordeel dat het, gelet op deze omstandigheden, niet anders kan dan dat zij ten tijde van de verkrijging wisten dat de telefoons van misdrijf afkomstig waren. Dat zij zich tijdens de achtervolging door de politie weer van deze telefoons hebben ontdaan ziet het hof als uiting van die van aanvang af bestaande wetenschap. De medeverdachten hebben omtrent de omstandigheden waaronder deze verkrijging heeft plaatsgevonden geen verklaring afgelegd die een ander licht op deze hen belastende feiten en omstandigheden werpt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 juli 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, telefoons voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier dagen met aftrek van de tijd dat de verdachte in verzekering is gesteld en een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzetheling van telefoons. Door deze gestolen telefoons mede voorhanden te hebben heeft de verdachte de diefstal bevorderd. Een dergelijk feit leidt tot schade en overlast voor de rechthebbende.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 augustus 2015 is de verdachte eerder wegens vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Meervoudige kamer te Amsterdam van 31 januari 2012 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 31 januari 2012, parketnummer 13-660833-11, te weten van:

werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. H.A. van Eijk en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 september 2015.

De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]