Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
200.168.542/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêtezaak; onderzoek bevolen; commissaris benoemd

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1679
ARO 2015/191
JONDR 2015/1034
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.168.542/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 11 september 2015

inzake

1. [verzoeker 1]

(...)

23. [ verzoeker 23]

VERZOEKERS

advocaten: en, beiden kantoorhoudende te Rotterdam,

mr. P. Haas mr. B. Verkerk

t e g e n

1. de naamloze vennootschap

ROTTERDAMSE TAXI CENTRALE RTC N.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RTC FRANCHISE B.V.,

beide gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTERS,

advocaten: mr. J.G. Princen en mr. J.P.D. van de Klift, beiden kantoorhoudende te Rotterdam,

e n t e g e n

1. [belanghebbende 1]

(...)

60. [belanghebbende 60]

BELANGHEBBENDEN

advocaten: mr. M.E.C. Lok mr. B. Kemp, beiden kantoorhoudende te Den Haag

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen worden hierna verzoekers, RTC, RTC Franchise en belanghebbenden genoemd. In deze beschikking zullen voorts de volgende afkortingen worden gebruikt:

  • -

    GRI Goede Raad Invest B.V.;

  • -

    Goede Raad Taxicooperatie “Goede Raad” U.A.;

  • -

    OTB Stichting Ondernemingsreserve Taxi-Branche;

  • -

    STB Stichting Sanering Taxi-Branche;

  • -

    RMC Rotterdamse Mobiliteit Centrale RMC B.V.

  • -

    RET Rotterdamse Elektrische Tram N.V.

1.2

Verzoekers sub 1 tot en met 8 hebben bij op 21 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, – zakelijk weergegeven –:

1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van RTC en RTC Franchise vanaf 5 maart 2009;

2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

a. [A] (hierna: [A] ) te schorsen als bestuurder van RTC;

b. een tijdelijke bestuurder van RTC te benoemen;

c. alle commissarissen van RTC te schorsen;

d. een tijdelijke commissaris van RTC te benoemen;

e. alle aandelen in RTC, althans alle door GRI gehouden aandelen in RTC, ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;

f. [B] (hierna: [B] ) te schorsen als bestuurder van RTC Franchise;

met veroordeling van RTC en RTC Franchise in de kosten van het geding.

1.3

RTC en RTC Franchise hebben bij op 18 juni 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift – zakelijk weergegeven – geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van verzoekers, althans tot afwijzing van hun verzoek en tot veroordeling van verzoekers in de kosten van de procedure.

1.4

Bij aanvullend verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 1 juli 2015, hebben verzoekers sub 1 tot en met 8, in aanvulling op het in 1.2 weergegeven verzoek, de Ondernemingskamer verzocht bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding:

g. te schorsen het besluit van RTC Franchise tot het aangaan op 9 februari 2015 van managementovereenkomsten met [B] , [C] (hierna: [C] ), [D] , (hierna: [D] ), [E] (hierna: [E] ) en [F] (hierna: [F] ).

1.5

Bij brief van 8 juli 2015 heeft mr. Haas voornoemd de Ondernemingskamer verzocht de hierboven als verzoekers 9 tot en met 23 aangeduide (rechts)personen tevens als verzoekers aan te merken.

1.6

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 9 juli 2015. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties, te weten aanvullende producties 97 tot en met 103 van verzoekers en aanvullende producties 51 tot en met 55 van RTC en RTC Franchise. Belanghebbenden hebben ter zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het enquêteverzoek en het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.

2 De feiten

De structuur en werkwijze van RTC en RTC Franchise en van gelieerde rechtspersonen

2.1

RTC is op 10 februari 1970 opgericht en exploiteert (middellijk) een taxicentrale. Verzoekers en belanghebbenden zijn taxiondernemers en houden ieder een of meer aandelen in RTC. [A] is enig bestuurder van RTC. De raad van commissarissen van RTC bestaat uit [I] (hierna: [I] ), [J] (hierna: [J] ) en [K] (hierna: [K] ).

2.2

De statuten van RTC houden, voor zover hier van belang, in:

Artikel 5

(…)

6. Aandeelhouder kunnen slechts zijn:

a. zij, aan wie door de daartoe bevoegde overheid een bedrijfsvergunning is verleend voor het verrichten van beroepspersonenvervoer, of zij die door een mede door de vennootschap gehouden bedrijfsvergunning in staat worden gesteld een vervoerbedrijf uit te oefenen; een aandeelhouder mag ten hoogste zoveel aandelen houden als het aantal motorvoertuigen waarvoor de bevoegde overheid hem vergunning heeft verstrekt en/of het aantal motorvoertuigen waarvoor hij door de vennootschap in staat wordt gesteld het vervoerbedrijf uit te oefenen;

(…)

f. zij die naar het oordeel van de raad van commissarissen en de algemene vergadering van aandeelhouders een rechtstreeks belang hebben bij de redelijke en duurzame uitoefening van het vervoerbedrijf.

2.3

RTC is enig aandeelhouder van RTC Franchise. RTC en [B] zijn bestuurder van RTC Franchise.

2.4

RTC houdt tevens 49% van de aandelen in RMC. De overige aandelen in RMC worden gehouden door RET (49%), [A] (1%) en [L] (hierna: [L] ) (1%). [A] en [L] zijn bestuurders van RMC.

2.5

Alle aandeelhouders van RTC hebben voor elke auto die zij onder de vlag van RTC exploiteren een aansluitingsovereenkomst gesloten met RTC, waarop voorwaarden en reglementen van toepassing zijn. De “Algemene voorwaarden voor aansluiting bij [RTC]” houden onder meer in dat RTC zorgdraagt voor werving van vervoersopdrachten voor alle soorten van vervoer en voor “een evenredige en inzichtelijke verdeling van de ontvangen vervoeropdrachten over de bij RTC aangesloten vervoerders” (artikel 4.1 en 4.3). De aansluitingsovereenkomst verplicht de desbetreffende aandeelhouder tot het betalen van een vergoeding aan RTC per taxi, door partijen ook aangeduid als contributie.

2.6

De door RTC te verdelen vervoersopdrachten kunnen worden onderscheiden in:

  1. contractvervoer, zijnde het door RMC aan RTC (als “most preferred supplier”) opgedragen vervoer bestaande uit “Vervoer op Maat” (een vervoersvoorziening voor mensen met een beperking, hierna: VoM), Valys-vervoer (vervoer buiten de regio voor reizigers met een mobiliteitsbeperking, in opdracht van Transvision B.V., een vennootschap waarvan RMC 50% van de aandelen houdt), de zakelijke markt, leerlingenvervoer, pendeldiensten et cetera;

  2. straattaxivervoer, zijnde vervoer op afroep per telefoon via een door RMC in opdracht van RTC verzorgde taxicentrale en vervoer in opdracht van eigen klanten van taxichauffeurs.

Het contractvervoer vormt 65-80% van het door RTC te verdelen werk, waarbinnen VoM ongeveer de helft beslaat.

2.7

Tussen RTC en RMC is op 11 september 2003 een overeenkomst gesloten, getiteld Service Level Agreement, kort gezegd inhoudende dat RTC een deel van haar onderneming, waaronder de meldkamer, het call centre en de administratie inbrengt in RMC, waarna RMC aan RTC tegen “een marktconforme en in ieder geval kostendekkende vergoeding” ondersteunende diensten verleent, waaronder call centre activiteiten, meldkameractiviteiten en administratie.

2.8

Oorspronkelijk was aan elk aandeel in RTC één aansluitingsovereenkomst voor de exploitatie van één (genummerde) taxi gekoppeld. Deze exploitatierechten worden binnen RTC de originele nummers (of reguliere nummers) genoemd. Vanaf 1999 heeft RTC aan haar aandeelhouders extra exploitatierechten uitgegeven teneinde te kunnen voldoen aan de toegenomen vraag naar taxivervoer. Deze extra exploitatierechten worden door partijen (en hierna in deze beschikking) uitbreidingsnummers (of uitbreidingsvergunningen) genoemd. Aanvankelijk mochten de uitbreidingsnummers slechts in de spits worden ingezet. Die beperking is nadien vervallen. De tussen RTC en de houders van uitbreidingsnummers gesloten aansluitingsovereenkomsten houden onder meer in dat de overeenkomst geldt voor de periode van één jaar en na afloop daarvan driemaal kan worden verlengd met telkens een jaar. Houders van uitbreidingsnummers dienen een zogenoemde uitbreidingscontributie te betalen van € 2.360 per jaar. RTC heeft voorts aan aandeelhouders exploitatierechten uitgegeven om leerlingenvervoer te verrichten. Deze rechten worden leerlingnummers genoemd.

2.9

Houders van originele nummers, uitbreidingsnummers en/of leerlingnummers kunnen ofwel zelf (als taxichauffeur of als werkgever van taxichauffeurs) gebruik maken van deze rechten, dan wel de nummers ter exploitatie in gebruik geven aan een derde, al dan niet in combinatie met het ter beschikking stellen van een auto en/of het verzorgen van verzekeringen et cetera. Het uitbesteden van de exploitatie van een nummer aan een derde wordt door partijen (en hierna in deze beschikking) ook franchise genoemd. Een minderheid van de exploitatierechten wordt door de aandeelhouders zelf gebruikt. De meerderheid van de exploitatierechten wordt door aandeelhouders van RTC als “franchisegevers” tegen betaling ter beschikking gesteld aan derden, veelal door die rechten te verhuren (“verfranchisen”) aan RTC Franchise, die de rechten (onder)verhuurt aan derden, en in een minderheid van de gevallen door die rechten zelf aan derden te verhuren.

2.10

GRI houdt 53 aandelen in RTC, zijnde ongeveer 13,5% van het geplaatste kapitaal. De aan de aandelen van GRI verbonden nummers worden door GRI tegen betaling ter beschikking gesteld aan RTC Franchise, die de desbetreffende nummers “verfranchiset” aan derden. Het bestuur van GRI bestaat uit [M] (hierna: [M] ) en [F] . Alle aandelen in GRI worden gehouden door STB.

