Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3634

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
14.00195
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:1901, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1036
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omkering en verzwaring bewijslast. Belanghebbende doet ook met de in hoger beroep overgelegde gegevens niet blijken dat de bestreden uitspraak op bezwaar onjuist is, aangezien het ook met die aanvullende gegevens niet mogelijk is om een controleerbaar inzicht te verkrijgen in het totaal en de volledigheid van de in 2007 door belanghebbende gerealiseerde omzet. De aanslag berust op een redelijke schatting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1945
FutD 2015-2255
NTFR 2015/2782 met annotatie van mr. N. ten Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00195

13 augustus 2015

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X BV] , te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: H.M. van Vliet te Hilversum,

tegen de uitspraak van 21 februari 2014 in de zaak met kenmerk AWB 12/2699 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 5 juni 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting (Vpb) berekend naar een belastbaar bedrag van € 115.000. Gelijktijdig met deze aanslag is een bedrag van € 3.355 aan heffingsrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd van
€ 1.134.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 2 mei 2012, de aanslag en de verzuimboete gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 21 februari 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 april 2014, aangevuld bij brief van 30 april 2014. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.1.

Op 27 mei 2015, 28 mei 2015, 1 juni 2015 en 2 juni 2015 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.2.

Bij brief van 26 mei 2015 heeft belanghebbende aangekondigd dat zij een getuige naar de zitting van het Hof zal meebrengen. Ter zitting is geen getuige verschenen.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin – alsook in het onder 4 aangehaalde deel van de rechtbankuitspraak – aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’:


“Eiseres is door verweerder uitgenodigd voor het jaar 2007 aangifte Vpb te doen. Ook nadat verweerder eiseres een herinnering en een aanmaning voor het doen van aangifte heeft gestuurd, heeft eiseres over dat jaar geen aangifte Vpb gedaan. Verweerder heeft vervolgens eiseres ambtshalve de aanslag opgelegd op basis van een belastbaar bedrag van € 115.000, en daarnaast eiseres een verzuimboete opgelegd van € 1.134.”


Nu tegen deze feiten geen bezwaren zijn aangevoerd, zal ook het Hof van die feiten uitgaan. Het Hof voegt daar nog de volgende feiten aan toe.

2.2.1.

Belanghebbende, sinds april 2006 handelend onder de naam [A] , is gevestigd op het adres [a-straat] te [Z] . Enig bestuurder/aandeelhouder van belanghebbende is [B] . [B] is tevens enig aandeelhouder van [C BV] Deze vennootschap vormt een fiscale eenheid met vier dochtervennootschappen, te weten: [D BV] , [E BV] (handelend onder de naam [E] ), [F BV] (handelend onder de naam [F] ) en [G BV]

2.2.2.

Voor het jaar 2007 is door [C BV] geen aangifte Vpb gedaan.

2.3.

De aanslag Vpb 2007 ten name van belanghebbende is door de inspecteur als volgt schattenderwijs vastgesteld aan de hand van de ingediende aangifte omzetbelasting:

Omzet volgens aangifte omzetbelasting: € 382.461
Kosten (= voorbelasting 47.670/19%) -/- 250.000
Loonkosten -/- 20.000
Belastbaar bedrag € 115.000

2.4.1.

Tot de stukken behoort een ‘huurcontract bedrijfsruimte’ van 23 oktober 2001 waarin onder meer het volgende is vermeld:


“(…) [H BV] [hierna: [H] ] (…) verklaart te hebben verhuurd aan (…) [D BV] , [b-straat] te [Z] (…) die verklaart (…) te hebben gehuurd de bedrijfsruimte (…) op de begane grond en twee kelders, gelegen aan de [b-straat] te [Z] (…).”

2.4.2.

In maart 2006 zijn [D BV] als verhuurder en belanghebbende als huurder een overeenkomst van (onder) huur van de bedrijfsruimte [b-straat] te [Z] (hierna: het pand) overeengekomen. In de daarvan door belanghebbende overgelegde overeenkomst is vermeld dat daarop de bepalingen van kracht zijn die zijn opgenomen in de huurovereenkomst tussen [H] en [D BV]

2.4.3.

In een brief van [H] aan [D BV] van 9 mei 2006 is het volgende vermeld:

“Wij constateren dat bovenvermelde winkel per 19 april jl. in gebruik is genomen door [A] ( [X BV] ). (…)”.

