Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3481

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
200.144.711/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:11531, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ex-partners vorderen over en weer terugbetaling/vergoeding van tijdens relatie aan elkaar verstrekte leningen/giften. Alleen voor zover sprake is van geldlening wordt één van de vorderingen toegewezen. Kosten van gezamenlijke huishouding behoeven niet naar evenredigheid te worden gedragen. Geen ongerechtvaardigde verrijking ter zake van door man verrichte bouwwerkzaamheden, want geen verarming. Artikel 7A:1805 BW: omdat omvang rente niet is bepaald moet lener de wettelijke rente van artikel 6:119 BW betalen. Geen compensatie van proceskosten omdat partijen geen levensgezellen in de zin van art. 237 lid 1 Rv zijn geweest.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1805
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.144.711/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/202945 / HA ZA 13-228

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2015

inzake

[naam X],

wonend te [woonplaats a] ,

appellant in principaal appel,

incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. R.J. Ouderdorp te Amsterdam,

tegen

[naam Y],

wonend te [woonplaats b] ,

geïntimeerde in principaal appel,

incidenteel appellante,

advocaat: mr. E.P. van der Ree te Laren.

De partijen worden hierna [X] en [Y] genoemd.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

[X] is bij dagvaarding van 10 maart 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 december 2013, onder bovenvermeld zaak-/ rolnummer gewezen tussen [Y] als eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie, en [X] als gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie.

Tussen partijen zijn vervolgens de volgende stukken gewisseld:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, met een productie;

- memorie van antwoord in het incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak op 7 januari 2015 door hun wederzijdse advocaten doen bepleiten aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten behoeve van het pleidooi zijn zijdens [X] nieuwe producties in het geding gebracht.

[X] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, zakelijk samengevat, primair, de vordering van [Y] in conventie alsnog zal afwijzen en subsidiair, meer en uiterst subsidiair, die vordering ten dele zal afwijzen met (althans gedeeltelijke) toewijzing van de door [X] ingestelde vordering in reconventie, een en ander zoals nader in de memorie verwoord, met veroordeling van [Y] in de proceskosten van het hoger beroep. In incidenteel appel heeft [X] geconcludeerd tot verwerping van dat appel, met veroordeling van [Y] in de proceskosten daarvan, met rente en nakosten.

[Y] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en in incidenteel appel [X] alsnog zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toe te wijzen bedrag vanaf de data waarop [Y] dat bedrag aan [X] beschikbaar heeft gesteld tot de dag van volledige betaling, waarop in mindering strekt de door [X] op respectievelijk 29 december 2008 en 28 juli 2011 betaalde bedragen van € 1.465,- en € 3.500,-, een en ander met veroordeling van [X] in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 een aantal feiten vermeld. De juistheid daarvan is niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

[Y] en [X] hebben vanaf 2004 enige jaren een (buitenhuwelijkse) relatie met elkaar gehad. [X] was en is getrouwd met een andere vrouw. De relatie tussen [Y] en [X] is inmiddels beëindigd.

3.1.2.

Gedurende de relatie heeft [Y] de volgende geldbedragen op de bankrekening van [X] overgemaakt: 27 december 2007 € 16.000,-

21 januari 2008 € 5.000,-

27 maart 2008 € 8.000,-

11 september 2008 € 7.000,-

24 december 2008 € 9.000,-

Totaal € 45.000,-

3.1.3.

Op de betalingsopdracht van de overboeking van 24 december 2008 is als omschrijving “Hypothec lening 5” vermeld.

3.1.4.

Op 29 december 2008 heeft [X] een bedrag van € 1.465,- overgeboekt naar de bankrekening van [Y] . Op het bankafschrift van [Y] is daarbij als omschrijving vermeld: “HYPOTHEEKSOM 45.000,- RENTE 5 [adres] [woonplaats a] CUMULATIEVE HYPOTHEEKRENTE ’08”.

3.1.5.

Gedurende de relatie heeft [X] diverse uitgaven gedaan ten behoeve van [Y] .

3.1.6.