2.11

STB en OTB zijn opgericht door Goede Raad. Leden van Goede Raad zijn aandeelhouders van RTC en hebben met STB zogenoemde saneringsovereenkomsten gesloten en met OTB reserveringsovereenkomsten. De saneringsovereenkomsten verplichten de taxiondernemers tot afdracht van een maandelijkse saneringsbijdrage aan STB. De reserveringsovereenkomsten verplichten de taxiondernemers tot betaling van een (periodieke) inleg en geven hun aanspraak op uitbetaling van die inleg vermeerderd met het daarover behaalde rendement ingeval van bedrijfsbeëindiging bij pensionering, arbeidsongeschiktheid of overlijden. Het bestuur van OTB bestaat uit [F] , [M] , [E] en [N] . Het bestuur van STB bestaat uit deze vier personen en tevens uit [O] en [P] .

De gebeurtenissen in chronologische volgorde

2.12

Op 5 januari 2009 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC alle toenmalige commissarissen, te weten [G] , [C] , [Q] , [E] , [R] , [S] en [F] ontslagen, nadat gebleken was dat [G] en zijn dochter [C] betrokken waren bij een inschrijving voor een V0M-contract waarop RTC en RMC ook hadden ingeschreven. De algemene vergadering van RTC heeft op 5 maart 2009 [I] , [T] , [C] , [U] , [V] , [W] (hierna: [W] ) en [X] benoemd tot commissaris.

2.13

Omdat vanaf 2008 de vraag naar taxivervoer afnam, heeft RTC in 2009 besloten geen nieuwe uitbreidingsnummers meer uit te geven. Teneinde het aantal uitbreidingsnummers terug te brengen heeft RTC in 2009 besloten tot invoering van een “1-op-1-beleid” inhoudende dat per aandeel nog maar één uitbreidingsnummer mocht worden gehouden. Het verslag van de vergadering van 15 mei 2009 van raad van commissarissen met het bestuur van RTC houdt daarover in:

Gebleken is dat er onbalans is ontstaan in het aantal originele aandelen ten opzichte van de uitbreidingsnummers. (…) Afgesproken wordt dat er een voorstel zal komen om die balans te herstellen. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met de ontstaansgeschiedenis, maar ook met de investeringen en dienstverbanden die zijn aangegaan.

2.14

De algemene vergadering van aandeelhouders van RTC heeft op 5 november 2009 besloten om een vergoeding van € 15.000 te betalen aan degenen die een uitbreidingsnummer ouder dan tien jaar inleveren bij RTC.

2.15

Het verslag van de vergadering van de raad van commissarissen van 5 februari 2010 houdt onder meer in dat [A] het voorstel doet ook aan aandeelhouders die minder dan tien jaar, maar ten minste vier jaar beschikken over een uitbreidingsnummer, een vergoeding te betalen bij inlevering van het uitbreidingsnummer, waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal jaren dat het uitbreidingsnummer is gebruikt. Het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC van 4 maart 2010 houdt dienaangaande onder meer in:

(…) [A] deelt mede dat hij nog even terug wil komen op het 1 op 1 beleid. Er zijn 24 ondernemers, die meer uitbreidingsvergunningen hebben dan aandelen. Afgelopen vergadering is gezegd, dat ondernemers die al 10 jaar een uitbreidingsvergunning hebben en hiervoor ook betaald hebben bij inlevering een bedrag ad € 15.000 uitgekeerd krijgen. Er zijn echter ook ondernemers, die een uitbreidingsvergunning moeten inleveren, doch de 10 jaar niet kunnen volmaken. Dit zou dus inhouden dat zij geen uitkering zouden krijgen. Derhalve is de navolgende regeling in het leven geroepen:

Vanaf 4 jaar € 2.000,00

Vanaf 5 jaar € 3.000,00

Vanaf 6 jaar € 5.000,00

Vanaf 7 jaar € 7.500,00

Vanaf 8 jaar € 10.000,00

Vanaf 9 jaar € 12.500,00

10 jaar € 15.000,00

Is er nog geen 4 jaar betaald voor de uitbreidingsvergunning, dan volgt er geen vergoeding. De vergoeding zal uiteraard alleen uitgekeerd worden mits de financiën van de RTC die toelaten. Ook ondernemers, die niet gedwongen zijn om hun uitbreidingsvergunning in te leveren, kunnen van deze regeling gebruik maken. De achterliggende gedachte hiervan is, dat door deze regeling er meer werk ontstaat voor de reguliere vergunningen.”

2.16

Notaris mr. C.F. Wery heeft bij brief van 19 mei 2010 aan RTC bericht dat “van een aanzienlijk aantal aandeelhouders die als zodanig zijn geregistreerd in het aandeelhoudersregister moet worden geconcludeerd dat zij geen aandeelhouder zijn” omdat veel aandelen zijn verkocht en “overgedragen” zonder notariële akte als bedoeld in artikel 2:86 lid 1 BW. Mr. Wery heeft in zijn brief twee mogelijkheden genoemd om dit probleem op te lossen.

2.17

Het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC van 14 april 2011 houdt onder meer in:

Enige vergaderingen geleden is aan de orde geweest het door de RTC in franchise brengen van uitbreidingsnummers in het kader van het 1 op 1 beleid. In die vergadering werd toen met een nipte meerderheid tegen gestemd dat originele nummers ook ingezet konden worden door RTC franchise. In de Raad van Commissarissen is dit onderwerp weer aan de orde gesteld omdat steeds meer nummers binnen de RTC verfranchised worden. (…) RTC wil nu zelf nummers gaan aanbieden om verschillende redenen, de vakbekwaamheideis gaat uiteindelijk vervallen wanneer de nieuwe taxiwet is aangenomen, waardoor het gemakkelijker wordt te gaan ondernemen. De komst van de boordcomputer volgend jaar gaat het aantal uren beperken, is het dan niet verstandiger om met een gestructureerde opzet te komen. Via RTC franchise zou met een rooster gewerkt gaan worden zodat ook meer sturing mogelijk is. (…) De voorzitter legt uit dat voor RTC franchise een aparte BV opgericht wordt waaruit de kosten betaald worden. Vanuit een BV een aantal mensen aansturen is voordeliger dan dat elke ondernemer dit apart doet en hij is het risico van stilstand kwijt. (…) RTC kan aangeven op welke uren meer capaciteit nodig is en kan dit via RTC franchise beter aansturen, waardoor chauffeurs korter op straat zitten voor hetzelfde geld. (…) RTC probeert nu ook te reguleren, op het moment dat er minder werk is gaan de uitbreidingsvergunningen ook niet rijden. Daar worden ook bepaalde meetpunten voor aangehouden. (…) En er moest uiteraard ook uitgekeerd worden bij de inname van de nummers en daar was ook een behoorlijk bedrag mee gemoeid, dat weer moet terugkomen.

(…)

De voorzitter stelt voor dit onderwerp in stemming te brengen door handopsteking en vraagt wie er voor en tegen dit voorstel is om originele nummers in RTC Franchise BV in te brengen en te verfranchisen. Uiteindelijk zijn er 3 stemmen tegen en wordt het voorstel met een ruime meerderheid van stemmen aangenomen.”

2.18

Het verslag van de vergadering van de raad van commissarissen en het bestuur van RTC van 20 mei 2011 houdt in dat het bestuur en de commissarissen hebben besloten tot oprichting van RTC Franchise en tot benoeming van [B] , [C] , [F] , [E] , [D] en [A] als bestuurder van RTC Franchise. RTC Franchise is op 26 juli 2011 opgericht.

2.19

Het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC van 24 oktober 2011 houdt onder meer in:

De voorzitter geeft een update over RTC Franchise. De eerste chauffeur is vandaag van start gegaan op een uitbreidingsnummer dat is ingeleverd. (…) De heer [Y] (…) wil graag weten of het gaat om nummers met een aandeel. De voorzitter legt uit dat deze nummers aangeboden kunnen worden, maar ook uitbreidingsnummers die ingeleverd zijn kunnen door de RTC Franchise gebruikt worden, conform de afspraak die destijds gemaakt is. De heer [Y] begrijpt niet dat eerst een vergunning ingeleverd moest worden omdat er teveel wagens op straat zijn, die nu weer in de franchise gaan. De voorzitter geeft aan dat dit te maken had met het één op één beleid (…). Daarnaast worden uitbreidingsnummers alleen ingezet als het werk het toelaat gebaseerd op cijfers. In eerste instantie worden alleen nummers op een aandeel ingezet. (…)

Op deze vergadering zijn [T] en [V] als commissarissen niet herkozen en afgetreden en zijn [F] en [B] tot commissaris benoemd.

2.20

Het (concept)verslag van de vergadering van de raad van commissarissen met de raad van bestuur van 20 januari 2012 houdt onder meer in:

(…) [A] deelt mede dat zowel minder ritten besteld worden door particulieren als door VoM klanten. Deze daling zet zich al vier maanden voort; er is afgesproken wanneer een daling 6 maanden doorgaat er gesproken gaat worden van recessie en er maatregelen getroffen dienen te worden. (…) [A] stelt voor dat we toe gaan werken naar roostermodellen. (…) [A] stelt nog een aantal maatregelen voor die getroffen kunnen worden zoals:

- Gaan we proberen uitbreidingsnummers in te kopen en maken we daar budget voor vrij;

- gaan we ondernemers aanschrijven en een stimulans bieden om in te leveren;

- (…)

[A] geeft aan dat bij de ingenomen nummers direct afgerekend wordt en deze nummers niet meer op de markt terugkomen.”