2.4.4.

Bij brief aan [H] van 21 juli 2006 heeft [D BV] aan [H] toestemming gevraagd voor het aan belanghebbende (onder) verhuren van het pand.

2.4.5.

Tot de stukken behoren 14 (kopieën van) rekeningafschriften van [D BV] waarin twaalf maandelijkse betalingen van huur aan [H] zijn vermeld. Het gaat om een bedrag van in totaal € 40.425,96. Voorts is hierop een overmaking aan [H] van € 1.996,47 vermeld (d.d. 12 november 2007), onder de vermelding “aftrek elektra 2006”. Op deze rekeningafschriften zijn tevens maandelijks door [D BV] ontvangen bedragen vermeld van een rekening met telkens als omschrijving “ [A] ”, voor een totaalbedrag van € 38.755.

2.4.6.

In een rapport van een controle omzetbelasting bij [C BV] , gedagtekend 31 maart 2010, is onder meer het volgende vermeld:


“6. Onroerend goed
[C BV] en de winkel van [F] zijn gevestigd op het adres [a-straat] te [Z] . Dit pand wordt met berekening van omzetbelasting gehuurd.
De winkel van [E] is gevestigd in [c-straat] te [Y] . Ook dit pand wordt met berekening van omzetbelasting gehuurd.
[I] was tot augustus 2006 gevestigd aan de [b-straat] te [Z] . Dit pand werd zonder berekening van omzetbelasting gehuurd van [D BV] Vanaf augustus 2006 wordt het pand [d-straat] gehuurd.”

2.4.7.

In een brief van 28 mei 2015 van [H] aan [D BV] is het volgende vermeld:


“Sinds het sluiten van de huurovereenkomst op 25 maart 1991 tot en met heden is over de huurprijs voor het gehuurde aan de [b-straat] te [Z] geen omzetbelasting in rekening gebracht door [ [H] ].”

2.5.1.

In het verweerschrift in hoger beroep is onder meer vermeld:


“Na raadpleging van het archief heb ik geconstateerd dat er in 2007 inderdaad aangiften loonheffing zijn ingediend en dat er daadwerkelijk loonheffing is afgedragen.”

2.5.2.

Tevens is in dat verweerschrift vermeld:


“(…) gemachtigde heeft (…) in zijn bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting 2007 van (…) [B] aangegeven dat er voor belanghebbende nagenoeg geen arbeid is verricht in dat jaar. Met [de] bezwaarbehandelaar is hij ter zake van de gebruikelijk looncorrecties het volgende overeengekomen (…):

1.1.1

loon [C BV] en [belanghebbende]
Uiteindelijk zijn wij overeengekomen dat het gebruikelijk loon voor de aanslag inkomstenbelasting 2007 wordt vastgesteld op € 39.000 (gesplitst in [C BV] € 29.905 en [X BV] € 9.095).

2.6.

Ter zitting is namens belanghebbende het volgende verklaard:

“Bij belanghebbende geschieden betalingen per betaalautomaat of contant. De betalingen per betaalautomaat worden rechtstreeks naar belanghebbende overgemaakt. De contante betalingen worden, voor de drie winkels tezamen, periodiek overgeschreven naar [F BV] Wanneer er vervolgens door de winkels uitgaven gedaan dienen te worden maakt [F BV] het benodigde bedrag, afkomstig uit de storting van de contante opbrengst, over. De desbetreffende ontvangen bedragen zijn daarom eerder aan te merken als een soort rekening-courant. De ontvangen bedragen konden namelijk resulteren in een vordering of een schuld. De overgemaakte bedragen vormen dus geen belastbare winst.

(…) De kasstukken van 2007 zijn onvindbaar. Dit is dan ook de reden dat er door belanghebbende geen aangifte is gedaan. Het is niet de bedoeling stukken achter te houden. In andere jaren is er namelijk wel altijd aangifte gedaan.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals voor de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de ambtshalve opgelegde aanslag naar de juiste hoogte is vastgesteld.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:


“4.1. Nu niet in geschil is dat eiseres, hoewel zij daartoe was uitgenodigd, geen aangifte Vpb heeft gedaan, dient de rechtbank het beroep tegen de aanslag ongegrond te verklaren tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Dit betekent dat eiseres moet doen blijken (dat wil zeggen: overtuigend aantonen) dat en in hoeverre de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.2.

Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij niet overtuigend aangetoond dat verweerder het belastbaar bedrag te hoog heeft vastgesteld. Ten aanzien van het door haar voorgestane resultaat komt eiseres niet met een sluitend betoog. Verweerder heeft gemotiveerd bestreden dat eiseres aangiftes loonbelasting heeft gedaan. De loongegevens die eiseres heeft overgelegd, geven onvoldoende inzicht in de werkelijk gemaakte loonkosten. Hetzelfde heeft te gelden voor de drie door eiseres overgelegde rekeningafschriften waarin betalingen aan verweerder zijn opgenomen, die – naar eiseres stelt – mede betrekking hebben op afdracht van loonbelasting. Niet aannemelijk is geworden dat - waar verweerder is uitgegaan van een door eiseres aan haar directeur betaald loon van € 20.000 - eiseres feitelijk een hoger loon heeft uitbetaald aan dan wel heeft verrekend met de directeur, dan wel loon heeft betaald aan andere werknemers. Verder heeft eiseres geen informatie verstrekt over de (betalingen van de) door haar betaalde huur. Hetgeen eiseres hierover heeft verklaard heeft betrekking op de huurovereenkomst van [D BV] met verhuurder [H BV] en betreft niet over de onderhuurovereenkomst van eiseres met [D BV] De diverse stukken die eiseres verder heeft overgelegd, maken een en ander niet anders.

4.3.

Eiseres heeft ter zitting de rechtbank verzocht om het vooronderzoek te heropenen teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zijn loonbelastingsysteem te raadplegen ten aanzien van de door eiseres gestelde, door haar gedane loonbelastingafdrachten.
De rechtbank heeft hiertoe echter geen aanleiding gezien. Eiseres draagt immers op dit punt de bewijslast. Voor zover eiseres zelf nog nadere gegevens zou willen verstrekken, ziet de rechtbank geen aanleiding eiseres daartoe in de gelegenheid te stellen, nu eiseres hiervoor ruimschoots de tijd heeft gehad.

4.4.

Eiseres heeft derhalve niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit betekent echter niet dat verweerder de belastbare winst en het belastbare bedrag naar willekeur mag vaststellen; dit bedrag dient te berusten op een redelijke schatting. Verweerder heeft hierover verklaard dat hij bij het maken van zijn schatting van de winst is uitgegaan van de door eiseres over 2007 aangegeven omzet, alsmede van een loon van € 20.000.

Doordat eiseres niet aan haar aangifteverplichting heeft voldaan, heeft zij verweerder in de positie gebracht en gelaten dat hij aan zijn schatting geen concretere uitgangspunten ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op zijn verklaring, zijn schatting van de belastbare winst van eiseres voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake was van een willekeurige schatting, zodat verweerder de belastbare winst in het onderhavige jaar niet te hoog heeft vastgesteld.

4.5.

Eiseres heeft geen gronden aangevoerd met betrekking tot de beschikking heffingsrente. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslag geen doel treffen, deelt de beschikking heffingsrente het lot van de aanslag.

4.6.

Omdat eiseres de aangifte Vpb 2007 niet tijdig heeft ingediend, is haar een verzuimboete van € 1.134 opgelegd. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden tegen de boete ingediend. De aangiften Vpb van eiseres voor de jaren 2003, 2004, 2005 en 2006 zijn – naar verweerder onweersproken heeft verklaard – evenmin tijdig ingediend. De rechtbank acht de hoogte van de boete, gelet op de overtreding, passend en geboden.”

4.2.1.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur na de uitspraak van de rechtbank heeft gemeld dat de verschuldigde loonbelasting op aangifte is afgedragen en dat de belastbare winst derhalve met € 56.264 moet worden verminderd.

4.2.2.

Indien wordt uitgegaan van een omzet van € 382.461 en een voorbelasting van
€ 47.670 dan – zo stelt belanghebbende aan de hand van bij het verweerschrift in eerste aanleg gevoegde gegevens van de inspecteur – bedragen de kosten € 250.895. Dit is € 895 meer dan het bedrag waarvan de inspecteur bij zijn schatting is uitgegaan.

4.2.3.