[Y] heeft [X] op 1 mei 2013 gedagvaard en, na eiswijziging, betaling gevorderd van € 72.500,-, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de overeengekomen dan wel wettelijke rente vanaf de dag waarop [Y] de onderscheiden door haar gestelde bedragen aan [X] heeft geleend dan wel vanaf het moment waarop hij in verzuim is gekomen, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der betaling, te verminderen met het door [X] reeds betaalde bedrag van € 7.965,-. Aan haar vordering heeft [Y] ten grondslag gelegd dat zij gedurende de relatie met [X] deels in cash, deels door overmaking per bankrekening aan hem verscheidene geldbedragen tot het gevorderde totaalbedrag van € 72.500, heeft geleend ten behoeve van de bouw door [X] van een tweede woning op zijn perceel te [woonplaats a] . Volgens [Y] heeft zij met [X] afgesproken dat hij over de door [Y] aan hem geleende bedragen 6% rente zou betalen. In dat kader heeft [X] op respectievelijk 19 september 2007 € 3.000,-, op 29 december 2008 € 1.465,- en ten slotte op 28 juli 2011 € 3.500,- aan [Y] betaald. Nadat de relatie tussen partijen was geëindigd, heeft [Y] [X] aangesproken tot terugbetaling van de door haar aan hem geleende geldbedragen, maar daarop heeft hij niet gereageerd.

3.1.7.

[X] heeft een (voorwaardelijke) vordering in reconventie ingesteld. Onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat [Y] de aan hem overgeboekte bedragen uit hoofde van geldlening heeft overgemaakt, heeft [X] gevorderd [Y] te veroordelen tot betaling aan hem van € 159.304,60. [X] heeft daartoe in de eerste plaats gesteld dat wat voor de overboekingen van [Y] geldt, ook geldt voor de betalingen die hij aan en voor [Y] heeft gedaan. Hij stelt in totaal € 68.735,- aan en voor [Y] te hebben betaald. [X] heeft tevens vergoeding gevorderd van de werkzaamheden die hij tijdens de relatie voor [Y] heeft verricht dan wel heeft laten verrichten waardoor voor [Y] ook veel besparingen zijn gerealiseerd. Hij heeft verbouwingswerkzaamheden verricht en andere diensten verleend. De vordering tot vergoeding van deze werkzaamheden en diensten, die hij heeft begroot op € 90.569,60 heeft [X] gebaseerd op de stelling dat [Y] hem tot het verrichten van die werkzaamheden opdracht had gegeven. Subsidiair heeft hij zich voor zijn vordering op ongerechtvaardigde verrijking beroepen. Ten slotte heeft [X] gevorderd [Y] te veroordelen tot betaling van € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een nader te bepalen bedrag aan materiële schade, welke vordering hij heeft gebaseerd op de stelling dat [Y] de relatie tussen partijen op onrechtmatige wijze heeft beëindigd en zij hem ten onrechte van ‘stalking’ heeft beschuldigd.

3.1.8.

De rechtbank heeft de vordering van [Y] toegewezen tot het bedrag van € 45.000,- in hoofdsom. De stelling van [Y] dat zij op verschillende momenten in totaal € 27.500,- in contanten aan [X] ter beschikking heeft gesteld, heeft de rechtbank als onvoldoende feitelijk onderbouwd verworpen. Met betrekking tot de door [Y] op de bankrekening van [X] overgeboekte bedragen van in totaal € 45.000,- heeft de rechtbank overwogen, kort samengevat, dat de stelling van [Y] dat zij dit geld aan [X] heeft geleend, wordt onderbouwd door de overboeking door [X] van € 1.465,- op de bankrekening van [Y] met de door [X] zelf daarbij gegeven omschrijving “hypotheeksom 45.000,- rente 5 [adres] [woonplaats a] cumulatieve hypotheekrente ’08” en dat de verklaring die [X] voor die omschrijving heeft gegeven, te weten dat hij ervoor wilde zorgen dat [Y] een deel van de door haar aan hem overgeboekte bedragen terug zou krijgen als hij zou komen te overlijden, niet strookt met zijn verklaring dat [Y] die bedragen had overgeboekt ter compensatie van de vele bedragen die [X] voor [Y] had betaald. Ook achtte de rechtbank de verklaring van [X] dat een disbalans was ontstaan in de betalingen door [Y] en de betalingen die hij had gedaan niet met die verklaring verenigbaar. Voor het overige waren naar het oordeel van de rechtbank ook de andere door [X] afgelegde verklaringen omtrent de betalingen van [Y] inconsistent. Het verweer van [X] dat de overboeking van in totaal € 45.000,- geen geldlening betrof, heeft de rechtbank om deze redenen als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd.

3.1.9.

De rechtbank heeft de vordering van [Y] tot betaling van 6% rente afgewezen omdat [Y] onvoldoende had gesteld om ervan te kunnen uitgaan dat partijen die rente waren overeengekomen. De rechtbank achtte wel de wettelijke rente over € 45.000,- toewijsbaar, ingaande op het moment dat [X] met de voldoening van zijn geldschuld in verzuim was, zijnde 9 maart 2013, 14 dagen nadat [X] tot terugbetaling van het bedrag door de advocaat van [Y] was gesommeerd.

