Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3592

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
200.165.283/01, 200.170.253/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling. Kinderbijdrage. Verdeling gemeenschap van goederen, benadeling. De man dient aan de vrouw een vergoeding te betalen in verband met benadeling van de gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/24.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 september 2015

Zaaknummers: 200.165.283/01 en 200.170.253/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/13/555628/FA RK 13-9354 en C/13/571335/FA RK 14-6378

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.165.283/01 van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. K. Withagen te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.M. Lieuw On te Amsterdam,

en in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.170.253/01 van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.M. Lieuw On te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. K. Withagen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

In de zaak met zaaknummer 200.165.283/01 is de vrouw op 23 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 26 november 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/555628/FA RK 13-9354.

1.3.

De man heeft op 7 april 2015 in de zaak met zaaknummer 200.165.283/01 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

In de zaak met zaaknummer 200.170.253/01 heeft de man op 7 april 2015 appel ingesteld van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2015 met kenmerken C/13/555628/FA RK 13-9354 en C/13/571335/FA RK 14-6378 (echtscheiding en nevenvoorzieningen).

1.5.

De vrouw heeft op 28 mei 2015 een verweerschrift ingediend in het incidenteel appel van de man in de zaaknummer 200.165.283/01 en het hoger beroep van de man in de zaak met zaaknummer 200.170.253/01, waarbij zij tevens in de zaak met zaaknummer 200.170.253/01 incidenteel appel heeft ingesteld.

1.6.

De man heeft op 12 juni 2015 nadere stukken ingediend.

1.7.

De vrouw heeft op 26 juni 2015 nadere stukken ingediend.

1.8.

De zaken zijn op 29 juni 2015 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer C. de Wilde, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Amsterdam Gooi & Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad);

- de gezinsbeschermer namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA).

1.9.

Voorafgaand aan de zitting is de hierna te noemen minderjarige [kind a] afzonderlijk door de voorzitter in bijzijn van de griffier gehoord.

1.10.

Op 30 juni 2015 is bij het hof binnengekomen een brief van de hierna te noemen minderjarige [kind b] .

1.11.

De man heeft, daartoe ter zitting in de gelegenheid gesteld, op 6 juli 2015 onder meer een betaalspecificatie van mei 2015 aan het hof overgelegd, met afschrift daarvan aan de vrouw. Op de overige, daarbij ingediende stukken zal het hof geen acht slaan, nu ter zitting de behandeling van de zaak is gesloten, de man geen reden heeft opgegeven voor de indiening van deze stukken nadat de behandeling overigens was gesloten en indiening daarvan als in strijd met de goede procesorde moet worden beschouwd.

1.12.

De vrouw heeft, daartoe ter zitting in de gelegenheid gesteld, op 6 juli 2015 een specificatie van het door haar in 2015 te ontvangen kindgebonden budget en een kopie van de onder 1.9 vermelde brief van [kind b] aan het hof overgelegd, met afschrift daarvan aan de man.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1996 op het Marokkaanse consulaat in Amsterdam gehuwd. Hun huwelijk is op 22 december 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 26 november 2014 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [naam kind a] (hierna: [kind a] ) [in] 1999, [naam kind b] (hierna: [kind b] ) [in] 2002, [naam kind c] (hierna: [kind c] ) [in] 2004 en [naam kind d] (hierna: [kind d] ) [in] 2005 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen, die bij de vrouw verblijven.

2.2.

Het kindgebonden budget bedroeg ten tijde van het huwelijk € 95,- per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1974. Hij is alleenstaand.

Tot 1 juli 2013 was hij werkzaam in loondienst bij [bedrijf] . Blijkens de jaaropgaaf 2013 bedroeg zijn fiscaal inkomen in dat jaar € 24.266,-. Hij heeft in mei 2013 een ontslagvergoeding ontvangen van € 35.000,- bruto, zijnde € 20.300,- netto.

Met ingang van 1 juli 2013 tot 1 april 2015 heeft hij een WW-uitkering ontvangen. Blijkens de jaaropgaaf 2014 bedroeg zijn fiscaal inkomen in dat jaar € 19.436,-.