2.21

De algemene vergadering van aandeelhouders van RTC heeft op 4 april 2012 ingestemd met het voorstel verplicht volgens een rooster van 50 uur per week te rijden. Het verslag van die vergadering houdt voorts onder meer in:

(…) [A] deelt mede (…) dat vanaf oktober 2011 tot maart 2012 het ritaantal teruggelopen is. Dit wordt mede veroorzaakt doordat de particuliere klanten gezien de recessie minder ritten bestellen, maar ook de taxiritten van Vervoer op Maat zijn beduidend teruggelopen (…) Daar de daling maar bleef toenemen is er gesproken hoe het tij gekeerd kan worden. Binnen de RTC Franchise B.V. is dus nu ook besloten om geen uitbreidingsvergunningen meer te verfranchisen.

2.22

Het verslag van de vergadering van de raad van commissarissen met de raad van bestuur van 29 juni 2012 houdt onder meer in:

“[ [A] ] geeft aan dat het doel is om op korte termijn nummers te kunnen innemen. (…) Momenteel is er geen toename van diensten, opleidingsaanvragen dalen en ritafname is stabiel. (…) Er moet balans zijn tussen werk en wagens. (…) [ [A] ] stelt voor om als extra prikkel tijdelijk uitbetaling met € 2500 te verhogen waarbij de staffel met dit bedrag aangepast wordt bij elke trede. Ingangsdatum 1 januari 2012 tot uiterlijk 1 maart 2013 (…). Het voorstel wordt niet geheel unaniem aangenomen.”

2.23

Het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC van 1 november 2012 houdt onder meer het volgende in:

1. Opening en mededelingen

(…)

In januari 2007 hadden we 142 uitbreidingsvergunningen, in juli 2000 155, daarna is het aantal gaan dalen door de inkoop met bonus tot 101 in oktober 2012. (…)

Stand van zaken RTC Franchise (…). In totaal rijden er 157 nummers waarvan 120 door ondernemers zijn ingebracht en 28 nummers zijn ingezet als uitbreiding. (…) [A] geeft nog aan dat het aantal ingekochte uitbreidingsnummers niet meer is uitgegeven, we zijn terug gegaan van 155 naar 101, waarbij dus de missie, het regulerend werken wel tot stand gekomen. De voorzitter geeft aan dat sinds januari geen nummers als uitbreiding meer zijn ingezet.

(…)

5. Uitbreidingsvergunningen

(…) [A] (…) geeft een kort overzicht van de toelichting op dit agendapunt. De raad van commissarissen is van mening het uitkeren van een vergoeding tegen inlevering van een uitbreidingsnummer te beëindigen. Om het inleveren te stimuleren is besloten een eenmalige bonus van € 2.500 te verstrekken. De motivatie hierbij is dat wij de interne markt willen reguleren. (…) Dit voorstel geldt tot 1 januari 2013, hierna zal de uitbreidingsnummer niets meer opleveren en bij een rampscenario, indien wij veel contracten kwijtraken, bestaat de mogelijkheid dat uitbreidingsnummers alsnog ingetrokken worden. Dit voorstel wordt in stemming gebracht (…) in eerste instantie met handopsteking. (…) Er zijn 3 aandeelhouders tegen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat met een meerderheid van stemmen de aandeelhouders akkoord gaan met het voorstel van de raad van commissarissen voor inkoop van uitbreidingsnummers met een eenmalige bonus tot 1 januari 2013 en daarna hebben de vergunningen geen waarde meer en kunnen ingetrokken worden indien nodig.”

2.24

Bij e-mail van 18 maart 2013 heeft [C] aan [A] onder meer geschreven:

Tot op dit moment zijn de mensen die de administratie verzorgen voor RTC Franchise, ingehuurd vanaf VDT [V.D.T. Taxi B.V., belanghebbende sub 6, toev. Ondernemingskamer]. Aangezien we op dit moment vrijwel alle taxinummers via RTC Franchise ingezet hebben en deze mensen dus bijna alleen nog maar werk verrichten voor RTC Franchise BV, willen wij vanaf 1 april de mensen een contract aanbieden via RTC Franchise. (…) Het gaat om: (…) [volgen namen van zes betrokkenen met vermelding van de omvang van hun dienstverband, toev. OK]. De uren die door sommige nog voor VDT gemaakt worden zullen dan weer door belast worden vanuit RTC Franchise.

[A] heeft deze e-mail doorgestuurd aan [Z] , manager finance & control, die in reactie daarop op 19 maart 2013 aan [A] onder meer schreef:

[H] levert 60 vergunningen of zo, per vergunning levert dat de Franchise misschien € 1.000 op en [H] zelf € 5.000. Nu moet de franchise de kosten nemen en [H] de opbrengsten??

2.25

Het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC van 10 juni 2013 houdt in dat de algemene vergadering met meerderheid van stemmen op voorstel van [A] het volgende heeft besloten:

  1. alle uitbreidingsnummers komen te vervallen per 1 april 2015, zijnde de datum waarop het VoM-contract zou aflopen;

  2. tot 1 november 2013 kunnen uitbreidingsnummers worden ingeleverd tegen betaling van een uitkering ter grootte van 50% van de hierboven in 2.15 genoemde staffel;

  3. ondernemers die uitbreidingsnummers “op VoM hebben staan”, kunnen deze nummers blijven gebruiken of het nummer omzetten naar een “regulier stilstaand nummer”;

  4. indien RMC het Valys-contract per 1 januari 2014 verwerft, zal eerst capaciteit gemeten worden en indien nodig worden uitbreidingsnummers via RTC Franchise uitgegeven;

  5. als het VoM-contract in 2015 niet meer in handen is van RMC, zal geen uitkering meer plaatsvinden op de overgebleven uitbreidingsnummers;

  6. indien in 2015 het VoM-contract wel in handen blijft van RMC, vervallen alle uitbreidingsnummers en ontvangt men nog 25% van de waarde.

Het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van 10 juni 2013 houdt in dat [A] dit voorstel als volgt heeft toegelicht:

“(…) [A] legt uit dat de verhouding werk en aantal taxi’s uit balans raakt. Zelfs nadat er in 2012 voor € 500.000 aan uitbreidingsvergunningen is ingekocht (…) dienen maatregelen genomen te worden. Hiertoe heeft de Raad van Commissarissen een moratorium voor uitbreidingsnummers opgesteld dat op één stem na in de raad van commissarissen is aangenomen.

2.26

Het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van 1 oktober 2013 houdt, onder het kopje “opening en mededelingen” onder meer in:

Uitbreidingsnummers – hier (…) wil (…) [A] het volgende over zeggen. Uitbreidingsnummers dienen per april 2015 ingeleverd te worden. De vraag is kunnen die in de kast gelegd worden. Huidige standpunt RvC is: unfair tegenover hen die nu al hebben ingeleverd. (…)

RTC Franchise – (…) Wij zijn van mening dat eerst RTC ondernemers de nummers stopzetten en wij die uitbetalen omdat RTC Franchise als 100% dochter van RTC N.V. alle inkomsten afstaat aan de N.V. die ten gunste komen van alle aandeelhouders. (…) [W] reageert op deze visie. Hij heeft onderzoek gedaan naar wat aan salarissen er uit gehaald wordt ten opzichte van de totale omzet dan blijft het nettoresultaat over. (…) Het resultaat is 91.000 euro. Dat is bijzonder weinig als je ziet hoeveel nummers daar in omgaan. (…)

[A] (…): (…) Toen RTC Franchise werd opgericht hebben kort daarna twee organisaties aangegeven te willen toetreden; t.w. Goede Raad en de fa. [H] . Een voor ons logisch gevolg was dat deze twee organisaties ook de bestuurders zouden leveren. Nu hier zoveel commotie over is ontstaan is mijn advies om het aantal bestuurders bijvoorbeeld terug te brengen naar drie personen. Dit zal overigens de kosten niet verminderen want het werk moet gedaan worden.

2.27

De notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC van 29 oktober 2013 houden met betrekking tot de agendapunten “sturing capaciteit m.b.t. beleid RTC Franchise BV verhuurde uitbreidingsnummers” en “concurrentieverhouding RTC Franchise BV t.o.v. aandeelhouders RTC” onder meer het volgende in:

De heer [AA] vindt, dat de kleine ondernemers concurrentie ondervinden van de grote ondernemers, die hun vergunningen verfranchisen.

(…) [A] antwoordt, dat eind 2011 er 28 wagens verfranchised waren. Toen bleek, dat de markt terugliep, zijn er geen nieuwe nummers via de franchise meer uitgegeven. Het inkopen van de uitbreidingsnummers heeft er ook toe geleid, dat er minder wagens op straat waren. Ook het niet meer verfranchisen van boven de 28 nummers heeft te maken met het capaciteitbeleid. (…)

Met betrekking tot het aantal bestuurders in de RTC Franchise B.V. deelt (…) [A] mede, dat dit ook historische achtergronden heeft. Toen besloten is om de RTC Franchise B.V. op te richten (…) waren [er] 2 grote partijen t.w. [H] en Goede Raad. Deze partijen wilden graag in het bestuur om er zeker van te zijn, dat alles goed zou gaan. (…) [A] deelt mede, dat dit ook een redelijk argument was.

(…)

De heer [K] deelt mede, dat (…) hij uit het verslag van de curatoren [H] heeft moeten lezen, dat er vergevorderde afspraken gemaakt zijn tussen de RTC Franchise B.V. en [H] inzake integratie Franchise en [H] . Dit was eind 2012. Vindt, dat de aandeelhouders het recht hebben om informatie over te krijgen.

(…)

De heer [AA] heeft een gesprek gehad met de heer [Z] en de winst van € 100.000 [van RTC Franchise, toev. OK] komt uit het franchisen van de 28 nummers. Waarom is er dan een hele organisatie nodig vraagt hij zich af.