3.1.10.

Met betrekking tot de vordering van [X] heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. Zij heeft de stelling van [X] dat hij geld aan [Y] heeft geleend verworpen op de grond dat [X] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan daartoe geconcludeerd kan worden. De rechtbank heeft verder overwogen dat [X] zelf heeft gesteld dat hij de door hem gestelde betalingen aan en voor [Y] heeft gedaan in het kader van de wederzijdse zorgplicht en dat hij die grondslag niet achteraf en eenzijdig kan wijzigen in de grondslag van geldlening. De rechtbank heeft met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de door [X] gestelde werkzaamheden geoordeeld dat ook daarvoor geen grondslag bestaat, omdat gesteld noch gebleken is dat tussen partijen is overeengekomen dat [Y] [X] voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden zou betalen en de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking op de grond van de enkele stelling dat [X] tijd en in voorkomende gevallen geld aan de werkzaamheden heeft besteed en voor [Y] besparingen heeft gerealiseerd, niet voldoende is om de vordering op deze grondslag te kunnen toewijzen. Ten slotte heeft de rechtbank de vordering van [X] tot betaling van € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding afgewezen, omdat [X] , kort gezegd, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan blijken dat [Y] door de wijze waarop zij de relatie heeft beëindigd onrechtmatig heeft gehandeld.

3.2.

De grieven 1 tot en met 6 in principaal appel hebben alle betrekking op de vraag of [Y] het door haar per bank aan [X] overgemaakte bedrag van € 45.000,-, aan [X] heeft verstrekt ten titel van geldlening. De rechtbank heeft die vraag, zoals hiervoor is overwogen, bevestigend beantwoord.

3.3.

Ook het hof doet dat. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat [Y] voor haar stelling dat zij het bedrag van € 45.000,- aan [X] heeft geleend voldoende heeft onderbouwd met een verwijzing naar de overboeking van [X] op 29 december 2008 van € 1.465,- naar de bankrekening van [Y] waarbij [X] als omschrijving heeft meegegeven: “hypotheeksom 45.000,- rente 5 [adres] [woonplaats a] cumulatieve hypotheekrente ’08”. Op grond van deze door [X] gebezigde omschrijving mag ervan worden uitgegaan dat ook [X] het door [Y] op zijn rekening gestorte bedrag van in totaal € 45.000,- heeft beschouwd als een geldlening aan hem. Het hof deelt niet de visie van [X] dat de omschrijving, met daarin het woord “hypotheek”, niet zou zijn gebruikt als daadwerkelijk sprake was geweest van een lening waarover rente verschuldigd was omdat door hem ook nimmer een hypotheekrecht ten behoeve van [Y] is gevestigd. Het is onder niet-juristen immers niet ongebruikelijk een geldlening ten behoeve van (de bouw van) een woning met het woord “hypotheek” aan te duiden en het feit dat [X] geen hypotheekrecht op zijn eigendom ten behoeve van [Y] heeft gevestigd is alleen maar een aanwijzing te meer dat [X] met het woord “hypotheek” niet voor ogen stond een hypotheekrecht te vestigen. Uit de omschrijving bij de overboeking blijkt in elk geval dat [X] meende rente aan [Y] te moeten betalen.

3.4.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat [X] in het licht van voormelde omschrijving bij genoemde overboeking er niet mee kan volstaan te betwisten dat hij de door [Y] overgemaakte bedragen van haar heeft geleend. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het door [X] op dit punt gevoerde verweer als onvoldoende gemotiveerd moet worden gepasseerd. Daartoe wordt het volgende nader overwogen.

3.5.