Voorts heeft de rechtbank de winst van belanghebbende, volgens haar ten onrechte, niet verminderd met € 39.380 kosten van (onder)huur van het pand waarin zij een modewinkel dreef. De verschuldigdheid van deze huursom volgt uit de overeenkomst van onderverhuur; belanghebbende verwijst naar de overeenkomst die onder 2.2.2 is vermeld en stelt dat zij uit hoofde van de onderverhuurovereenkomst in 2007 maandelijks huurbetalingen aan [D BV] heeft verricht. In dit kader verwijst zij naar de door haar in hoger beroep overgelegde, onder 2.7 vermelde bankrekeningafschriften ten name van [D BV] Voorts stelt belanghebbende in dit verband dat zij noch [D BV] ooit heeft geopteerd voor met omzetbelasting belaste verhuur van onroerend goed, zodat de kosten van huur niet kunnen zijn begrepen in het bedrag van € 250.000 dat bij de schatting van de inspecteur als kosten in aanmerking is genomen.

4.2.4.

Belanghebbende stelt voorts dat overmakingen van € 13.000 en € 10.000 door [F] , [a-straat] te [Z] , aan belanghebbende niet tot de winst van belanghebbende behoren. Belanghebbende verwijst in dit verband naar formulieren van ‘Storting Eurobiljetten’ door [F] die zij op 1 juni 2015 heeft overgelegd. Ter toelichting heeft belanghebbende in haar brief van 2 juni 2015 het volgende aangevoerd:


“De contanten die belanghebbende ontving van klanten die in de winkel artikelen kopen, werden in 2007 periodiek naar de bank gebracht tezamen met de contanten die [F BV] h.o.d.n. [F] en [E BV] h.o.d.n. [E] ontvingen. Het totaal van de drie werd bijgeschreven op de bankrekening van [F BV] h.o.d.n. [F] . Zodra belanghebbende geld nodig had om lonen, loonbelasting, huur en inkoop van handelsgoederen te betalen, maakte [F BV] h.o.d.n. [F] het benodigde bedrag over op de bankrekening van belanghebbende.”

4.2.5.

Op grond van de gebruikelijkloonregeling had volgens belanghebbende per 31 december 2007 € 39.000 als passiefpost in aanmerking moeten worden genomen. Dat is volgens belanghebbende € 19.000 meer dan waarvan de inspecteur is uitgegaan. Er bestond volgens belanghebbende op 31 december 2007 geen zekerheid dat een lager bedrag in aanmerking kon worden genomen. Dat bestuurder [B] in 2007 (en andere jaren) nagenoeg geen arbeid voor belanghebbende verrichtte, was volgens belanghebbende voor de inspecteur geen reden om van het gebruikelijk loon af te zien.

4.2.6.

Ter zitting in hoger beroep heeft de inspecteur op basis van de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde stukken geconcludeerd dat de totale omzet ongeveer € 450.000 zou bedragen, daarbij verwijzend naar de uit die stukken af te leiden (dag)omzet aan pintransacties en contante betalingen. De aldus door de inspecteur berekende omzet is evenwel inclusief omzetbelasting en dat komt overeen met de in de aangiften omzetbelasting over 2007 aangegeven omzet over 2007 van € 382.461 exclusief omzetbelasting, waarop de inspecteur zijn schatting heeft gebaseerd. Het argument van de inspecteur dat er in 2007 nog meer omzet moet zijn gerealiseerd gaat dus niet op, aldus belanghebbende.

4.3.1.

Met betrekking tot de – als gesteld door belanghebbende – door [D BV] aan belanghebbende doorbelaste huur heeft de inspecteur aangevoerd dat belanghebbende met de door haar in hoger beroep overgelegde bewijsstukken weliswaar heeft doen blijken dat [H] het pand vrij van omzetbelasting heeft verhuurd, maar dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de door [D BV] aan [H] betaalde huurbedragen uiteindelijk zijn doorbelast aan belanghebbende. Op de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde, onder 2.7 vermelde bankrekeningafschriften ten name van [D BV] zijn weliswaar (maandelijkse) ontvangsten van ‘ [A] ’ vermeld, maar belanghebbende heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt hoe deze betalingen in de boekhouding van belanghebbende zijn verwerkt. Daarmee heeft belanghebbende niet doen blijken dat er huurbetalingen ter zake van het pand uiteindelijk ten laste van belanghebbende zijn gekomen, zo stelt de inspecteur. Bij ontbreken van jaarrekeningen, gebaseerd op grootboekrekeningen en achterliggende documenten, kunnen die bedragen daarom niet als kosten worden aanvaard.