Blijkens de specificatie van mei 2015 ontvangt hij in ieder geval vanaf die maand van Loyalis Verzekeringen een bovenwettelijke uitkering, welke die maand € 1.785,- bruto, verhoogd met een vakantie-uitkering van € 143,- bruto, bedroeg.

Vanaf 1 juni 2014 heeft de man een eenmanszaak, broodjeszaak [de onderneming] , opgestart. Vervolgens heeft hij een bedrijf in textiel opgestart.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1978. Zij vormt met de kinderen een eenoudergezin.

Zij ontvangt een bijstandsuitkering.

Zij ontvangt in 2015 een kindgebonden budget van € 472,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 26 november 2014 is - voor zover thans van belang - bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van € 50,- per maand en een zorgregeling vastgesteld waarbij de man en de kinderen contact zullen hebben:

- met ingang van de datum van die beschikking vier keer begeleide omgang van anderhalf uur per week op het kantoor van JBRA;

- daarna zes keer onbegeleide omgang iedere week van 12:00 uur tot 17:00 uur op zondag;

- vervolgens vier keer gedurende een weekend per twee weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur;

- ten slotte gedurende een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, een en ander nader te bepalen in onderling overleg met de kinderen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van € 78,- per kind per maand en dat een begeleide zorgregeling tussen de man en de kinderen wordt vastgesteld als ook op het (subsidiaire) verzoek van de man een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de twee weken bij hem verblijven en verder wanneer ze dat zelf willen alsmede gedurende de helft van de vakanties.

Bij de bestreden beschikking van 25 maart 2015 is - voor zover thans van belang - aan de vrouw toebedeeld:

- de bij haar in gebruik zijnde auto;

- de inboedelgoederen;

- de bankrekeningen op haar naam:

- de rekening bij een bank in Marokko

- ABN AMRO [rekeningnummer 1]

- ABN AMRO [rekeningnummer 2]

- ING [rekeningnummer 3]

- ING [rekeningnummer 4]

De vrouw is veroordeeld aan de man te voldoen een bedrag van € 182,47 plus 5.964,25 Marokkaanse Dirham.

Aan de man is bij die bestreden beschikking toebedeeld:

- de bij hem in gebruik zijnde auto;

- de bankrekeningen op zijn naam:

- [rekeningnummer 5]

- [rekeningnummer 6]

De man is veroordeeld aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 430,80 en € 13.399,10.

In de zaak met zaaknummer 200.165.283/01

3.2.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking van 26 november 2014 in zoverre, de Raad opdracht te geven onderzoek te verrichten naar de vraag welke zorgregeling in het belang van de kinderen juist wordt geacht en – naar het hof begrijpt: toe te wijzen - het verzoek van de vrouw om een begeleide zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen, althans een zorgregeling welke door het hof in het belang van de kinderen juist wordt geacht, en alsnog te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van € 78,- per kind per maand.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar principaal hoger beroep althans deze verzoeken af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking van 26 november 2014 in zoverre, - naar het hof begrijpt: - het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen alsnog af te wijzen, althans een zodanig bedrag vast te stellen als het hof juist zal achten, en te bepalen in het kader van de zorgregeling dat hij elke week contact kan hebben met de kinderen op vrijdag 18:00 uur tot zaterdag 18:00 uur of zaterdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur en gedurende de vakanties voor een gelijk aantal weken en dagen.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzoekt hij, indien en voor zover op het verzoek van de vrouw een onderzoek door de Raad wordt gelast naar een zorgregeling, tevens te gelasten dat een onderzoek door de Raad zal plaatsvinden naar de opvoedvaardigheden van de vrouw.

3.4.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep althans het door hem in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.170.253/01

3.5.

De man verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking van 25 maart 2015, opnieuw de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande algehele gemeenschap van goederen vast te stellen met inachtneming van hetgeen door hem in incidenteel hoger beroep naar voren is gebracht, althans te bepalen dat de bankrekeningen op naam van partijen worden toebedeeld aan de partij op wiens naam deze staan, met toedeling van de saldi op deze rekeningen zonder dat partijen over en weer gehouden zijn tot verrekening en met bepaling dat de waarde van de inboedel in de echtelijke woning tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.

3.4.