Het betoog van [X] dat partijen een relatie hadden waarin zij elkaar verzorgden en dat zij over en weer aan elkaar betalingen deden, in geld en goederen, die als wederzijdse verzorging moeten worden beschouwd, en dat ook de betalingen door [Y] in 2008 van in totaal € 45.000,- op zijn rekening als zodanig moeten worden beschouwd, is in dit verband niet steekhoudend. Daarmee is immers niet verklaard waarom [X] , zoals in de omschrijving bij de bankoverschrijving is vermeld, rente aan [Y] betaalde. Als genoegzame verklaring daarvoor kan niet dienen dat [Y] in 2008 in relatief korte tijd, nadat [X] eerder betalingen aan en voor [Y] had gedaan, veel geld op zijn rekening had gestort, waardoor in de loop van 2008 “mogelijk” een “disbalans” (in financiële zin) tussen partijen ten nadele van [Y] was ontstaan. Ook dan blijft immers onverklaard waarom [X] rente (“cumulatieve hypotheekrente”) aan [Y] vergoedde. De omschrijving bij de overboeking suggereert verder dat rente werd betaald over het bedrag van € 45.000,-. Daarmee strookt niet dat [X] slechts het verschil tussen de door [Y] gestorte bedragen en de betalingen die [X] tot die tijd zou hebben gedaan, welk bedrag toch lager is, aan [Y] zou moeten terugbetalen of op dat moment aan haar verschuldigd was. De verklaring van [X] dat hij € 1.465,- aan [Y] heeft betaald omdat [Y] in korte tijd te veel aan hem had betaald, is voorts moeilijk te rijmen met het feit dat hij, zoals hij zelf heeft gesteld (memorie van grieven onder 8, tweede alinea slot) op dat moment niet precies wist wat hij aan en voor [Y] had betaald.

3.6.

De verklaring van [X] dat hij bij de betaling van € 1.465,- de omschrijving “hypotheeksom 45.000,- rente 5 [adres] [woonplaats a] cumulatieve hypotheekrente ’08” heeft gegeven om, indien hij zou overlijden, zijn nabestaanden duidelijk te maken dat geld naar een derde, in dit geval [Y] , moest gaan, acht het hof, evenals de rechtbank bepaald niet overtuigend. Het is ten eerste niet waarschijnlijk dat [X] heeft gedacht dat zijn erfgenamen van het bestaan van een vordering van [Y] op de hoogte zouden hebben kunnen raken door de enkele bankomschrijving bij de genoemde betaling. Dat [X] zijn erfgenamen op andere wijze hierover heeft geïnformeerd, heeft hij niet aangevoerd en is ook niet gebleken. Ten tweede verklaart ook dit niet waarom [X] in de omschrijving bij de betaling rept over rente. [X] zou zijn erfgenamen ook zonder gebruik van dat woord ervan in kennis hebben kunnen stellen dat [Y] bij overlijden van [X] een vordering op de nalatenschap had, hetgeen te meer geldt nu [X] zich op het standpunt stelt geen rente aan [Y] verschuldigd te zijn.

3.7.

Het voorgaande brengt mee dat het hof [X] niet volgt waar hij heeft aangevoerd dat [Y] moet aantonen dat partijen een mondelinge overeenkomst tot geldlening hebben gesloten. [Y] heeft de grondslag van haar vordering voldoende aangetoond. Het hof acht het niet van belang vast te stellen of [X] , zoals hij heeft aangevoerd, ook zonder het door [Y] verstrekte bedrag van € 45.000,- financieel in staat was om een tweede huis op zijn perceel te laten bouwen. Ook indien dat het geval zou zijn, wordt daarmee de stelling van [Y] , dat [X] haar heeft gezegd dat het geld dat zij aan hem ter beschikking stelde daarvoor zou worden gebruikt, immers niet weerlegd. Een partij die stelt geld te hebben uitgeleend aan een ander, is ook niet gehouden aannemelijk te maken of te bewijzen dat die ander het geld daadwerkelijk heeft aangewend voor het doel dat hij bij het sluiten van de overeenkomst heeft genoemd. [Y] is daartoe zeker niet gehouden, nu zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het geld aan [X] heeft geleend.

3.8.

In rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen dat [X] “ook overigens inconsistent” is in zijn verklaringen omtrent de door [Y] aan hem gedane betalingen. De rechtbank wijst erop dat [X] ter comparitie bij de rechtbank namelijk enerzijds heeft verklaard dat de betalingen van [Y] “een schenking” waren, maar daarnaast ook dat [Y] , nadat [X] in 2011 op zijn kosten een keuken in haar woning had geplaatst, tegen hem zou hebben gezegd dat zij dat heel fijn vond en voor de door haar gedane betalingen geen geld terugverwachtte. Aan [X] kan worden toegegeven dat de beide verklaringen niet innerlijk inconsistent zijn omdat het feitelijk mogelijk is dat [Y] eerst tegen [X] heeft gezegd dat hij “het geld mocht hebben” en dat zij, later, heeft gezegd dat zij geen terugbetaling van [X] verwachtte. Als dat het geval is, is [Y] niet consistent geweest. Het hof laat dit verder rusten. [Y] heeft betwist tegen [X] gezegd te hebben dat hij het geld mocht hebben alsmede dat zij later nadat hij bij haar de keuken had geïnstalleerd gezegd zou hebben dat zij geen terugbetaling meer van [X] verlangde. Dat dit anders zou zijn, heeft [X] niet - gespecificeerd - te bewijzen aangeboden, zodat aan dit alles voorbij wordt gegaan.