4.3.2.

De loonkosten zouden volgens de inspecteur op € 56.262 kunnen worden vastgesteld. Aangezien er bij de schatting al met € 20.000 aan loonkosten rekening is gehouden, zou dat tot een extra kostenpost leiden van € 36.262.

4.3.3.

Uit door belanghebbende toegezonden bankafschriften blijkt dat zij ten minste twee keer bedragen van [F] heeft ontvangen, te weten € 13.000 op 8 januari 2007 en € 10.000 op 7 augustus 2007. Volgens de inspecteur lijkt het erop dat sprake is van maandelijkse betalingen, zodat er mogelijk € 120.000 aan extra inkomsten is ontvangen.
Bij ontbreken van jaarstukken van belanghebbende en van de – via [B] – aan haar gelieerde vennootschappen is niet te controleren wat de totale omvang van deze ontvangsten is. Voorts is, zo stelt de inspecteur, ook niet te controleren of gemaakte kosten zakelijk zijn en of er sprake is van voorraad.

4.3.4.

Gelet op hetgeen ter zake van de inkomstenbelasting 2007 ten name van [B] is overeengekomen bedraagt het gebruikelijk loon dat [B] volgens de inspecteur geacht wordt van belanghebbende te hebben genoten € 9.095. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur geen feiten en omstandigheden doen blijken waaruit kan volgen dat zij ter zake een voorziening mag opvoeren voor een bedrag van € 39.000.

4.3.5.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de hogere loonkosten en het overeengekomen gebruikelijk loon niet tot een lager belastbaar bedrag hebben te leiden, omdat er reden is te vermoeden dat het belastbaar bedrag te laag is vastgesteld. De inspecteur baseert dit vermoeden mede op de van Sport-Inn ontvangen bedragen. Naar het oordeel van de inspecteur is belanghebbende niet erin geslaagd te doen blijken dat het ambtshalve vastgestelde belastbaar bedrag te hoog is. Indien alle met belanghebbende afgerekende pintransacties zouden worden opgeteld, dan zou dat volgens de inspecteur leiden tot een jaaromzet van € 330.000 (330 x circa € 1.000 per dag). Naar het Hof de inspecteur begrijpt doelt hij hier op (een extrapolatie van) de afrekeningen van pintransacties die voorkomen in de vijf bij brief aan de rechtbank van 9 januari 2013 overgelegde rekeningafschriften ten name van [A] . Gevoegd bij de onder 4.3.3 vermelde € 120.000 contante omzet, zou dat tot een totaalomzet leiden van € 450.000. Daar komt volgens de inspecteur bij dat belanghebbende heeft volstaan met het overleggen van een aantal losse stukken, zonder dat duidelijk is hoe een en ander is verwerkt in de administratie van belanghebbende. Belanghebbende heeft evenmin jaarstukken vastgesteld of (alsnog) aangifte Vpb over het jaar 2007 gedaan. Belanghebbende heeft slechts een fragmentarisch beeld verstrekt van de door haar gerealiseerde omzet. Hieraan verbindt de inspecteur als conclusie dat, ook indien wordt uitgegaan van hogere loonkosten en de gestelde huurkosten, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan ervan heeft doen blijken, dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.4.

Zoals de rechtbank reeds heeft vastgesteld, is niet in geschil dat in het onderhavige geval de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is, omdat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan. Belanghebbende dient derhalve ervan te doen blijken (overtuigend aantonen) dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.5.