De vrouw verzoekt in incidenteel appel, – naar het hof begrijpt – met bekrachtiging van de bestreden beschikking van 25 maart 2015 voor het overige – aanvullend – de man te veroordelen aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 3.511,32.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor de zorgregeling tussen de man en de kinderen, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (zaaknummer 200.165.253/01) en de verdeling van de tussen partijen bestaande algehele gemeenschap van goederen (zaaknummer 200.170.253/01). De behoefte van de kinderen aan het door de rechtbank vastgestelde aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen van € 671,- per maand is in hoger beroep niet in geschil en staat derhalve vast.

4.2.

De grieven van de vrouw in principaal hoger beroep en van de man in incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, in beide geschillen voor een gezamenlijke bespreking.

Zaaknummer 200.165.253/01

Zorgregeling (bestreden beschikking 26 november 2014)

4.3.

De vrouw stelt – kort samengevat – dat raadsonderzoek naar de meeste wenselijke zorgregeling nodig is. Ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 november 2014 werd de zorgregeling begeleid door JBRA, omdat de man de vrouw veelvuldig had bedreigd en lastiggevallen, en daarnaast de kinderen had belast met partnerproblematiek. De man is in verband daarmee op 5 september 2014 door de voorzieningenrechter een contact- en locatieverbod opgelegd, gedurende een termijn van zes maanden na betekening. De vrouw vreest dat de man zal terugvallen in zijn oude gedrag. De man tracht nog steeds de vrouw in een kwaad daglicht te stellen. Tussen hen is geen communicatie mogelijk. JBRA heeft ter zitting in eerste aanleg nadrukkelijk aangegeven dat een raadsonderzoek gewenst was en dat in afwachting van de uitkomst de begeleide omgang kon worden uitgebreid naar anderhalf uur. De oudste twee kinderen hebben echter aangegeven dat zij niet meer naar de man toe willen. De man raakt bovendien zijn tijdelijke woning kwijt, zodat onduidelijk is waar hij en de kinderen tijdens omgang verblijven, aldus de vrouw.

4.4.

De man stelt – kort samengevat – dat er geen reden is voor een raadsonderzoek dan wel een begeleide zorgregeling en dat eenmaal per week contact met de kinderen veel meer in hun belang is dan een weekend per twee weken. De man heeft vanwege de onwillige houding van de vrouw zich uit wanhoop genoodzaakt gezien acties te ondernemen die de vrouw heeft beantwoord met een straat- en contactverbod. De man werkt vrijwillig mee met JBRA en JBRA vond dat de begeleide zorgregeling goed verliep. Indien en voor zover JBRA zich zorgen maakt over de omgang, dan komt dat doordat de vrouw medewerking weigert aan een goede uitvoering van de regeling. De man doet er alles aan de regeling goed te laten verlopen. Hij heeft drie maanden emotieregulatietraining gevolgd bij De Waag en praat niet met de kinderen over het verleden of over de vrouw. Indien de vrouw bij haar verzoek om een raadsonderzoek blijft, dan behoort een onderzoek te worden bevolen naar haar opvoedingscapaciteiten aangezien zij de kinderen belast met volwassenproblematiek, negatieve uitspraken doet over de man, en de kinderen inzet ter verkrijging van informatie over hem, aldus de man.

4.5.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd het Lorentzhuis in te schakelen, de huidige zorgregeling ten aanzien van de jongens te handhaven, maar voor [kind a] geen regeling op te leggen en [kind b] veel ruimte te laten binnen de regeling.

4.6.

JBRA heeft ter zitting aangegeven dat het goed is het Lorentzhuis in te schakelen maar dat daarnaast ook onderzoek nodig is omdat de huidige conflicten invloed hebben op de kinderen. Er zijn geen zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de man. Het is goed een onafhankelijke partij te laten bekijken welke zorgelijke invloed het conflict tussen de ouders op de kinderen heeft, aldus JBRA ter zitting.

4.7.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de vrouw in september 2013 en in januari, maart, mei en juni 2014 aangifte tegen de man heeft gedaan wegens onder meer bedreiging, stalking, vernieling en mishandeling. Bij kort geding vonnis van 5 september 2014, waarin deze aangiften ook aan de orde komen, is de man kort gezegd voor de duur van zes maanden een contact- en straatverbod opgelegd voor de woonomgeving van de vrouw, de omgeving van de school van de kinderen en de omgeving van de stichting [a] waar de vrouw als vrijwilligster actief is. Blijkens mededeling van de advocaat van de vrouw ter zitting in hoger beroep wordt de man strafrechtelijk vervolgd voor stalking dan wel bedreiging en vindt de behandeling van die zaak in augustus 2015 plaats.