(…) [A] antwoordt, dat de franchise opgericht is om een goed capaciteitbeleid te kunnen voeren. (…)

Ter vergadering van 29 oktober 2013 zijn [W] , [BB] (hierna: [BB] ) en [J] tot commissaris benoemd.

2.28

Op 5 februari 2014 is [F] teruggetreden als commissaris en heeft de algemene vergadering van aandeelhouders [C] en [B] ontslagen als commissarissen, nadat gebleken was dat zij, tezamen met [E] en [F] , betrokken waren bij de oprichting op 31 december 2013 van Metropool Taxi B.V. Op dezelfde vergadering is een door [C] en [B] ingediende “motie van wantrouwen” tegen de commissarissen [W] , [BB] en [J] verworpen.

2.29

Op 2 april 2014 zijn [K] en [AA] (hierna: [AA] ) door de algemene vergadering van aandeelhouders tot commissaris benoemd.

2.30

Bij brief van 19 juni 2014 aan RTC heeft notaris mr. C.F. Wery opnieuw aandacht gevraagd voor de onzekerheid over het houderschap van de RTC-aandelen als gevolg van het ontbreken van notariële akten van overdracht.

2.31

[A] heeft op 26 september 2014 de aandeelhouders uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders op 16 oktober 2014 met als enige agendapunt “de onwerkbare situatie die is ontstaan tussen” hem als bestuurder en [W] als voorzitter van de raad van commissarissen.

2.32

Op 2 oktober 2014 heeft Cunningham Lindsey Nederland bv (hierna: C&L) in opdracht van de raad van commissarissen van RTC een rapport van bevindingen uitgebracht met betrekking tot RTC Franchise. Het rapport van C&L houdt onder meer in:

De heer [A] is statutair directeur van RTC NV en in die rol belast met de vertegenwoordiging van de aandeelhouder RTC NV in de algemene vergadering van Franchise BV. In die vergadering legt (…) [A] (…) verantwoording af aan de algemene vergadering (de aandeelhouders), en dus in feite aan zichzelf.

Dit is, uit een oogpunt van een doelmatige interne organisatie en interne controle, een zeer onwenselijke situatie.

(…)

Op basis van de ons door Franchise BV overgelegde stukken concluderen wij dat (…) niet tot nauwelijks sprake is van een intern geformaliseerde organisatiestructuur. (…) De huidige structuur bestaat uit een 13-tal, in hoofdzaak administratieve medewerkers die verantwoording afleggen aan een collectief bestuur, bestaande uit vijf bestuurders.

(…)

Het risico van de huidige onduidelijkheid in de organisatiestructuur is (…) dat het niet helder is wie welke beslissingen kan en mag nemen en wie voor deze beslissingen eindverantwoordelijk is c.q. kan worden gesteld.

Deze onduidelijkheid laat ruimte voor het doen van onzakelijke transacties die niet in lijn zijn met de doelstelling van de onderneming (…).

(…)

We hebben aan de hand van de ons overgelegde financiële stukken een onderzoek gedaan naar de omvang, herkomst en aard van de opbrengsten en kosten over de jaren 2011 (effectief vanaf oktober) tot aan 2012, 2013 en 2014 (tot en met maart).

(…)

Duidelijk blijkt dat de opbrengsten in 2013 (…) substantieel zijn gestegen ten opzichte van die in 2012 (…) en wel met zo’n 42%. In 2014 lijken de opbrengsten stabiel te blijven op het niveau van 2013. Evenzeer blijkt dat vorenvermelde omzetstijging niet tot nauwelijks geleid heeft tot een hogere bijdrage aan het resultaat bedrijfsuitoefening, integendeel.

(…)

Het resultaat bedrijfsuitoefening als percentage van de omzet is (…) aan een substantiële erosie onderhevig. In 2012 werd nog 7,1% behaald, in 2013 daalde dat naar 4,4 procent en het ziet er naar uit dat dit percentage in 2014 op nihil % uitkomt.

Dit heeft alles te maken met een meer dan evenredige stijging van de vaste kosten. (…) De belangrijkste oorzaak daarvan ligt bij de stijging van de personeelskosten (…).

(…) wij [hebben] geadviseerd per bestuurder en werknemer taakbeschrijvingen op te stellen. Deze taakbeschrijvingen, afgezet tegen de uit de bedrijfsactiviteiten voortkomende ‘workload’, moet inzicht geven of, en zo ja in hoeverre, sprake is van een optimale bestuurs- en personeelsbezetting. Tevens kan in dat onderzoek dan een beoordeling plaatsvinden van de doelmatigheid van het personeelsbeleid, en kan onderzocht worden of er sprake is van marktconforme arbeidsbeloningen.”

2.33

Op 6 oktober 2014 heeft de raad van commissarissen (bestaande uit [W] , [AA] , [BB] , [K] , [I] en [J] ) [A] geschorst als bestuurder van RTC. De vier eerstgenoemde commissarissen hebben vóór dit voorstel gestemd en de twee laatstgenoemden tegen. Bij brief van 15 oktober 2014 hebben [W] (namens de volledige raad van commissarissen) en [A] de aandeelhouders medegedeeld dat de schorsing van [A] is opgeheven en dat de algemene vergadering van aandeelhouders van 16 oktober 2014 (zie 2.31) geen doorgang zal vinden.

2.34

Op 27 oktober 2014 hebben [A] en de commissarissen [I] en [J] , op verzoek van “een groep bestaande uit twee commissarissen en houders van aandelen” de aandeelhouders opgeroepen voor een algemene vergadering van aandeelhouders op 11 november 2014 met als agendapunten onder meer ontslag van commissarissen [W] , [AA] en [BB] en (zo nodig) opheffing van schorsing van [A] .

2.35

In een vergadering van de raad van commissarissen van 27 oktober 2014, waar [I] en [J] afwezig waren, hebben de overige commissarissen ( [W] , [AA] , [BB] en [K] ) besloten tot schorsing van [A] als bestuurder van RTC, omdat [A] niet bereid zou zijn te voldoen aan de voorwaarden verbonden aan de opheffing op 15 oktober 2014 van de schorsing op 6 oktober 2014.

2.36

De algemene vergadering van aandeelhouders van RTC heeft op 11 november 2014 [W] , [AA] , en [BB] ontslagen als commissarissen en heeft een voorstel tot ontslag van [A] als bestuurder verworpen. Het verslag van deze vergadering houdt voorts in dat de resterende commissarissen ( [K] , [I] en [J] ) de schorsing van [A] als bestuurder opheffen.

2.37

In de RvC-vergadering van 12 december 2014 is besloten dat [C] namens RTC Franchise in de RvC-vergadering verantwoording van het door Franchise gevoerde beleid zal afleggen en dat commissaris [J] de bestuursvergaderingen van Franchise zal bijwonen.

2.38

[W] en [AA] hebben zich bij brief van 15 december 2014 van mr. Haas, met het oog op een die avond te houden algemene vergadering van aandeelhouders, onder meer op het standpunt gesteld (a) dat besluitvorming in deze en eerdere algemene vergaderingen van aandeelhouders waarschijnlijk niet rechtsgeldig is omdat als gevolg van gebrekkige overdrachten van aandelen niet alle aandeelhouders zijn opgeroepen en personen die geen aandeelhouder zijn aan stemmingen hebben deelgenomen en (b) dat de voorgestelde benoeming van [CC] als (onafhankelijk) commissaris in strijd is met de in artikel 24 lid 3 van de statuten opgenomen leeftijdsgrens.

2.39

RTC heeft op een bijeenkomst op 5 januari 2015 aan haar aandeelhouders informatie verschaft over de gevolgen van het ontbreken van notariële akten van overdracht bij “levering” van de aandelen en over mogelijkheden dit probleem op te lossen.

2.40

Bij brief van 4 februari 2015 heeft [A] de aandeelhouders geïnformeerd over:

1. Sanering aandeelhoudersregister

2. RTC / RMC van Integratie naar samenwerking

3. Uitvoering intrekkingsbeleid uitbreidingsvergunningen

Over het sub 2 genoemde onderwerp houdt de brief onder meer in:

In 2003 werd de RMC opgericht en bracht RTC nagenoeg al het personeel in, bij alle taken die eveneens overgingen. Feitelijk werd RTC operationeel opgeheven en over de uitvoering van de door RMC overgenomen taken werd een zogenaamd Service Level Agreement opgesteld (…).

RTC staat na bijna 12 jaar integratie voor een moment van evaluatie.

(…)

RTC ondernemers en chauffeurs zijn minder tevreden omdat zij dagelijks rechtstreeks te maken hebben met de aansturing vanuit RMC. RTC heeft geen invloed gehad op de keuzes die RMC heeft gemaakt op de regie van het contractvervoer. (…) Wij hebben er bij RMC sterk op aangedrongen in 2015 verbeteringen door te willen voeren (…). Er is dus voor gekozen om de operaties voor meldkamers (…) tot nader orde bij RMC te laten en daarover nieuwe afspraken te maken in een nieuw op te stellen SLA.

(…)

Het is zonneklaar dat dochter RMC altijd het bedrijf zal zijn dat voor RTC zal inschrijven op de grote contracten in de regio waar RTC rijdt. En RTC zal de “most preferred” partner blijven voor die contracten. Maar daarnaast zal RTC ook weer een organisatie worden die medewerkers in loondienst zal hebben om enerzijds klaar te staan als andere vervoerders zich met werk melden en anderzijds ook weer zo functioneren met een herkenbaar eigen gezicht en loket waar RTC ondernemers zich net wat makkelijker zullen melden en thuisvoelen. (…) Financiering van het in dienst treden van medewerkers zal hoofdzakelijk gedaan worden vanuit de besparing die automatisch gaat plaatsvinden als de SLA tussen RTC en RMC minder omvangrijk en lager zal worden.