3.9.

[X] heeft nog aangevoerd dat voor zover in 2008 mogelijk sprake was van een disbalans ten nadele van [Y] , omdat zij in die periode meer geld aan [X] had gegeven dan andersom, daarvan daarna in elk geval geen sprake meer was omdat [X] uiteindelijk veel meer geld aan [Y] heeft uitgegeven dan andersom. Het hof acht dit irrelevant. De omstandigheid dat [X] uiteindelijk meer geld aan [Y] heeft uitgegeven dan [Y] aan [X] heeft betaald, betekent immers nog niet dat van een geldlening door [Y] aan [X] geen sprake is geweest.

3.10.

Op het bovenstaande stuiten de grieven 1 tot en met 6 in principaal appel alle af.

3.11.

Grief 7 in principaal appel bevat de klacht dat de rechtbank de betalingen door [X] van respectievelijk € 3.000,- op 19 september 2007, € 1.465,- op 29 december 2008 en € 3.500,- op 28 juli 2011 aan [Y] ten onrechte heeft aangemerkt als rentebetalingen althans ten onrechte niet als door [X] verrichte onverschuldigde betalingen, en dat deze bedragen daarom aan hem moeten worden terugbetaald, dan wel het bedrag van € 7.965,- als aflossing in mindering moet worden gebracht op hetgeen hij aan [Y] verschuldigd zou blijken te zijn. De grief leent zich voor een gezamenlijke bespreking met grief 1 in incidenteel appel, waarin [Y] erover klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW of artikel 7A:1805 BW heeft bepaald dat de door [X] verschuldigde rente gelijk is aan de wettelijke rente.

3.12.

Ingevolge artikel 7A:1805 BW is indien door de uitlener rente is bedongen maar de omvang daarvan niet is bepaald, door de lener rente verschuldigd ter hoogte van het percentage van de wettelijke rente. Met [Y] is het hof van oordeel dat op basis van de omschrijving van [X] bij de betaling van 29 december 2008 voldoende vaststaat dat partijen rente zijn overeengekomen. Aangezien de omvang van deze rente niet schriftelijk is vastgelegd, althans geen van beide partijen dat aanvoert, brengt artikel 7A:1805 BW mee dat [X] de wettelijke rente verschuldigd is. Deze rente is hij verschuldigd vanaf het tijdstip waarop hij de beschikking heeft gekregen over de door [Y] geleende bedragen totdat hij zijn schuld volledig heeft gedelgd. Het voorgaande leidt ertoe dat grief 1 in incidenteel appel slaagt en de door [X] in de toelichting op grief 7 in principaal appel geponeerde stelling dat hij geen rente verschuldigd is omdat die niet is overeengekomen, faalt.

3.13.

Grief 7 faalt ook voor het overige. De betaling door [X] van € 3.000,- heeft in september 2007 plaatsgevonden en kan dus niet worden beschouwd als aflossing op het door [Y] in 2008 geleende bedrag van € 45.000,-. Voor het overige heeft [X] bij de grief geen belang. [Y] heeft bij de formulering van haar vordering in hoger beroep met de door [X] verrichte betalingen van € 1.465,- en € 3.500,- rekening gehouden door deze in mindering te laten komen op haar vordering. Het hof zal in het incidentele appel het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vordering van [Y] in die zin alsnog toewijzen.

3.14.

Met de grieven 8, 9 en 10 in principaal appel klaagt [X] over de beoordeling van de rechtbank van zijn reconventionele vordering. [X] voert aan dat de overweging van de rechtbank dat hij geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat hij ten titel van geldlening betalingen voor [Y] heeft gedaan (r.o. 4.17), geen stand kan houden. Deze klacht faalt omdat de overweging van de rechtbank juist is. Ook in hoger beroep heeft [X] geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen voeren dat hij aan [Y] geld heeft geleend. [X] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat nu geoordeeld is dat de overboekingen door [Y] in 2008 van in totaal € 45.000,- als een geldlening zijn aangemerkt, dit ook moet gelden voor de uitgaven die hij voor [Y] heeft gedaan. Ook onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat [X] de grondslag voor de betalingen die hij stelt te hebben gedaan ten behoeve van [Y] niet achteraf eenzijdig kan wijzigen.

3.15.