Omgang tussen de man en de kinderen heeft sinds de bestreden beschikking plaatsgevonden op de wijze zoals in de beschikking is vastgelegd. Partijen hebben nadere afspraken gemaakt en zijn via JBRA overeengekomen dat de man, in verband met het verlies van zijn woning en totdat hij een nieuwe woning heeft, de kinderen om de week op zondag bij zich zal hebben van 11:00 uur tot 17:00 uur. Blijkens mededeling van de man ter zitting heeft hij sinds 28 april 2015 een eigen woning. [kind c] en [kind d] verblijven bij hem in ieder geval eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot maandagochtend voor school. [kind b] gaat op vrijdag met hen mee en verblijft dan in ieder geval tot zaterdag bij de man.

Tijdens het kindgesprek heeft [kind a] de voorzitter laten weten dat zij op dit moment geen behoefte heeft aan contact met de man omdat ze veel herinneringen heeft die zij eerst moet verwerken. In de onder 1.9 vermelde brief van [kind b] heeft zij het hof laten weten dat zij een zorgregeling van vrijdagavond tot maandagochtend teveel vindt en dat zij zou willen dat de regeling wat vrijer was zodat ze zelf kon bepalen of ze naar de man gaat.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep laten weten dat de school gedragsproblemen bij [kind c] en [kind d] heeft geconstateerd. Volgens haar vertonen zij dit gedrag sinds zij onbegeleid contact met de man hebben. Partijen zijn apart op gesprek geweest bij school en recentelijk is hulpverlening van het OCK ingeschakeld.

Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om het advies van JBRA op te volgen. Het hof heeft behoefte aan meer duidelijkheid alvorens definitief over de zorgregeling tussen de man en de kinderen te kunnen beslissen. Het inschakelen van het Lorentzhuis, zoals geadviseerd door de Raad is geen optie reeds omdat voor deelname daaraan als voorwaarde geldt dat er geen gerechtelijke (strafrechtelijke) procedures lopen.

Het hof zal derhalve de Raad verzoeken een onderzoek te gelasten naar de volgende standaardvragen:

- welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de dagelijkse zorg voor de minderjarigen aan de man?

- zijn er factoren die een regeling belemmeren? zo ja, welke komen vanuit de minderjarige(n) en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?

- hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van de minderjarigen vorm gegeven te worden?

Het hof zal de behandeling van de zaak te dien einde aanhouden tot de pro forma datum van zondag 27 december 2015. De Raad wordt verzocht een rapport op te maken en dat uiterlijk een week voor voormelde pro forma datum aan het hof en partijen te doen toekomen, waarna partijen – met het oog op de feestdagen – drie weken de gelegenheid hebben zich uit te laten over dat rapport.

Uitbreiding van de zorgregeling zoals door de man is verzocht is derhalve thans (nog) niet aan de orde. Ten aanzien van zijn subsidiaire verzoek het raadsonderzoek uit te breiden merkt het hof op dat de opvoedsituaties bij beide partijen reeds onderdeel uitmaken van het onderzoek en dat de Raad bovendien de zelfstandige bevoegdheid heeft te beslissen of uitbreiding van het onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.

Nu partijen tot op heden - met behulp van JBRA - uitvoering geven aan de in de bestreden beschikking van 26 november 2014 na een opbouwperiode vastgestelde eindregeling van vrijdag na school tot maandagochtend voor school, zal het hof deze regeling gedurende het raadsonderzoek laten doorlopen, met dien verstande dat het hof ervan uitgaat dat de man zich houdt aan zijn ter zitting gedane toezegging [kind b] gelet op haar leeftijd vrij te laten in haar wens om eventueel eerder huiswaarts te keren zonder nadere redengeving. Naar het hof aanneemt geldt ook voor [kind a] dat de man haar zal vrijlaten in haar keuze zoals hij tot op heden ook heeft gedaan. Voorts gaat het hof ervan uit dat partijen hun vrijwillige medewerking aan (hulpverlening door) JBRA zullen blijven verlenen en aldus adviezen zullen opvolgen.