Over het sub 3 genoemde onderwerp (Uitvoering intrekkingsbeleid uitbreidings-vergunningen) houdt de brief onder meer in:

In 2013 hebben de aandeelhouders RTC een besluit genomen over het inkrimpen van het aantal deelnemende taxi’s op haar interne markt. Het besluit liet de keuze aan ondernemers om onder voorwaarden de zogenaamde uitbreidingsnummers nog te exploiteren tot 1 april 2015 of een uitbetaling te krijgen bij directe inlevering op dat moment. Van de ongeveer 150 uitbreidingsnummers werden er vele nummers al ingeleverd en uitbetaald. Een groep van ongeveer 19 ondernemers beschikt tot 1 april 2015 nog over 67 taxi’s (…). Conform het besluit van de aandeelhouders (…) zal dus op 1 april 2015 de exploitatie van al die nog uitstaande taxi’s komen te vervallen en beëindigd worden. (…)

Maar …..

Er doet zich een situatie voor die in 2013 niet voorzien kon worden en die ons noopt om maatwerk te maken voor de onduidelijkheid die op dit moment bestaat over het Vervoer op Maatcontract. Dit contract is aanbesteed en op 22 januari 2015 had duidelijk moeten zijn aan welke partij het contract gegund werd. De aanbesteding is echter stil gelegd en (…) het (…) ziet (…) er niet naar uit dat op korte termijn duidelijkheid zal zijn over de hervatting van de aanbesteding laat staan over de uitkomst daarvan en de start van de nieuwe contractperiode indien RMC het contract zou binnenhalen. De RMC en RTC zullen dus tot nader orde het VoM contract moeten blijven uitvoeren. (…)

Hieronder zullen wij uiteenzetten op welke wijze het bestuur met instemming van de Raad van Commissarissen uitvoering zal geven aan het besluit van de aandeelhouders in 2013 met in achtneming van de huidige bijzondere omstandigheden.

Besluit

● Alle uitbreidingsnummers worden per 1 april 2015 ingetrokken conform het besluit van de aandeelhoudersvergadering uit 2013.

● Omdat er nog geen duidelijkheid kan worden gegeven over het al dan niet uitbetalen van de 25% van de in 2013 vastgestelde uitkering zal het eventuele toekenning van de uitkering worden bevroren totdat die duidelijkheid in de loop van 2015 wel bestaat.

● Elke ondernemer die uitbreidingsnummers heeft kan in aanmerking komen om 50% van het aantal uitbreidingsnummers dat hij of zij nu heeft te mogen exploiteren onder een nieuw te sluiten overeenkomst met nieuwe voorwaarden.

● Bij ondernemers die maar 1 uitbreidingsnummer hebben en die in aanmerking willen komen om 50% te mogen gaan exploiteren onder een nieuw te sluiten overeenkomst met nieuwe voorwaarden geldt dat de afronding in hun belang naar boven zal zijn.

● Indien het VoM contract niet door RMC wordt verkregen en het huidige contract ten einde loopt dan verzoekt RMC de nummers in te trekken. De nieuwe overeenkomst zal onmiddellijk komen te vervallen.

● Indien het VoM contract wel door MC wordt binnengehaald zal er een uitbetaling plaatsvinden van de per 1 april 2015 ingeleverde uitbreidingsnummers conform afspraken.

● Nieuwe voorwaarden behorend bij een nieuwe overeenkomst voorzien in de inzet van een spitstaxi op roostertijden in de straattaxi; VoM uitbreidingsnummers als Caddy enkel bemand met maximaal 40 uur; als VoM bus als in ingedeeld rooster.

● Nieuwe voorwaarden behorend bij een nieuwe overeenkomst voorzien in de betaling door de ondernemers van een uitbreidingscontributie voor spitstaxi en VoM Caddy van € 35 per week; VoM bus van € 50 per week.

● Enkel bemande spitstaxi’s betalen een aangepaste reguliere algemene RTC contributie van € 125 in plaats van € 170, omdat ze op minder uren kunnen rijden.

● Roostertijden voor spitstaxi’s worden uiteengezet in een 1 op 1 gesprek door en met 2 commissarissen (de heren [K] en [I] ).

● Al deze afspraken dienen de instemming te verkrijgen van de paritaire commissie van RTC en RMC zoals afgesproken en toegelicht op de vergadering van aandeelhouders van 15 december 2014.

● Alle bovenstaande besluiten gelden in afwachting van de uitkomsten van de ontwikkelingen voor het WMO (Vervoer op Maat) contract en in eerste instantie gedurende die transitieperiode.

(…)

In aanvulling op de doelstellingen van de RTC om het aantal actieve taxi’s minder te laten worden in tijden van een krimpende markt is eveneens besloten om alle taxi’s, originele- en uitbreidingsnummers die beheerd worden via RTC Franchise B.V. weer in een rooster te laten rijden.”

2.41

Op 9 februari 2015 zijn [F] , [D] , [C] en [E] teruggetreden als bestuurder van RTC Franchise met als gevolg dat sindsdien het bestuur van RTC Franchise bestaat uit RTC en [B] . Diezelfde dag heeft RTC Franchise, daarbij vertegenwoordigd door [A] , managementovereenkomsten gesloten met [B] , [D] , [C] , [E] en [F] . De overeenkomsten met de drie eerstgenoemden houden onder meer in dat de managementvergoeding “ten minste € 4800,00 ex BTW per maand” bedraagt en de overeenkomsten met [E] en [F] vermelden een managementvergoeding van “ten minste € 2638,78 ex BTW per maand”. Alle overeenkomsten houden voorts in dat de overeenkomst slechts kan worden opgezegd tegen het einde van een kalenderjaar en dat RTC Franchise een opzegtermijn van 12 maanden in acht moet nemen (artikel 6.1).

2.42

Bij brief van 10 februari 2015 heeft mr. Haas namens verzoekers sub 1 tot en met 8 bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van RTC en RTC Franchise kenbaar gemaakt. De bezwaren hebben kort gezegd betrekking op (a) benadeling van een gedeelte van de aandeelhouders ten gunste van andere aandeelhouders, (b) de gang van zaken in de algemene vergadering van aandeelhouders van 11 november 2014, (c) de verdeling van voertuigen, ritten en vergunningen, (d) de gang van zaken binnen RTC Franchise in het bijzonder wat de omvang en beloning van het bestuur betreft en de invloed van persoonlijke belangen van bestuurders op het beleid, (e) onduidelijkheid over het houderschap van de aandelen in RTC, (f) de beloning van het bestuur van RTC, (g) handelen van RMC in strijd met de Mededingingswet en (h) kennelijk op handen zijnde wijzigingen in de verhouding tussen RTC en RMC. In de brief wordt verzocht een aantal maatregelen te treffen om aan deze bezwaren tegemoet te komen.

2.43

Bij brief van 24 februari 2015 heeft [A] namens RTC in reactie op het sub (h) genoemde bezwaar verwezen naar zijn brief van 4 februari 2015 (zie 2.40) en aangekondigd dat ter zake “even pas op de plaats wordt gemaakt” ter voorkoming van escalatie. RTC en RTC Franchise hebben bij brief van 10 maart 2015 de overige bezwaren in de brief van 10 februari 2015 weersproken en de verzochte maatregelen van de hand gewezen.

3 De gronden van de beslissing

3.

3.1

Verzoekers hebben aan hun stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van RTC en RTC Franchise en dat onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen bezwaren ten grondslag gelegd met betrekking tot de volgende onderwerpen:

  1. de wijze waarop de governance van RTC en RTC Franchise is ingericht, met name dat deze vennootschappen worden bestuurd door een beperkte kring personen die zich (mede) laten leiden door persoonlijke belangen en het ontbreken van voldoende checks and balances;

  2. de reeds lange tijd bestaande onrust en onvrede binnen RTC; blijkend uit de gang van zaken met betrekking tot ontslag en benoemingen van commissarissen;

  3. de gang van zaken in de aandeelhoudersvergadering van 11 november 2014;

  4. e (oneerlijke) verdeling van voertuigen, ritten en vergunningen en concurrentie binnen vennootschapverband;

  5. de gang van zaken binnen Goede Raad, OTB, STB en GRI en de weerslag daarvan op het beleid en gang van zaken van RTC en RTC Franchise;

  6. de gang van zaken binnen RTC Franchise, in het bijzonder wat betreft de beloning van het bestuur en de invloed van persoonlijke belangen van bestuurders op het beleid;

  7. onduidelijkheid over het houderschap van de aandelen in RTC;

  8. kennelijk op handen zijnde wijzigingen in de verhouding tussen RTC en RMC;

  9. handelen van RMC in strijd met de Mededingingswet;

  10. het daklichtenproject.

3.2

RTC en RTC Franchise hebben verweer gevoerd. Belanghebbenden hebben geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De Ondernemingskamer zal het verweer van RTC en RTC Franchise en het standpunt van belanghebbenden voor zover nodig hierna bespreken.

De ontvankelijkheid van verzoekers

3.3

RTC en RTC Franchise hebben aangevoerd dat verzoekers niet ontvankelijk zijn, omdat zij niet inhoudelijk hebben gereageerd op de brief van 10 maart 2015 waarin RTC en RTC Franchise hebben gereageerd op de bij brief van 10 februari 2015 geuite bezwaren en verzoekers niet bereid zijn gebleken over hun bezwaren overleg te voeren met het bestuur van RTC en RTC Franchise en evenmin hun bezwaar hebben voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders. De Ondernemingskamer verwerpt dit verweer. Verzoekers (sub 1 tot en met 8) hebben bij brief van 10 februari 2015 hun bezwaren voldoende kenbaar gemaakt. Gegeven de afwijzende reactie van RTC en RTC Franchise op hun bezwaren bij brief van 10 maart 2015, waren verzoekers niet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, gehouden nader overleg te voeren met RTC en RTC Franchise en evenmin hun bezwaren te doen agenderen op een aandeelhoudersvergadering.

