Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3513

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
23-001974-15
Formele relaties
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2016:1442
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en mun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001974-15

datum uitspraak: 20 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684319-14 en 13-670919-12 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 augustus 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging - en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

primair
hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meermalen in de zij en/of de buikstreek, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gestoken en/of geprikt en/of gesneden;

subsidiair
hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, éénmaal of meermalen in de zij en/of de buikstreek, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] te steken en/of prikken en/of snijden;

en/of

hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de Ravensteinstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit - het éénmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of de buikstreek, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] steken en/of prikken en/of snijden en/of - het éénmaal of meermalen trekken en/of rukken en/of slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen aan/op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2];

meer subsidiair
hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp éénmaal of meermalen in de zij en/of buikstreek, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden;


3.
hij op of omstreeks 15 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van Categorie I onder 7, te weten een klappertjes speelgoedpistool, Merk Gonher type 46, zijnde een voorwerp dat door zijn vorm en/of afmeting(en) een sprekende gelijkenis vertoonde met een (vuur)wapen (merk Colt type 1911-A1 en/of Commander) voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat de verdachte vooraf of tijdens de vechtpartij wetenschap had van de aanwezigheid van messen bij de medeverdachten. Voorts is niet komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van steekwonden aan de slachtoffers. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair 1e alternatief/cumulatief ten laste is gelegd en dient de verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

subsidiair 2e alternatief/cumulatief
hij op 18 maart 2014 te Amsterdam, met anderen op of aan de Ravensteinstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en voornoemde [slachtoffer 2] steken of snijden en

- het trekken aan en slaan tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en voornoemde [slachtoffer 2];

3.
hij op 15 april 2014 te Amsterdam, een wapen van Categorie I onder 7, te weten een klappertjes speelgoedpistool, Merk Gonher type 46, zijnde een voorwerp dat door zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (merk Colt type 1911-A1 en/of Commander) voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij op 18 maart 2014 te Amsterdam tezamen met anderen betrokken is geweest bij de vechtpartij met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). De verdachte heeft echter alle betrokkenheid bij het steken van hen ontkend en gesteld dat hij geen enkele wetenschap had van de aanwezigheid van de messen bij de mededaders. De raadsman van de verdachte heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnotities bepleit dat het steken van voornoemde slachtoffers ten aanzien van de verdachte derhalve niet bewezen kan worden en dat hij hiervan dient te worden vrijgesproken. \

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een bewezenverklaring van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet vereist dat alle geweldshandelingen door de verdachte zijn geschied. Bij een op artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht toegesneden bewezenverklaring is voldoende dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld. Anders dan de verdediging heeft betoogd, vormt het steken van voornoemde slachtoffers door de mededaders een onderdeel van dit geweld. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden op weg naar huis tegengehouden door een groepje van vier jongens, waar de verdachte deel van uitmaakte. Vervolgens werden zij geslagen en gestoken door dit groepje jongens. Alle geweldshandelingen werden vrijwel gelijktijdig door de verdachte en zijn mededaders gepleegd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het tijdens de vechtpartij zwart werd voor zijn ogen, hij daardoor niet meer wist wat hij deed en doorging met vechten. Hij heeft geslagen en geduwd. Op het moment dat de getuige [getuige] naar de vechtpartij toerende om deze te stoppen, is de verdachte samen met zijn mededaders weggerend en hebben zij de slachtoffers op straat achtergelaten. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat de verdachte bewust de confrontatie met de slachtoffers is aangegaan en tezamen en in vereniging met zijn mededaders geweld heeft gepleegd. Hij is daarmee op grond van artikel 141, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht mede verantwoordelijk voor alle geweldshandelingen die zijn gepleegd. Daaraan doet niet af dat de verdachte niet degene is geweest die een of beide slachtoffers heeft gestoken. Deze omstandigheid zal wel een rol spelen bij het bepalen van de strafmaat, zie daarvoor de overwegingen onder ‘oplegging van straf en maatregel’. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ten aanzien van feit 3

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake is van een sprekende gelijkenis tussen het onder de verdachte in beslag genomen speelgoed klappertjespistool en een echt vuurwapen. Tevens heeft de raadsman gesteld dat de verbalisant over niet voldoende wapenexpertise beschikte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens artikel 2, eerste lid, categorie I, onderdeel 7, van de Wet wapens en munitie (WWM) zijn wapens in de zin van de WWM onder meer de door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn. Volgens artikel 3, onderdeel a, van de Regeling wapens en munitie (Rwm) worden aangewezen als voorwerpen van categorie I, onder 7, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.

Uit het proces-verbaal blijkt dat het voorwerp van metaal is en qua vorm, gewicht en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een echt vuurwapen en daardoor voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

Voornoemd proces-verbaal is opgemaakt door verbalisant [verbalisant], taakaccenthouder (vuur)wapens die ambtshalve veel ervaring heeft op het gebied van wapens. Op grond van een arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1998 (NJ 1998, 650) moet een opsporingsambtenaar uit hoofde van zijn functie worden geacht over de deskundigheid te beschikken om te kunnen beoordelen of een bepaald voorwerp een wapen is in de zin van de WWM en tot welke categorie dat behoort. Een door hem opgemaakt proces-verbaal heeft de status van deskundigenverklaring.