Kinderbijdrage (bestreden beschikking 26 november 2014)

4.8.

De vrouw stelt kort gezegd dat de man naast zijn WW-uitkering inkomen geniet uit een eigen onderneming waarmee hij regelmatig op de markt staat. De man heeft zijn werkzaamheden bovendien aanzienlijk uitgebreid; hij geeft zelf aan zes dagen per week te werken en reist regelmatig naar België en Duitsland. De man dient inzage te geven in zijn inkomsten vanuit zijn bedrijf, anders dient hij verondersteld te worden de door de vrouw in eerste aanleg verzochte bijdrage van € 78,- per kind per maand te kunnen voldoen.

Daarnaast had de man zijn ontslagvergoeding mede dienen aan te wenden om in de kosten van de kinderen te kunnen blijven voorzien. Hij heeft sinds zijn vertrek op 11 november 2013 geen bijdrage voldaan. Ook uitgaande van een WW-uitkering heeft de man, gelet op de geldende forfaitaire bedragen, een minimum draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. Zijzelf ontvangt sinds het vertrek van de man een bijstandsuitkering en heeft derhalve geen draagkracht, aldus de vrouw.

4.9.

De man verweert zich in appel met de stelling dat hij geen draagkracht heeft en voert daartoe onder meer aan dat zijn uitkering omlaag is gegaan doordat hij met ingang van juni 2015 een bovenwettelijke uitkering ontvangt. De door hem geëxploiteerde rijdende broodjeszaak heeft hij niet voortgezet en sinds november 2014 is hij een andere onderneming gestart. Hij verkocht textiel op de markt twee dagen per week maar alle door hem gewerkte uren en inkomsten werden in mindering gebracht op zijn WW-uitkering. De man is ook met deze zaak gestopt en heeft een inkomen lager dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande. De door de vrouw genoten bijstandsuitkering dient ook te worden beschouwd als inkomen en moet dus worden meegenomen bij het bepalen van haar draagkracht. Zij is bovendien jong en capabel genoeg om een baan te vinden, aldus de man.

4.10.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft aan het hof overgelegd zijn aangifte Inkomstenbelasting voor ondernemers 2014 waaruit blijkt dat zijn inkomen uit de destijds door hem geëxploiteerde broodjeszaak vanuit een autobus -/- € 2.708,- bedroeg. Het hof gaat uit van de juistheid van die aangifte. Voorts blijkt uit de door de man alsnog overgelegde specificatie dat hij inmiddels een bovenwettelijke uitkering geniet van Loyalis, die naar de man onbetwist heeft gesteld lager is dan de voorheen door hem ontvangen WW-uitkering. Ten aanzien van de door de man ontvangen ontslagvergoeding, overweegt het hof dat deze bedoeld is dan wel was om zijn inkomen vanaf medio 2013 te compenseren, terwijl eerst met ingang van 26 november 2014 de door hem te betalen kinderbijdrage wordt vastgesteld, zodat deze vergoeding geacht kan worden te zijn verteerd. Het hof laat de vergoeding dan ook buiten beschouwing bij bedoelde vaststelling. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof in navolging van de rechtbank zal bepalen dat de man, ook op basis van de inmiddels verlaagde WW-uitkering, overeenkomstig de richtlijnen van de werkgroep Alimentatienormen een forfaitair bedrag van € 50,- per maand aan kinderbijdrage dient te voldoen. Gelet op de onder 4.1 vermelde kosten van de kinderen en het gegeven dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt kan bespreking van de draagkracht van de vrouw achterwege blijven. Het hof zal de bestreden beschikking van 26 november 2014 ten aanzien van de kinderbijdrage bekrachtigen.

Zaaknummer 200.170.253/01

Verdeling van algehele gemeenschap van goederen en vaststelling vergoedingsrecht (bestreden beschikking 25 maart 2015)

Inboedel

4.11.

De man geeft aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, hij nimmer ermee akkoord is gegaan dat de vrouw zonder vergoeding de inboedel krijgt toebedeeld. Zij dient hem derhalve alsnog de helft van de waarde van € 10.000,- te vergoeden.

4.12.