3.4

Hoewel als gevolg van overdrachten van aandelen zonder notariële akte onzekerheid bestaat over het houderschap van een deel van de aandelen in RTC en voorts kennelijk onzekerheid bestaat over het precieze aantal geplaatste aandelen, nu ten aanzien daarvan in de gedingstukken verschillende aantallen worden genoemd, is tussen partijen niet in geschil dat, voor de toepassing van artikel 2:346 lid 1 sub b BW, verzoekers geacht kunnen worden ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal van RTC te vertegenwoordigen.

3.5

De Ondernemingskamer verstaat dat verzoekers hun enquêtebevoegdheid ten aanzien van RTC Franchise erop baseren dat RTC en RTC Franchise tezamen een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormen en dat binnen RTC Franchise geen sprake is van enig ten opzichte van RTC zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid en dat derhalve het beleid en gang van zaken van RTC Franchise de belangen van verzoekers als aandeelhouders van RTC evenzeer en op gelijke wijze raken als het beleid en gang van zaken van RTC zelf. RTC, RTC Franchise en de belanghebbenden hebben, afgezien van het in 3.3 verworpen verweer, niet bestreden dat verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoek ten aanzien van RTC Franchise.

De verdere beoordeling van het verzoek

3.6

De Ondernemingskamer gaat voorbij aan het verweer van RTC en RTC Franchise dat sommige verzoekers, in het bijzonder [W] en [AA] als commissarissen, betrokken zijn geweest bij het beleid en de gang van zaken die thans aan het verzoek ten grondslag liggen. Bij de beoordeling van de vraag of het enquêteverzoek toewijsbaar is, is immers niet van belang of een of meer verzoekers mede verantwoordelijkheid dragen voor het gevoerde beleid en de feitelijke gang van zaken, maar of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen

3.7

De Ondernemingskamer ziet aanleiding de sub a, d en f gerubriceerde bezwaren eerst te bespreken te bespreken.

a. de wijze waarop de governance van RTC en RTC Franchise is ingericht, met name de wijze waarop deze vennootschappen worden bestuurd door een beperkte kring personen die zich (mede) laten leiden door een persoonlijke belangen en het ontbreken van voldoende checks and balances;

3.8

De Ondernemingskamer constateert dat een relatief kleine groep personen in verschillende hoedanigheden betrokken is of was bij RTC en RTC Franchise en tevens bij een of meer rechtspersonen waarmee RTC en/of RTC Franchise vennootschappelijke of contractuele banden onderhoudt. Tot die groep behoren onder meer:

[A] : sinds 28 september 2000 bestuurder van RTC, sinds 26 juli 2011 indirect bestuurder van RTC Franchise en bestuurder van RMC;

[C] : van 26 juli 2011 tot 9 februari 2015 bestuurder van RTC Franchise, thans manager van RTC Franchise, en algemeen directeur van V.D.T. Taxi B.V. (hierna: VDT); VDT houdt 65 aandelen en de door VDT gehouden nummers worden via RTC Franchise “verfranchised”;

[B] : sinds 26 juli 2011 bestuurder van RTC Franchise en algemeen directeur van VDT;

[F] : bestuurder van GRI, OTB en STB, van 26 juli 2011 tot 9 februari 2015 bestuurder van RTC Franchise en thans manager van RTC Franchise;

[D] : commissaris van RMC en werknemer van RTC Franchise;

[I] : sinds 5 maart 2009 commissaris van RTC en werknemer van RMC.

3.9

De gang van zaken bij RTC en RTC Franchise roept twijfel op over de vraag of de belangen van RTC en RTC Franchise op voldoende zorgvuldige wijze worden onderscheiden van de belangen van de hierboven genoemde personen. Daartoe acht de Ondernemingskamer het volgende redengevend:

  1. Het feit dat [I] als werknemer van RMC ondergeschikt is aan [A] als bestuurder van RMC, doet in wezenlijke mate afbreuk aan de positie van [I] als commissaris van RTC, in welke hoedanigheid [I] immers geacht wordt toezicht te houden op het functioneren van [A] als bestuurder van RTC.

  2. [C] en [B] hebben, als bestuurders van VDT, een tegenstrijdig belang met RTC Franchise ten aanzien van (a) de voorwaarden waarop RTC Franchise de aan VDT toebehorende nummers “verfranchiset”, (b) de voorwaarden waarop VDT als “franchisenemer” gebruik kan maken van nummers die door RTC Franchise worden “verfranchised”, (c) de voorwaarden waarop RTC Franchise personeelsleden van VDT in dienst neemt (zie de e-mailwisseling van 18 en 19 maart 2013, aangehaald in 2.24), (d) de voorwaarden waarop zij als bestuurders en/of managers werkzaam zijn voor RTC Franchise (e) de wijze waarop het door RMC aangeboden werk wordt verdeeld.

  3. De hieronder (in 3.12-3.14) te bespreken gang van zaken met betrekking tot de uitbreidingsnummers.

  4. Het hieronder (in 3.15) te bespreken gebrek aan transparantie ten aanzien van de rol die [A] speelt bij de verdeling van het door RMC aangeboden werk.

  5. De hieronder (in 3.18) te bespreken gang van zaken binnen RTC Franchise.

3.10

Het enkele feit dat de raad van commissarissen van RTC in december 2014 heeft besloten dat een van de commissarissen, te weten [J] , ook, naar RTC en RTC Franchise hebben gesteld, toezicht zal houden op het bestuur van RTC Franchise, neemt de gerezen twijfel niet weg, nog daargelaten dat RTC Franchise geen raad van commissarissen kent en het door [J] uit te oefenen toezicht dus geen wettelijke of statutaire grondslag heeft en het enkele bijwonen van bestuursvergaderingen van RTC Franchise niet toereikend is als toezicht.

3.11

Voor zover verzoekers hun stelling dat RTC een beperkte groep aandeelhouders bevoordeelt doen steunen op de stelling dat RTC aan sommige aandeelhouders een geldlening heeft verstrekt, verwerpt de Ondernemingskamer dat argument, omdat RTC en RTC Franchise onweersproken hebben gesteld dat het verstrekken van financieringen aan aandeelhouders niet beperkt is tot een beperkte groep aandeelhouders.

d. de (oneerlijke) verdeling van voertuigen, ritten en vergunningen en concurrentie binnen vennootschapverband

3.12

Uit de hierboven onder 2 weergegeven feiten blijkt ten aanzien van de uitbreidingsnummers het volgende.

  • -

    De uitbreidingsnummers zijn vanaf 1999 uitgegeven om te kunnen voldoen aan de toegenomen vraag naar taxivervoer en zijn contractueel tijdelijk van aard en beperkt inzetbaar (zie 2.8).

  • -

    Toen de vraag naar taxivervoer vanaf 2008 afnam heeft RTC aanvankelijk het “1-op-1-beleid” gevoerd om het aantal uitbreidingsnummers terug te brengen (zie 2.13).

  • -

    De algemene vergadering van aandeelhouders heeft op 5 november 2009 besloten tot betaling van € 15.000 per uitbreidingsnummer ouder dan tien jaar (zie 2.14) en in de aandeelhoudersvergadering van 5 februari 2010 heeft [A] medegedeeld dat ook jongere uitbreidingsnummers in aanmerking komen voor een vergoeding afhankelijk van de uitgiftedatum (zie 2.15).

  • -

    De algemene vergadering van aandeelhouders van 14 april 2011 heeft besloten originele nummers in het daartoe op te richten RTC Franchise in te brengen en te “verfranchisen” (zie 2.17).

  • -

    In verband met het verder teruglopen van de vraag naar taxivervoer is in april 2012 besloten verplicht volgens een rooster te rijden en geen uitbreidingsnummers meer te “verfranchisen” (zie 2.21).

  • -

    Het bestuur en raad van commissarissen heeft op 29 juni 2012 besloten de gestaffelde vergoeding bij inlevering van een uitbreidingsnummers te verhogen met € 2.500 bij elke trede (zie 2.22 en 2.23).

  • -

    De algemene vergadering van aandeelhouders heeft op 10 juni 2013 besloten dat alle uitbreidingsnummers komen te vervallen per 1 april 2015, dat tot 1 november 2013 uitbreidingsnummers kunnen worden ingeleverd tegen betaling van de helft van de eerder vastgestelde, gestaffelde vergoeding en dat indien RMC het VoM-contract behoudt de houders van uitbreidingsnummers 25% ontvangen van de eerder vastgestelde, gestaffelde vergoeding (zie 2.25).

  • -

    Op 4 februari 2015 heeft [A] aan de aandeelhouders bekendgemaakt dat het bestuur en raad van commissarissen heeft besloten, in afwijking van het besluit van de algemene vergadering van 10 juni 2013, houders van uitbreidingsnummers in staat te stellen de helft van het aantal gehouden nummers, met een minimum van één, te behouden onder voorwaarde van een nieuwe overeenkomst (zie 2.40).

3.13

Verzoekers hebben onweersproken gesteld dat RTC in 2012 € 510.000 heeft besteed aan de inkoop van uitbreidingsnummers en in 2013 € 66.650.

3.14

De Ondernemingskamer plaatst vraagtekens bij het beleid ten aanzien van de uitbreidingsnummers.