Het hof neemt, gelet op dit laatste, tot uitgangspunt dat [X] de uitgaven en werkzaamheden die hij stelt te hebben gedaan respectievelijk verricht, heeft gedaan respectievelijk verricht op grond van de door hem gevoelde verplichting om voor [Y] te zorgen. Bij gebreke van een contractuele regeling tussen partijen op dat punt, kan [X] alleen onder bijzondere omstandigheden op terugbetaling of vergoeding daarvan aanspraak maken.

3.16.

De uitgaven waarvan [X] vergoeding vordert betreffen – blijkens het daarvan door [X] bij conclusie van antwoord in eerste aanleg vervaardigde overzicht – voor een groot deel kosten van huishouding (boodschappen, eten, drinken, kosten van huishoudelijke artikelen, geld voor huishoudpotje, uitjes, vakantie etc.). Volgens het hof bestaat er geen verplichting voor [Y] op grond waarvan [X] voor deze uitgaven zou moeten worden gecompenseerd. Klaarblijkelijk heeft [X] zich verplicht gevoeld deze uitgaven te voldoen. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat partijen in een relatie als de onderhavige naar evenredigheid in die kosten moeten bijdragen. Voor een vergoeding of compensatie van door [X] ten behoeve van huishouding gemaakte kosten bestaat te minder aanleiding omdat [X] zelf, in elk geval expliciet bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep, te kennen heeft gegeven dat hij tijdens zijn relatie met [Y] er niet van is uitgegaan dat zijn uitgaven op enig moment verrekend zouden (moeten) worden.

3.17.

[X] heeft een groot aantal bijzondere uitgavenposten opgevoerd die, voor zover [X] daarvoor een vergoeding vordert, hierna afzonderlijk worden besproken. [X] stelt € 6.500,- te hebben overgeboekt “o.a. voor schoolgeld”. Met deze betalingen is (zie onder 3.13) in ander verband reeds rekening gehouden. Niet gebleken is dat [X] andere overboekingen heeft gedaan dan aldaar vermeld. [X] stelt aan de auto van [Y] € 2.300,-/€ 2.400,- te hebben uitgegeven. [Y] heeft betwist dat [X] tot dit bedrag aan onderhoudskosten heeft betaald. [X] heeft ter onderbouwing van zijn stelling volstaan met het overleggen van een schriftelijke verklaring van de garagehouder inhoudende dat [X] het door hem genoemde bedrag in de loop van de tijd aan onderhoudskosten heeft uitgegeven en een schriftelijke verklaring van een derde die stelt te hebben gezien dat [X] de auto van [Y] liet repareren en een aanzienlijk bedrag contant afrekende. Nog daargelaten dat voor deze kostenpost geldt wat hiervoor onder 3.16 is overwogen, heeft [X] met de door hem overgelegde verklaringen de kostenpost onvoldoende gestaafd. Het hof ziet geen aanleiding [X] in de gelegenheid te stellen, zoals bij pleidooi in hoger beroep is aangeboden, inzage te geven in de onderliggende facturen, die er volgens hem wel zijn, omdat hij die stukken eerder had kunnen en moeten overleggen. [X] heeft gesteld een fiets voor de zoon van [Y] te hebben gekocht. Op het verweer van [Y] dat die fiets een verjaarsdagscadeau was, heeft [X] niet anders gereageerd dan dat hij aan de fiets heeft “meebetaald”, terwijl in de schriftelijke verklaring van de genoemde derde wordt gesteld dat sprake was van een “te dure gift”. Een en ander brengt mee dat deze post – als onvoldoende onderbouwd – evenmin voor vergoeding in aanmerking komt. [X] voert een bedrag van € 3.000,- voor “meubels” op. [Y] heeft aangevoerd dat [X] wel eens (ongevraagd) met een meubelstuk (tweepersoonsbed en een aantal kasten) bij haar aankwam, dat daarvoor door [X] zeker geen € 3.000,- is betaald en dat deze meubels ook nauwelijks iets waard zijn. [X] heeft een en ander niet weersproken. Hij heeft het door hem opgevoerde bedrag ook niet meer met bewijsstukken gestaafd. Ook deze post wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Volgens [Y] heeft [X] een enkel kledingstuk en een enkel boek of CD aan haar cadeau gedaan. De vordering van [X] tot vergoeding van € 1.000,- aan kleding en € 2.000,- ligt voor afwijzing gereed omdat [X] een en ander niet heeft tegengesproken. [X] voert als uitgavenposten een televisie, een laptop en een vuilnisbak op. Voor deze posten geldt, evenals voor de door [X] opgesomde keukenartikelen, dat deze volgens [Y] door [X] aan haar zijn gegeven en overigens niet de waarde vertegenwoordigen die [X] daarvoor heeft opgegeven. [X] heeft daartegenover niet uitgelegd waarom hij meent gerechtigd te zijn voor deze zaken de door hem gestelde vergoeding terug te ontvangen. De vordering tot vergoeding van deze zaken wordt eveneens als niet voldoende onderbouwd afgewezen. Op de vraag of [Y] gehouden is deze zaken terug te geven, zal hierna nog worden ingegaan. [X] stelt voor een zespitsfornuis, dat hij in de keuken van [Y] heeft geplaatst, € 1.400,- te hebben betaald. [Y] heeft betwist dat [X] dit fornuis heeft betaald. Ter onderbouwing van de stelling dat dit anders is heeft [X] alleen verwezen naar een schriftelijke verklaring van een derde, waaruit dit met onvoldoende zekerheid kan worden afgeleid. [X] heeft geen betaalbewijzen overgelegd. Het fornuis komt daarom niet in aanmerking om te worden vergoed. [X] heeft aan bouwmateriaal nog een groot aantal kostenposten opgevoerd. Ook op vergoeding van deze posten kan [X] geen aanspraak maken omdat [Y] heeft betwist dat [X] de gestelde uitgaven tot de opgevoerde bedragen heeft gedaan en [X] die kosten verder niet (kenbaar) met genoegzame bewijsstukken heeft gestaafd. Het hof ziet, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.17 is overwogen, geen aanleiding nog afzonderlijk in te gaan op de posten vanaf “kattenbakkorrels” en “abortus provocatus februari 2011”.