De vrouw geeft aan dat de waarde van de inboedel vrijwel nihil is en dat zij de man altijd heeft aangegeven dat hij kon komen ophalen wat hij wilde, maar dat hij daar geen gebruik van heeft gemaakt en evenmin heeft aangegeven welke goederen hij wilde hebben.

4.13.

Feitelijke verdeling van de inboedel is het uitgangspunt van de wetgever. Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden, waarbij de vrouw heeft aangegeven aan een feitelijke verdeling te willen meewerken en waarbij niet is komen vast te staan dat de man ooit een serieuze poging heeft ondernomen met de vrouw te komen tot een verdeling van de inboedel - en de man overigens de door hem gestelde waarde van de inboedel van € 10.000,- op geen enkele wijze heeft onderbouwd - geen aanleiding bestaat tot het vaststellen van enige vergoeding ten behoeve van de man. Het hof houdt daarbij tevens het oog op de hierna te bespreken benadelingsvergoeding, waarbij in redelijkheid rekening is gehouden met het gegeven dat de man enige gelden van partijen heeft aangewend ten behoeve van het aanschaffen van zaken ten behoeve van de inrichting van de door hem betrokken woonruimte.

Vergoeding wegens benadeling

4.14.

De man stelt kort gezegd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van benadeling en daarmee van het saldo op de spaarrekening op 6 september 2013 in plaats van op de peildatum van 9 december 2013. De man heeft zijn netto ontslagvergoeding van € 20.300,- omstreeks mei 2013 ontvangen. Tot aan zijn vertrek op 13 november 2013 uit de woning moest het inkomen dus worden aangevuld met de vergoeding. Het grootste deel daarvan is toen besteed aan het gezin, aan vakantie, aan betaling van de inkomstenbelasting 2010 en aan terugbetaling van in 2011 teveel ontvangen toeslagen. De rest van de vergoeding is nadien besteed aan de inrichting van zijn nieuwe woning. Bovendien heeft hij na zijn vertrek uit de woning de ziektekostenpremie van de vrouw van € 141,50 per maand doorbetaald, aldus de man.

4.15.

De vrouw stelt kort gezegd dat de man in de periode tussen 9 september 2013 en 9 december 2013 grote contante geldbedragen heeft opgenomen. De man meent dus in drie maanden de ontslagvergoeding volledig te moeten gebruiken terwijl het restant van de vergoeding op 9 september 2013 ruim € 27.000,- bedroeg. De man maakt ook in hoger beroep niet aannemelijk dat de contante opnames zijn besteed aan kosten huishouding en gezin. De vrouw betwist dat de man haar ziektekostenpremie heeft betaald.

4.16.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat in hoger beroep dat de peildatum voor de omvang van huwelijksgoederengemeenschap 9 december 2013 is en dat het saldo van de spaarrekening van partijen op de peildatum € 99,63 bedroeg. Blijkens een bankafschrift bedroeg het saldo op de betreffende rekening op 9 september 2013 € 27.014,80. De man heeft over het saldo op de spaarrekening beschikt en nu vaststaat dat het tot de gemeenschap behorende spaartegoed in de periode gelegen tussen voornoemde data met afgerond € 27.000,- is afgenomen, ligt het in beginsel op de weg van de man hierover deugdelijk verantwoording af te leggen.

De man heeft in hoger beroep de door hem gestelde overboekingen en uitgaven nader onderbouwd door middel van overlegging van bankafschriften, vergezeld van een toelichting (productie 9A nadere producties in hoger beroep). Uit de bankafschriften blijkt dat op 23 april 2013 een bedrag van € 20.000,- op de betaalrekening op naam van de man is ontvangen, waarna de man op 25 april 2013 een bedrag van € 19.000,- heeft doorgestort op zijn spaarrekening. De betaalrekening van de man werd gebruikt voor betaling van allerhande kosten van de huishouding, zo blijkt uit de door de man overgelegde bankafschriften en de resterende € 1.000,- lijkt aan kosten van huishouding te zijn besteed.