In dit verband acht het Hof het niet onredelijk dat de inspecteur de hoogte van het belastbaar bedrag heeft vastgesteld als vermeld onder 2.3, door daarbij uit te gaan van de aangifte omzetbelasting waarover hij destijds beschikte. Tevens acht het Hof, gelet op hetgeen de inspecteur hierover heeft gesteld, voldoende aannemelijk dat hij destijds nog niet beschikte over de aangiften loonheffing waaruit volgt dat € 56.262 aan loonheffing is afgedragen. Het Hof ziet dan ook onvoldoende reden om het bedrag van de schatting met dat van de afgedragen loonheffing te verminderen. Voor zover de later door belanghebbende overgelegde gegevens met betrekking tot de huur van de bedrijfsruimte [b-straat] te [Z] er in het kader van een beoordeling van de schatting toe doen, geldt ook met betrekking tot de door belanghebbende gestelde – aan haar doorbelaste – huurkosten dat deze niet tot een verlaging van de schatting kunnen leiden, aangezien ter zake van die kosten onvoldoende inzicht is verstrekt in de financiële relatie tussen [D BV] , de eerste huurder, en belanghebbende, terwijl [D BV] via (middellijk) enig aandeelhouder [B] gelieerd is aan belanghebbende en (ook) van [D BV] geen jaarstukken bekend zijn.

4.6.1.

Naar het oordeel van het Hof kan aan hetgeen belanghebbende met betrekking tot de loonkosten (inclusief het gebruikelijk loon) en aan belanghebbende doorbelaste huur heeft gesteld niet de conclusie worden verbonden dat hij daarmee heeft doen blijken dat de uitspraak op bezwaar in zoverre onjuist is. Weliswaar heeft de inspecteur verklaard dat (in plaats van € 20.000) van € 56.262 loonkosten en van € 9.095 aan gebruikelijk loon kan worden uitgegaan, maar daaruit volgt niet, althans niet zonder meer, dat van een zoveel lager belastbaar bedrag is gebleken.

4.6.2.

Belanghebbende heeft niet alsnog een aangifte vennootschapsbelasting opgesteld dan wel jaarstukken 2007 overgelegd. Bovendien is belanghebbende via haar enig aandeelhouder/directeur gelieerd aan diverse andere vennootschappen, waarvan – naar de inspecteur, niet betwist door belanghebbende, heeft gesteld – ook geen jaarstukken bekend zijn en die, naar het Hof begrijpt, in dezelfde of in een vergelijkbare branche opereren als belanghebbende. Tussen belanghebbende en deze vennootschappen bestaan diverse financiële betrekkingen, zoals blijkt uit de overeenkomst van onderverhuur tussen [D BV] en belanghebbende, alsmede uit door belanghebbende overgelegde rekeningafschriften over 2007 ten name van [F] , waarin, naar belanghebbende heeft gesteld, contante betalingen aan belanghebbende zijn vermeld. Het gaat hier om enkele (niet doorlopend genummerde) kopieën van rekeningafschriften over 2007 van [F] . Inzicht in de kennelijk tussen belanghebbende en andere via [B] gelieerde vennootschappen aanwezige rekening-courantverhoudingen, als waarop gemachtigde ter terechtzitting heeft gedoeld, is niet verstrekt.

4.6.3.

Bij ontbreken van een (alsnog ingediende) aangifte en/of een jaarrekening 2007 van belanghebbende, is het op basis van de in hoger beroep door belanghebbende verstrekte gegevens, zoals de inspecteur terecht heeft aangevoerd, niet mogelijk om een controleerbaar inzicht te verkrijgen in het totaal en de volledigheid van de in 2007 door belanghebbende gerealiseerde omzet. Zonder een dergelijk inzicht, dat ontbreekt, heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft gesteld omtrent de loonkosten, de huurkosten en een bedrag van € 895 aan niet in aanmerking genomen voorbelasting – ook indien voorts ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende vrij van omzetbelasting heeft gehuurd en dat op de hiervoor vermelde specifieke punten sprake is van hogere kosten – niet ervan doen blijken dat de bestreden uitspraak op bezwaar onjuist is. Ook met haar onder 4.2.6 weergegeven argument heeft belanghebbende zulks niet doen blijken.

4.7.

Wat betreft het door belanghebbende gestelde in aanmerking nemen van een voorziening voor toekomstige (gebruikelijk) loonkosten, heeft zij naar het oordeel van het Hof niet ervan doen blijken dat op balansdatum een redelijke mate van zekerheid heeft bestaan dat die kosten meer dan € 9.095, het bedrag dat voor het jaar 2007 met de inspecteur is overeengekomen, zouden bedragen. Ook op dit punt heeft belanghebbende derhalve – gelet op hetgeen onder 4.6.3 is overwogen – niet ervan doen blijken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S.H. Lange, als griffier. De beslissing is op 13 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.