3.18.

Evenmin bestaat aanleiding [X] te compenseren voor de werkzaamheden die hij tijdens de relatie voor [Y] heeft verricht, zoals het opknappen van de woning van [Y] , het zorgen voor haar kinderen en het opruimen en schoonmaken van haar huis, dan wel voor de werkzaamheden die hij anderen voor [Y] heeft laten verrichten, zoals het doen van belastingaangiften door de zus van [X] . Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat [X] niet heeft aangevoerd dat partijen hebben afgesproken dat [X] voor zijn (soms door anderen uitgevoerde) werkzaamheden zou worden betaald, zodat een overeenkomst van opdracht niet als grondslag voor vergoeding van die werkzaamheden kan dienen. De grondslag van ongerechtvaardigde verrijking biedt [X] geen soelaas omdat hij niet heeft gesteld dat hij door het uitvoeren van de door hem gestelde werkzaamheden is verarmd.

3.19.

De conclusie uit het voorgaande is dat ook de grief 8 tot en met 10 in principaal appel falen.

3.20.

Met grief 11 in principaal appel klaagt [X] dat de rechtbank niets heeft overwogen over de erkenning door [Y] dat, indien niet komt vast te staan dat verschillende door [X] voor [Y] gekochte zaken door hem zijn geschonken, hij deze kan terugontvangen, al dan niet tegen teruggave van de door [X] bij [Y] vervangen zaken. [X] heeft op dit punt zijn vordering in hoger beroep gewijzigd ten opzichte van de vordering in eerste aanleg. Het hof overweegt het volgende.

3.21.

Voor zover [X] in zijn meer subsidiaire vordering waardevergoeding vordert voor de door hem opgesomde zaken, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen. [X] heeft niet danwel onvoldoende onderbouwd dat die zaken (nog enige) waarde hebben. Ook de uiterst subsidiaire vordering van [X] om [Y] te veroordelen tot teruggave van de door hem in dat onderdeel van het petitum genoemde zaken moet worden afgewezen. [Y] heeft met betrekking tot de genoemde keukenapparatuur en artikelen, tv, laptop aangevoerd dat [X] die zaken aan haar heeft gegeven. [X] heeft niet gemotiveerd uiteengezet dat hij die zaken om andere redenen aan [Y] heeft verstrekt. Daarmee staat genoegzaam vast dat [X] de zaken heeft geschonken. Voor toewijzing van de gevorderde teruggave van de keukenbladen, bureautje, laminaat met ondervloer, dressoir, vloerbalken en isolatiemateriaal en boeken, cd’s en lampen, bestaat geen grond omdat niet gebleken is dat [Y] zich met betrekking tot die zaken op het standpunt heeft gesteld dat [X] die zou mogen terugontvangen. Voor de vordering tot teruggave van de in het petitum voor het overige vermelde meubelen (bed, kastjes en schoenenrek) en bouwmateriaal (underlayment en hout voor verbouwing op zolder) bestaat onvoldoende grondslag. [Y] heeft in deze procedure te kennen gegeven dat [X] , als hij dit wil, die zaken kan ophalen. Voor een veroordeling van [Y] tot teruggave van die zaken bestaat daarom geen aanleiding. [X] heeft althans onvoldoende gesteld welk belang hij bij zodanige veroordeling heeft. Grief 11 is tevergeefs voorgesteld.