Het voorgaande neemt niet weg dat tussen partijen vaststaat dat eerder genoemde spaarrekening in september 2013 een saldo heeft gehad van € 27.014,80. De man heeft thans in hoger beroep een – hierna nader te bespreken - verklaring gegeven voor uitgaven tot een bedrag van € 19.431,65, doch daarmee heeft de man geen verantwoording gegeven voor de aanwending van een restantbedrag van deze spaarrekening (€ 27.014,80 -/- € 19.431,65 -/- € 99,63 =) € 7.438,52,-. Aangezien het op de weg van de man lag ook voor dat bedrag verantwoording af te leggen, waarbij de man dit eenvoudigweg had kunnen doen aan de hand van de bankafschriften van de spaarrekening zelf, dient het ervoor te worden gehouden dat hij de gemeenschap voor dat bedrag heeft benadeeld. De man dient de helft van dat bedrag aan de vrouw te vergoeden, zijnde een bedrag van € 3.741,76.

De vrouw heeft de opstelling van de man waarin hij uitgaven tot een bedrag van € 19.431,65 heeft verantwoord, op onderdelen bestreden. De vrouw heeft echter niet bestreden dat de man in het najaar van 2013 nog een vakantie naar Marokko heeft moeten bekostigen, waarmee de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij een bedrag van afgerond € 4.000,- nodig heeft gehad voor uitgaven in verband met deze vakantie, waaronder vliegtickets voor de gezinsleden. De uitgave van € 3.000,- voor de VW Transporter is door de vrouw betwist en de man heeft geen bewijs van betaling in het geding gebracht. De kentekenoverschrijving van de naam van de vrouw – naar de man stelt: vervolgens op naam van de man – is zoals de vrouw terecht aangeeft gedagtekend 22 februari 2013, zodat ook niet valt in te zien dat deze betaling in verband met een overdracht tussen partijen van deze auto heeft plaatsgevonden. De man dient derhalve aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 1.500,- uit dezen hoofde.

De man heeft wel inzichtelijk gemaakt dat een goed deel van het tegoed op de spaarrekening over de maanden september, oktober en november 2013 en begin december 2013 is opgegaan aan huishoudelijke uitgaven na overboeking op de betaalrekening ten name van de man. Ook heeft de man tussentijds bedragen moeten opnemen ten behoeve van zijn eigen levensonderhoud en heeft hij kosten moeten maken vanwege het betrekken van een eigen woonruimte. Daarmee heeft de man een afdoende verklaring gegeven voor het overgrote deel van de uitgaven, dit echter met uitzondering van een opname van € 4.000,- op 9 december 2013 die de man niet heeft verantwoord en welk bedrag overigens niet in de verdeling is betrokken. De man dient uit dezen hoofde aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 2.000,-.

Het voorgaande leidt ertoe dat de man uit hoofde van benadeling de vrouw dient te vergoeden een bedrag van (€ 3.741,76 + € 1.500,- + € 2.000,- =) € 7.241,76.

Bankrekening Marokko

4.17.

De vrouw heeft in de echtscheidingsprocedure een bankafschrift van de man van een rekening in Marokko overgelegd. Zij stelt dat deze in de verdeling dient te worden meegenomen tegen het saldo van die rekening volgens het laatste, aan de vrouw bekende bankafschrift, te weten 76.364,15 Dirham, hetgeen leidt tot een vergoeding van de zijde van de man aan de vrouw van € 3.511,32.

4.18.

De man stelt dat de bankrekening ten tijde van de peildatum niet meer bestond en dat de bank weigert hem een bewijs te overleggen juist omdat hij daar (dus) geen rekening meer heeft.

4.19.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in eerste aanleg een bankafschrift van 30 september 2010 van een bankrekening met [rekeningnummer 7] , aangehouden bij de in Marokko gevestigde Attijariwafa Bank op naam van de man overgelegd met een saldo van 76.364,15 Marokkaanse Dirham. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heeft de man erkend dat die rekening bestond en dat daar ten tijde van de peildatum een geldbedrag op stond. Gezien het voorgaande had het op de weg van de man gelegen de juistheid van zijn stelling in hoger beroep aan te tonen. De man heeft dit nagelaten. De reden die de man heeft gegeven voor het niet verstrekken van enig gegeven betreffende deze rekening acht het hof, mede gelet op de uitgebreide betwisting daarvan door de vrouw, ongeloofwaardig. Het hof gaat daar dan ook aan voorbij en zal de bankrekening aan de man toedelen en daarbij bepalen dat de man - bij gebrek aan nadere informatie over het saldo van die rekening op de peildatum - aan de vrouw dient te vergoeden de helft van de waarde (38.182,08 Marokkaanse Dirham), hetgeen een tegenwaarde in euro’s oplevert die het door de vrouw verzochte bedrag van € 3.511,32 niet onderschrijdt zodat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.