( i) Uit de inhoud van de aansluitingsovereenkomst met betrekking tot de uitbreidingsnummers (zie 2.8) volgt dat de uitbreidingsnummers vanaf de uitgifte daarvan een tijdelijk karakter hadden; de uitbreidingsnummers zijn aanvankelijk uitgegeven voor de periode van een jaar met de mogelijkheid tot verlenging met drie keer een jaar. Dit bood RTC de mogelijkheid, toen vanaf 2008 de vraag naar taxivervoer afnam, de uitbreidingsnummers te beëindigen door opzegging van de desbetreffende aansluitingsovereenkomsten. In het licht daarvan is onvoldoende duidelijk waarom RTC ervoor gekozen heeft in plaats daarvan aandeelhouders te bewegen tot het inleveren van uitbreidingsnummers tegen betaling door RTC van een aanzienlijke vergoeding, welke vergoeding nadien bovendien nog iets is verhoogd. Dat klemt te meer omdat, zoals RTC en RTC Franchise hebben gesteld, indertijd (in 1999) weliswaar alle aandeelhouders in de gelegenheid zijn gesteld een uitbreidingsnummers te verwerven, maar in de praktijk vooral de grotere taxi-ondernemers uitbreidingsnummers hebben verworven. Omdat de uitbreidingsnummers aldus niet evenredig over alle aandeelhouders waren verdeeld impliceert de keuze uitbreidingsnummers in te kopen in plaats van de desbetreffende aansluitingsovereenkomst op te zeggen, dat het met de inkoop in 2012 en 2013 gemoeide bedrag van € 576.650 feitelijk is aangewend ten behoeve van een beperkte groep aandeelhouders.

( ii) Hoewel RTC steeds heeft benadrukt (zie 2.15, 2.19, 2.20, 2.23, 2.25) dat het aantal uitbreidingsnummers vanaf 2008 werd teruggebracht teneinde het aanbod van taxivervoer te verminderen in overeenstemming met de teruglopende vraag, heeft het in de praktijk gevoerde beleid niet daadwerkelijk geleid tot de bedoelde afname van het aanbod, omdat de ingekochte nummers door RTC via RTC Franchise zijn “verfranchised”. Bovendien is onduidelijk waarom de regel dat de uitbreidingsnummers alleen ingezet konden worden in de spitsuren, niet is gehandhaafd, in het bijzonder toen de vraag naar taxivervoer terugliep. Voorts valt op dat volgens de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van 14 april 2011 is besloten tot het via RTC Franchise “verfranchisen” van originele nummers en dat een uitdrukkelijk besluit om (ook) uitbreidingsnummers via RTC Franchise te “verfranchisen” niet uit stukken blijkt.

( iii) De besluitvorming over een en ander is ondoorzichtig en is niet gepaard gegaan met adequate informatieverschaffing aan de aandeelhouders over de overwegingen van het bestuur (en de raad van commissarissen) die ten grondslag liggen aan de verschillende voorstellen die zijn besproken in de algemene vergadering van aandeelhouders. Evenmin is steeds duidelijk of de desbetreffende besluiten behoorden tot de bevoegdheid van het bestuur dan wel tot de bevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders. Zo is de uitbreiding van het inkoopprogramma tot uitbreidingsnummers jonger dan tien jaar in de algemene vergadering van aandeelhouders als mededeling van [A] gepresenteerd, terwijl het aanvankelijke besluit tot betaling van € 15.000 alleen voor uitbreidingsnummers ouder dan tien jaar tot stand is gekomen door stemming in de algemene vergadering van aandeelhouders.

( iv) Het is niet duidelijk welke overwegingen ten grondslag liggen aan het op 4 februari 2015 door [A] bekend gemaakte besluit inhoudende dat houders van uitbreidingsnummers bij verval van die nummers per 1 april 2015 in aanmerking komen voor nieuwe uitbreidingsnummers in de verhouding 2:1 met een minimum van 1. In het bijzonder heeft RTC onvoldoende toegelicht waarom gekozen is voor een systeem waarin alleen degenen die reeds over een uitbreiding beschikken (en niet andere aandeelhouders) in aanmerking komen voor nieuwe uitbreidingsnummers.

3.15

Twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken wordt voorts opgeroepen door de niet transparante wijze waarop [A] in zijn rol van bestuurder van RTC als “most preferred supplier” van RMC en zijn rol als medebestuurder van RMC als opdrachtgever van RTC de verdeling van het contractvervoer over de aandeelhouders van RTC beïnvloedt en/of bepaalt. Ook in reactie op daarop gerichte vragen bij de mondelinge behandeling heeft [A] niet duidelijk kunnen maken hoe en aan de hand van welke criteria die verdeling plaatsvindt en evenmin dat het resultaat daarvan steeds leidt tot een evenredige verdeling en dat alle aandeelhouders in staat gesteld worden een evenredig deel van het werk te verrichten. Nu uit de uitlatingen van [A] ter zitting moet worden opgemaakt dat RTC actieve bemoeienis heeft met de verdeling van het door RMC aangeboden werk, kan niet gezegd worden dat die verdeling niet behoort tot het beleid en de gang van zaken van RTC, zoals RTC ten verwere heeft aangevoerd.

3.16

RTC en RTC Franchise hebben aangevoerd dat de vraag of de taxiritten al dan niet eerlijk worden verdeeld slechts een vermogensrechtelijk geschil is met betrekking tot de aansluitingsovereenkomst – onder meer inhoudende dat RTC zorg draagt voor een “evenredige en inzichtelijke verdeling van de ontvangen vervoeropdrachten over de bij RTC aangesloten vervoerders” (zie 2.5) – en dat de gewone civiele rechter te Rotterdam ter zake bevoegd is. Dit verweer miskent dat, gelet op de bijzondere aard van de verhouding tussen RTC en haar aandeelhouders, welke wordt gekarakteriseerd door de omstandigheid dat RTC haar aandeelhouders, in meerderheid zelfstandige taxi-ondernemers, faciliteert door zorg te dragen voor de werving en verdeling van vervoeropdrachten, de wijze van verdeling van het taxivervoer nauw samenhangt met het beleid en de gang van zaken binnen RTC en niet beperkt is tot de verbintenisrechtelijke verhouding tussen RTC en een individuele taxi-ondernemer.

3.17

Gelet op hetgeen RTC en RTC Franchise hebben gesteld over het specifieke karakter van het leerlingenvervoer (type voertuigen, specifieke tijden, exploitatierisico’s) kan niet gezegd worden dat het beleid en de gang van zaken ten aanzien van de leerlingnummers gegronde twijfel oplevert over de juistheid van dat beleid en de gang van zaken, afgezien van hetgeen hierboven werd overwogen ten aanzien van de verdeling van het werk.

f. de gang van zaken binnen RTC Franchise, in het bijzonder wat betreft de omvang en beloning van het bestuur en de invloed van persoonlijke belangen van bestuurders op het beleid

3.18

De Ondernemingskamer plaatst vraagtekens bij een aantal aspecten van de gang van zaken binnen RTC Franchise.

( i) Zoals in het rapport van C&L (zie 2.32) wordt geconstateerd is de omzet van RTC Franchise in 2013 aanzienlijk gestegen ten opzichte van 2012, maar is het bedrijfsresultaat als percentage van de omzet aanmerkelijk gedaald, vooral als gevolg van een stijging van de personeelskosten. RTC en RTC Franchise hebben gesteld dat de vergoeding van [B] , [C] , [E] , [F] en [D] in 2012 € 3.600 exclusief btw per persoon per maand bedroeg en in 2013 € 4.800 exclusief btw per persoon per maand. Een redelijke verklaring voor deze zeer aanzienlijke stijging hebben RTC en RTC Franchise niet gegeven.

( ii) In de op 9 februari 2015 gesloten managementovereenkomsten met [B] , [C] , [E] , [F] en [D] (zie 2.41) is een ongebruikelijke en voor RTC Franchise nadelige opzegtermijn opgenomen, inhoudende dat RTC Franchise een opzegtermijn van 12 maanden in acht moet nemen en dat bovendien door RTC Franchise slechts kan worden opgezegd tegen het einde van een kalenderjaar. Een redelijke verklaring voor deze ongebruikelijke bepaling hebben RTC en RTC Franchise niet gegeven.

( iii) Mede in het licht van het bovenstaande en gelet op de tegenstrijdige belangen van in het bijzonder [B] en [C] (zie hierboven onder 3.9), is er reden te betwijfelen of de bedrijfsvoering van RTC Franchise steeds zakelijk is en niet wordt vertroebeld door andere belangen dan het vennootschappelijk belang van RTC Franchise. Dit geldt in het bijzonder voor de omvang, samenstelling en beloning van het personeel en de gehanteerde “franchisetarieven”.

3.19

Het feit dat naar aanleiding van het rapport van C&L enige maatregelen zijn getroffen, zoals RTC en RTC Franchise hebben aangevoerd, (onder andere het terugbrengen van het aantal bestuurders van RTC Franchise naar twee bestuurders, te weten RTC en [B] , het sluiten van bovengenoemde managementovereenkomsten en de deelname van [C] en van [J] aan respectievelijk RvC-vergaderingen van RTC en bestuursvergaderingen van RTC Franchise, zie hierboven onder 3.10) doet aan deze overwegingen niet af.

b. De reeds lange tijd bestaande onrust en onvrede binnen RTC blijkend uit de gang van zaken met betrekking tot ontslag en benoemingen van commissarissen

3.20

Het feit dat op 5 januari 2009 de voltallige raad van commissarissen, waaronder [C] en [F] zijn ontslagen (zie 2.12) en dat [C] en [B] op 5 februari 2014 opnieuw zijn ontslagen als commissarissen en [F] toen is teruggetreden als commissaris (zie 2.28) biedt geen grond voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken. De overige door verzoekers onder deze noemer naar voren gebrachte bezwaren hebben, naast de hierboven sub a en d reeds besproken feiten en omstandigheden, geen zelfstandige betekenis en behoeven derhalve geen afzonderlijke bespreking.

c. De gang van zaken in de aandeelhoudersvergadering van 11 november 2014

3.21

In dit kader hebben verzoekers aangevoerd dat GRI “mogelijk” niet voldoet aan de in artikel 5 lid 6 van de statuten (zie 2.2) gestelde eisen aan het aandeelhouderschap. De Ondernemingskamer ziet daarin geen gegronde reden om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen omdat, mede gelet op het feit dat GRI al jarenlang aandeelhouder is zonder dat dit eerder op bezwaren is gestuit, aannemelijk is dat, zoals RTC en RTC Franchise hebben aangevoerd, GRI voldoet aan het bepaalde in artikel 5 lid 6 sub f van de statuten, te weten dat zij naar het oordeel van de raad van commissarissen en de algemene vergadering van aandeelhouders rechtstreeks belang heeft bij de redelijke en duurzame uitoefening van het vervoerbedrijf. Het feit dat een formeel daartoe strekkend besluit van de raad van commissarissen en de algemene vergadering ontbreekt doet daar niet aan af.