3.22.

Grief 12 in principaal appel heeft betrekking op de vordering van [X] om [Y] te veroordelen tot schadevergoeding wegens de onrechtmatige wijze van beëindiging van de relatie tussen partijen. Hetgeen [X] ter onderbouwing van zijn vordering aanvoert, is onvoldoende. Uit het enkele feit dat [Y] hem in de waan heeft gelaten dat in 2011 nog sprake was van een relatie en zij daarna aangifte wegens stalking heeft gedaan, volgt niet dat [Y] onrechtmatig heeft gehandeld. Het enkele feit dat de psychische situatie van [X] is verslechterd kan ook niet tot die conclusie voeren. Grief 12 faalt.

3.23.

Ten slotte voert [X] in grief 13 in principaal appel aan dat [Y] heeft erkend dat [X] de autokosten ad € 2.400,- heeft betaald en dat zij bereid is die kosten terug te betalen indien [X] haar de bonnen daarvan laat zien. Zoals hierboven is overwogen bestaat geen grond om [Y] tot vergoeding van de onderhoudskosten van de auto te veroordelen. Zij is voorts niet verplicht die kosten te vergoeden omdat [X] geen bonnen heeft getoond of overgelegd en onvoldoende bewijs bestaat dat hij die kosten heeft voldaan. Ook grief 13 mist doel.

3.24.

In de tweede grief in het incidentele appel keert [Y] zich tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten tussen partijen “gelet op de gewezen relatie tussen partijen” te compenseren.

3.25.

De grief is gegrond. Artikel 237 lid 1 Rv biedt geen grondslag om de proceskosten tussen partijen te compenseren om reden dat partijen een buitenechtelijke relatie met elkaar hebben gehad. Het hof zal hierna nader over de proceskosten beslissen.

4 Slotsom en proceskosten

De slotsom is dat de grieven in het principale appel falen. De beide grieven in incidenteel appel slagen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in conventie vernietigen voor zover de vordering tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen geldsom is toegewezen vanaf 9 maart 2013. Het hof zal [X] alsnog veroordelen tot betaling van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over de bedragen die [Y] aan hem heeft betaald (€ 45.000,- in hoofdsom) met ingang van de data waarop de bedragen zijn betaald, te verminderen met het bedrag van € 1.465,- voldaan per 29 december 2008 en € 3.500,- voldaan per 28 juli 2011, tot de dag van volledige betaling. Het hof zal het vonnis in conventie voor het overige bekrachtigen, ook voor wat betreft de proceskosten, aangezien de vordering van [Y] in conventie slechts ten dele is toegewezen. Het hof zal het bestreden vonnis zover in reconventie gewezen bekrachtigen, met uitzondering van de proceskostenveroordeling, omdat [X] als de in ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd. De nieuwe vorderingen van [X] in hoger beroep zullen worden afgewezen. Ten slotte dient [X] ook in hoger beroep als de partij die in het ongelijk is gesteld te worden aangemerkt en zowel in het principaal als in het incidenteel appel te worden verwezen in de proceskosten.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank in conventie, doch slechts voor zover de vordering tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen geldsom is toegewezen vanaf 9 maart 2013, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X] tot betaling van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over de geldbedragen die [Y] aan hem heeft betaald (€ 45.000,- in hoofdsom) met ingang van de data waarop de bedragen zijn betaald, te verminderen met het bedrag van € 1.465,- voldaan per 29 december 2008 en € 3.500,- voldaan per 28 juli 2011, tot de dag van volledige betaling;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen voor het overige;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen, doch met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de proceskosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X] in de proceskosten van de procedure in reconventie in eerste aanleg, en begroot die kosten op € 2.131,50 voor salaris van de advocaat;

wijst de voor het eerst in hoger beroep ingestelde vorderingen van [X] af;

veroordeelt [X] in de proceskosten van het hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel appel, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [Y] begroot op € 308,- aan verschotten en € 4.023,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen indien niet binnen veertien dagen na betekening van dit arrest aan deze proceskostenveroordeling is voldaan;

verklaart de bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, D.J. van der Kwaak en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.