Slotsom vergoeding en verdeling

4.20.

Gelet op het voorgaande dient de man een bedrag aan de vrouw te vergoeden uit hoofde van benadeling een bedrag van € 7.241,76.

Uit hoofde van de verdeling van de bankrekeningen dient aan de zijde van de man rekening te worden gehouden met vergoeding aan de vrouw van € 3.511,32 vanwege toedeling aan de man van de bankrekening in Marokko, naast toedeling aan de man van twee Nederlandse (ABN AMRO) bankrekeningen conform het vonnis van 25 maart 2015, waarbij de man aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 430,80. Het door de man te betalen saldo bedraagt daarmee (€ 3.511,32 + € 430,80 =) 3.942,12.

Het hof zal overeenkomstig beslissen in aanvulling op de in hoger beroep niet in geschil zijnde verdeling door de rechtbank van de bankrekeningen op naam van de vrouw met een totaalsaldo van € 364,94 en 11.928,50 Marokkaanse Dirham. Voor de duidelijkheid zal het hof de bestreden beschikking van 25 maart 2015 ten aanzien van de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen en de veroordeling van de man tot vergoeding aan de vrouw vernietigen en opnieuw uitspraak doen met inachtneming van het voorgaande. De beschikking van 25 maart 2015 is voor het overige niet aan hoger beroep onderworpen.

4.21.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In zaaknummer 200.165.283/01

verzoekt de Raad een onderzoek te doen naar de voor de kinderen meest wenselijke zorgregeling met de man en te rapporteren aan het hof en daarbij antwoord te geven op de vragen als hierboven onder 4.7 gesteld;

houdt de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling aan tot de pro forma datum van zondag 27 december 2015;

verzoekt de Raad uiterlijk een week voor voormelde pro forma datum aan het hof en partijen het rapport te doen toekomen, waarna partijen drie weken de gelegenheid hebben zich uit te laten over dat rapport;

houdt ten aanzien van de zorgregeling iedere verdere beslissing aan;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep van 26 november 2014 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

In zaaknummer 200.170.253/01

vernietigt de beschikking waarvan beroep van 25 maart 2015 voor zover daarbij de wijze van verdeling van de algehele gemeenschap van partijen is vastgesteld en een aan de vrouw toekomend vergoedingsrecht is vastgesteld, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

deelt aan de vrouw toe:

  • -

    De bij haar in gebruik zijnde auto;

  • -

    De inboedelgoederen;

  • -

    de rekening bij een bank in Marokko met het saldo op de peildatum van 11.928,50 Marokkaanse Dirham;

  • -

    ABN AMRO [rekeningnummer 1] ;

  • -

    ABN AMRO [rekeningnummer 2] ;

  • -

    ING [rekeningnummer 3] ;

  • -

    ING [rekeningnummer 4]

veroordeelt de vrouw uit hoofde van deze toedeling aan de man te voldoen: € 182,47 (zegge: honderdtweeëntachtig euro en zevenenveertig eurocent) en 5.964,25 (zegge: vijfduizend negenhonderdvierenzestig en vijfentwintig cent) Marokkaanse Dirham;

deelt aan de man toe:

  • -

    De bij hem in gebruik zijnde auto;

  • -

    De bankrekening met [rekeningnummer 7] , aangehouden bij de Attijariwafa Bank;

  • -

    de bankrekening op zijn naam met [rekeningnummer 5] ;

  • -

    de bankrekening op zijn naam met [rekeningnummer 6]

veroordeelt de man uit hoofde van deze toedeling aan de vrouw te voldoen: € 3.942,12 (zegge: drieduizend negenhonderdtweeënveertig euro en twaalf eurocent);

veroordeelt de man uit hoofde van benadeling van de vrouw tot betaling aan de vrouw van € 7.241,76 (zegge: zevenduizend tweehonderdeenenveertig euro en zesenzeventig eurocent);

verklaart de beschikking in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. H.A. van den Berg en mr. I.M. Dölle in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2015.