3.22

Verzoekers hebben voorts aan de orde gesteld de wijze waarop verschillende (groepen van) aandeelhouders in de vergadering van 11 november 2014 hebben gestemd en dat dit stemgedrag beïnvloed zou zijn door oneigenlijke belangen.

3.23

Afgezien van het feit dat de juistheid van de analyse van verzoekers van het stemgedrag van de aandeelhouders is betwist en niet controleerbaar is nu anoniem is gestemd, geldt dat het de aandeelhouders in beginsel vrij staat zich bij het uitbrengen van hun stem in de algemene vergadering te laten leiden door hun eigen belang. Verzoekers hebben onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het stemgedrag van een of meer aandeelhouders (niettemin) aangemerkt zou kunnen worden als gegronde reden om aan een juiste gang van zaken te twijfelen.

e. De gang van zaken binnen Goede Raad, OTB, STB en GRI en de weerslag daarvan op het beleid en gang van zaken van RTC en RTC Franchise

3.24

De Ondernemingskamer stelt voorop dat het enquêteverzoek geen betrekking heeft op Goede Raad, OTB, STB en GRI en dat bezwaren van verzoekers die erop neerkomen dat er reden is om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken van deze rechtspersonen daarom buiten beschouwing blijven. Dit geldt in het bijzonder voor de stellingen van verzoekers dat het functioneren van deze rechtspersonen onvoldoende transparant is, dat de zeggenschap STB en/of GRI in RTC toeneemt door het groeiende aantal aandelen dat STB houdt (met terbeschikkingstelling van de corresponderende nummers aan RTC Franchise), dat OTB activiteiten verricht waarvoor een bankvergunning vereist is waarover zij niet beschikt en dat de achterban van GRI onvoldoende invloed heeft op het stemgedrag van GRI als aandeelhouder van RTC. Verzoekers hebben geen concrete feiten en omstandigheden gesteld ten aanzien van Goede Raad, OTB, STB en GRI die gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van RTC of RTC Franchise te twijfelen.

g. Onduidelijkheid over het houderschap van de aandelen in RTC

3.25

Tussen partijen is niet in geschil dat onduidelijkheid bestaat over het houderschap van een deel van de aandelen in RTC als gevolg van “overdrachten” van aandelen zonder notariële akte (zie ook 3.4). Evenmin is in geschil dat dit een onwenselijke situatie is mede vanwege de onzekerheid over de geldigheid van besluitvorming door de algemene vergadering van aandeelhouders die daarvan het gevolg is. De Ondernemingskamer constateert dat RTC na de brief van notaris mr. Wery van 19 mei 2010 (zie 2.16) weinig voortvarendheid heeft betracht ten aanzien van de oplossing van dit probleem. Anderzijds is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling gebleken dat er binnen RTC geen onzekerheid bestaat over de vraag aan wie de aandelen materieel of economisch toebehoren. Omdat een enquêteprocedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag op welke wijze het onderhavige probleem het beste kan worden opgelost en evenmin is in te zien dat een onderzoek nader licht kan werpen op het op dit punt tot op heden door RTC gevoerde verweer, oordeelt de Ondernemingskamer dat er onvoldoende grond is dit onderwerp in het te gelasten onderzoek te betrekken.

h. Kennelijk op handen zijnde wijzigingen in de verhouding tussen RTC en RMC

3.26

De hier bedoelde bezwaren van verzoekers hebben betrekking op hetgeen [A] in zijn brief van 4 februari 2015 heeft geschreven over “RTC/RMC van Integratie naar samenwerking” (zie 2.40). Verzoekers stellen dat [A] daarover besprekingen heeft gevoerd met [L] als bestuurder van RMC zonder voorafgaande afstemming met de aandeelhoudersvergadering van RTC en dat besluitvorming over dit onderwerp op grond van artikel 2:107a BW voorafgaande goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering behoeft.

3.27

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Uit de brief van 4 februari 2015 en de stellingen van partijen kan niet worden opgemaakt dat [A] aanstuurt op een wijziging in de verhouding tussen RTC en RMC van zodanige aard dat voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders vereist is. Bovendien heeft [A] in zijn brief van 24 februari 2015, in reactie op de door verzoekers sub 1 tot en met 8 geuite bezwaren, te kennen gegeven ten aanzien van dit onderwerp “een pas op de plaats” te maken. Gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen levert een en ander derhalve niet op.

i. Handelen van RMC in strijd met de Mededingingswet

3.28

Deze bezwaren hebben betrekking op tussen RMC en derden (IJsselsteden Taxi Combinatie en de Bios-groep) (naar de Ondernemingskamer begrijpt in 2009) gesloten overeenkomsten, die – naar verluidt van een nieuwsbericht van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) – de ACM aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van boetes, onder meer aan RMC en aan [A] als leidinggevende van RMC. Deze besluiten van de ACM zijn voorwerp van bestuursrechtelijke procedures.

3.29

De Ondernemingskamer stelt voorop dat het enquêteverzoek niet mede tegen RMC is gericht. Anders dan verzoekers aanvoeren, volgt uit het enkele feit dat [A] als bestuurder van RMC betrokken was bij de gewraakte overeenkomsten met IJsselsteden Taxi Combinatie en de Bios-groep niet dat [A] niet als bestuurder van RTC kan aanblijven. Bijkomende omstandigheden ten aanzien van dit onderwerp die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

j. Het daklichtenproject

3.30

De onder deze noemer geuite bezwaren hebben betrekking op een – mislukt – project gericht op de aanschaf van innovatieve taxidaklichten. Het enkele feit dat het project mislukt is en dat, mede als gevolg van het faillissement van de desbetreffende leverancier, het project heeft geleid tot aanzienlijke vergeefse kosten voor RTC, is geen gegronde reden om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van RTC te twijfelen. Voldoende concrete bijkomende feiten en omstandigheden die grond voor zodanige twijfel opleveren zijn niet gesteld. De suggestie van verzoekers dat [A] persoonlijk zou hebben geprofiteerd van het project hebben verzoekers, ook na daarop gerichte vragen bij de mondelinge behandeling, niet met enig concreet feit kunnen onderbouwen.

Tussenconclusie

3.31

De hierboven in 3.9, 3.14, 3.15 en 3.18 weergegeven overwegingen leiden, mede in onderling verband beschouwd, tot de conclusie dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en juiste gang van zaken van RTC en RTC Franchise te twijfelen.

3.32

De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten over de periode vanaf 2009 met betrekking tot de in de hierboven genoemde overwegingen genoemde aspecten van het beleid en de gang van zaken van RTC en RTC Franchise.

3.33

De Ondernemingskamer overweegt ten aanzien van het te gelasten onderzoek nog het volgende. Omdat het te gelasten onderzoek een geringere reikwijdte heeft dan het door verzoekers verzochte onderzoek en omdat RTC en RTC Franchise belang hebben bij beperking van de kosten van het onderzoek, zal de Ondernemingskamer volstaan met de benoeming van één onderzoeker, waar verzoekers verzocht hebben drie onderzoekers te benoemen. Niet te verwachten is dat het aldus te gelasten onderzoek zal leiden tot kosten die RTC en RTC Franchise in redelijkheid niet kunnen dragen.

Onmiddellijke voorzieningen

3.34

In het licht van de overwegingen die ten grondslag liggen aan de toewijzing van het enquêteverzoek acht de Ondernemingskamer het nodig, bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding, een onafhankelijke commissaris van RTC en RTC Franchise te benoemen met bepaling dat de te benoemen commissaris een beslissende stem zal hebben in de raad van commissarissen van RTC en dat alle voorstellen die het bestuur aan de algemene vergadering van aandeelhouders van RTC voorlegt, zijn onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de raad van commissarissen.

3.35

Bij het treffen van deze voorziening heeft de Ondernemingskamer mede in aanmerking genomen dat uit de stukken en bij de mondelinge behandeling is gebleken dat alle partijen verwachten dat een of meer onafhankelijke commissarissen in positieve zin zullen bijdragen aan het naar behoren functioneren van (de organen van) RTC en RTC Franchise. De Ondernemingskamer ziet daarom (thans) geen aanleiding voor het treffen van meer of andere voorzieningen

Kosten

3.36

RTC en RTC Franchise zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van verzoekers.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en RTC Franchise B.V., beide gevestigd te Rotterdam, met betrekking tot de in rechtsoverweging 3.9, 3.14, 3.15 en 3.18 genoemde onderwerpen, over de periode vanaf 1 januari 2009;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 50.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en RTC Franchise B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dienen te stellen;

benoemt mr. G.C. Makkink tot raadsheer-commissaris;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot commissaris van Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en RTC Franchise B.V. met beslissende stem binnen de raad van commissarissen van Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en bepaalt dat alle voorstellen die het bestuur aan de algemene vergadering van aandeelhouders van Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. voorlegt zijn onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de raad van commissarissen;

bepaalt dat het salaris en de kosten van deze commissaris ten laste komen van Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en RTC Franchise B.V. en dat Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en RTC Franchise B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de commissaris zekerheid dienen te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;

veroordeelt Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en RTC Franchise B.V. hoofdelijk in de kosten van het geding aan de zijde van verzoekers, tot op heden begroot op € 3.393;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking voor uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L Broekhuijsen-Molenaar en mr. R.M. Beltzer, raadsheren, en H. de Munnik en mr. J.B.M. Streppel, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 11 september 2015.