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het klappertjes speelgoedpistool dat de verdachte voorhanden heeft gehad en heeft gedragen, een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en dus op grond van artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de WWM een wapen is in de zin van die wet. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde -kort gezegd- toezicht en begeleiding van Jeugdbescherming Regio Amsterdam en als de verdachte meerderjarig wordt Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een behandeling bij de Bascule of het volgen van een ander (vervolg-)traject.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten aanzien van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 65 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde -kort gezegd- toezicht en begeleiding van Reclassering Nederland.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Voorts heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 augustus 2015 en op hetgeen door mevrouw [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en mevrouw [naam 2] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: Jeugdbescherming) ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door te handelen zoals hiervoor bewezen is geacht. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de beide slachtoffers. Uit de letselbrieven en de slachtofferverklaringen blijkt ook dat de slachtoffers en hun naasten veel last hebben gehad van het gebeurde. Daarnaast brengen dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 juli 2015 is de verdachte eerder ter zake van een geweldsdelict onherroepelijk veroordeeld.

Mevrouw [naam 1] heeft namens de Raad ter terechtzitting in hoger beroep onder meer naar voren gebracht dat met de input van Jeugdbescherming het nieuwe advies van 3 augustus 2015 is samengesteld. Heel belangrijk is dat de behandeling van de verdachte bij de Bascule gaat slagen. De Raad adviseert deze behandeling echter niet als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, nu de verdachte vrijwillig is gemotiveerd voor de behandeling en het juist weerstand bij hem opwekt als hij daartoe wordt gedwongen. Reclasseringstoezicht door de volwassenreclassering dient dan als stok achter de deur. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2013, adviseert de Raad deze om te zetten in een werkstraf of de proeftijd te verlengen. De vooruitgang van de verdachte moet niet worden doorkruist door een periode van jeugddetentie.

Mevrouw [naam 2] heeft namens Jeugdbescherming ter terechtzitting in hoger beroep onder meer naar voren gebracht dat Jeugdbescherming sinds 2012 de verdachte begeleidt. De verdachte heeft veel wisselend gedrag laten zien. Dwang roept veel weerstand bij hem op. Hij ziet dat als straf en niet als hulp. Een behandeling bij de Bascule wilde hij eerst ook niet. Pas na een goed één op één gesprek kreeg hij door dat Jeugdbescherming het beste met hem voor heeft. Nu wil hij het in ieder geval proberen bij de Bascule. De verdachte heeft zich opengesteld en er was een goede interactie tussen hem en de behandelaar. De gesprekken zullen wekelijks plaatsvinden. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2013, adviseert Jeugdbescherming deze af te wijzen of om te zetten in een werkstraf. De schoolgang van de verdachte moet niet worden doorkruist door de jeugddetentie.

Het hof acht, alles afwegende, voor deze ernstige delicten een straf passend en geboden. Gezien de (ten opzichte van de mededaders geringere) rol die de verdachte heeft gespeeld bij de openlijke geweldpleging, is het hof van oordeel dat voor beide feiten kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf. Nu de verdachte al 65 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, blijft dan na aftrek van voorarrest per saldo een voorwaardelijke werkstraf over. Dat acht het hof wenselijk, gezien de positieve ontwikkelingen die de verdachte heeft doorgemaakt en nog doormaakt. Oplegging van een nog uit te voeren onvoorwaardelijke werkstraf zou die ontwikkelingen nu doorkruisen, terwijl een voorwaardelijk deel met reclasseringstoezicht de verdachte juist kan ondersteunen om door te gaan op de ingeslagen weg en tevens bedoeld is om hem ervan te weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.997,31. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair opgemerkt dat de materiële schade en de immateriële schade schadeposten zijn die niet in rechtstreeks verband staan met het handelen van de verdachte. Deze zijn namelijk voornamelijk gefundeerd op het steekletsel en de verdachte heeft niet gestoken. De benadeelde partij kan in zijn vordering derhalve niet worden ontvangen dan wel dient de vordering te worden afgewezen. Subsidiair is volgens de verdediging de verdachte alleen mede aansprakelijk voor de geleden immateriële schade door het slaan. De immateriële schade dient dan ook ernstig te worden gematigd.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Bij de hoogte van het toe te wijzen bedrag neemt het hof de onderlinge rolverdeling tussen de verdachte en zijn mededaders in aanmerking. Het hof begroot de immateriële schade, die mede is veroorzaakt door het handelen van de verdachte, in redelijkheid op € 750,00. De verdachte is – samen met zijn mededaders – tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in zijn vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.562,77. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair opgemerkt dat de materiële schade en de immateriële schade schadeposten zijn die niet in rechtstreeks verband staan met het handelen van de verdachte. Deze schadeposten zijn namelijk voornamelijk gefundeerd op het steekletsel en de verdachte heeft niet gestoken. De benadeelde partij kan in zijn vordering derhalve niet worden ontvangen dan wel dient de vordering te worden afgewezen. Subsidiair is volgens de verdediging de verdachte alleen mede aansprakelijk voor de geleden immateriële schade door het slaan. De immateriële schade dient dan ook ernstig te worden gematigd.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Bij de hoogte van het toe te wijzen bedrag neemt het hof de onderlinge rolverdeling tussen de verdachte en zijn mededaders in aanmerking. Het hof begroot de immateriële schade, die mede is veroorzaakt door het handelen van de verdachte, in redelijkheid op € 750,00. De verdachte is – samen met zijn mededaders – tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in zijn vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77y, 77aa, 77cc en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 10 december 2013 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 11 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar moeten worden verlengd.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair 1e alternatief/cumulatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, ressort Amsterdam.

Geeft deze instelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 1 subsidiair 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 10 december 2013 parketnummer 13-670919-12, met een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. M. Iedema en mr. R.M. Vennix, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 augustus 2015.

[.............]

.