Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3476

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
200.111.255/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:8461, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rolverwijzing in verband met onduidelijkheid van een onderdeel van het (partij)deskundigenrapport (over hoeveelheid asbest in verkochte en geleverde woning), doch slechts met het oog op de omvang van de schade: verkopers zijn aansprakelijk wegens non-conformiteit. Verbouwing/renovatie met in dat verband sloopwerkzaamheden is normaal gebruik van een aangekochte woning uit 1977. Kopers hebben voldaan aan onderzoeksplicht. Nakoming blijvend onmogelijk. Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:92.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 81
Burgerlijk Wetboek Boek 6 83
Burgerlijk Wetboek Boek 7 17
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.111.255/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 393852/HA ZA 08-909

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2015

inzake

1 [appellante 1] ,

wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

2. [appellante 2] ,

laatstelijk gewoond hebbende te Lochem,

3. [appellant 3]

wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

4. [appellante 4] ,

wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

5. [appellant 5] ,

wonend te [woonplaats a] ,

appellanten,

advocaat: mr. S.M. Balkema te Haarlem,

tegen

1 [geintimeerde 1] ,

2. [geintimeerde 2] ,

beiden wonend te [woonplaats b] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. R.F. Ronday te Mijdrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 5 juli 2012 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2008, 22 juli 2009, 3 maart 2010 en 11 april 2012, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellanten] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlating producties zijdens [appellanten] ;

- akte uitlating zijdens [geïntimeerden]

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vordering van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen en hen zal veroordelen tot (terug)betaling van bedragen van € 85.443,70 en € 5.434,02, beide met wettelijke rente, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, kort gezegd, de bestreden vonnissen zal bekrachtigen en de vorderingen van [appellanten] zal afwijzen, met hun hoofdelijke veroordeling in de kosten van – begrijpt het hof – het hoger beroep.

[appellanten] hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de overwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden tussenvon-nis van 26 november 2008 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft geno-men. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

In dit geding gaat het om het volgende.

( a) [geïntimeerden] hebben van [appellanten] op 14 juni 2005 gekocht en op 14 november 2005 geleverd gekregen de onroerende zaak, staande en gelegen aan [straat] [huisnummer c] en [huisnummer d] te [woonplaats b] (hierna: de woning). De woning is gebouwd in 1977.

( b) Het koopcontract bevat, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

BIJZONDERE BEPALINGEN

(…)

Mededelingsplicht

Artikel 3

Verkoper staat er voor in, dat hij aan koper al die inlichtingen heeft verschaft, die ter kennis van koper behoren te worden gebracht, met dien verstande dat inlichtingen over feiten welke aan koper bekend zijn of uit eigen onderzoek bekend hadden kunnen zijn, voor zover een dergelijk onderzoek naar de geldende verkeersopvattingen van koper verlangd mag worden, door verkoper niet behoeven te worden verstrekt.

Verklaringen van verkoper inzake verontreiniging

Artikel 4

Verkoper verklaart vervolgens:

(...)

c. Het is hem niet bekend dat zich in het verkochte asbesthoudende of andere voor de gezondheid schadelijke materialen bevinden.

(…)

Verklaringen van koper

Artikel 6

Koper verklaart:

a. Hij aanvaardt uitdrukkelijk de in dit koopcontract vermelde lasten en beperkingen, alsmede die welke na onderzoek als bedoeld in artikel 3 voor hem uit de feitelijke situatie kenbaar zijn of hadden kunnen zijn.

(…)

ALGEMENE BEPALINGEN

Omschrijving leveringsverplichting

Artikel I

(…)

6. De aflevering (feitelijke levering) van het verkochte alsmede van de eventueel meeverkochte roerende zaken vindt plaats bij het ondertekenen van de leveringsakte, in de feitelijke staat waarin het verkochte en/of de roerende zaken zich dan bevinden, met dien verstande dat deze staat, anders dan door toedoen van koper, niet minder mag zijn dan de staat waarin het verkochte en de eventueel meeverkochte roerende zaken zich heden bevinden, behoudens normale slijtage.

Tot de aflevering dient verkoper als een zorgvuldig schuldenaar voor het verkochte en de eventueel meeverkochte roerende zaken te zorgen.

(…)

( c) De akte van levering bevat, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

Leveringsverplichting, juridische en feitelijke staat

Artikel 2

(…)

3. Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, geheel ontruimd, behoudens de even-tueel meeverkochte roerende zaken, vrij van huur of pacht of ander gebruiksrecht.

Het voortgezet gebruik van verkoper als zorgvuldig schuldenaar na het tot stand komen van de koopovereenkomst tot aan het tijdstip van aflevering wordt geacht, behoudens normale slijtage, geen wijziging te hebben gebracht in de staat van het verkochte.

(…)

Bodemonderzoek/ondergrondse tanks/asbest

Artikel 6

(...)

6. Het is verkoper niet bekend dat zich in het verkochte asbest-houdende materialen bevinden.

(…)”

( d) [geïntimeerden] hebben via aannemingsmaatschappij Bos B.V. door AA & C Nederland B.V. (verder: AA & C) met betrekking tot de woning een asbestonderzoek doen verrichten, waarvan een rapport is opgemaakt op 6 december 2005 (hierna ook: het asbestrapport). Dit rapport luidt, voor zover van belang, als volgt:

I.I Inleiding

In de woning (...) zijn door de eigenaar asbestverdachte materialen aangetroffen. De opdrachtgever is voornemens een verbouwing/renovatie uit te voeren. De verwachting is dat men tijdens deze werkzaamheden asbest tegenkomt hetgeen problemen kan veroorzaken gedurende de renovatie. (...)

(…)

I.4 Soort van het onderzoek

Het betreft hier een volledig asbestonderzoek mede geschikt voor sloop en/of verbouwing.

(…)

I.6. Samenvatting resultaten onderzoek

Het onderzoek geeft aan dat er asbest in het gebouw aanwezig is. In de volgende onderdelen is asbest aangetroffen:

Begane grond

- In alle ruimten bevindt zich tegen de wanden en plafonds plaatmateriaal;

- In de tuin onder het raamkozijn bevindt zich los plaatmateriaal;

- Aan de onderzijde van het klompenhok bevindt zich een waterkering, plaatmateriaal.

1e verdieping

- In alle ruimten bevindt zich tegen de wanden en plafonds plaatmateriaal.

Zolder

- Rondom het rookgasafvoerkanaal bevindt zich plaatmateriaal.

(…)

I.7. Algemeen advies

- Tijdens het onderzoek zijn in de woonkamer van huisnummer [huisnummer d] visueel waarneembare losse restanten asbest aangetroffen. Aanvullend zijn kleefmonsters genomen om een eventueel niet zichtbare asbestbesmetting aan te tonen. Op basis van de visuele waarnemingen en de analyse resultaten van de kleefmonsters adviseren wij de woonkamer van huisnummer [huisnummer d] niet meer te betreden zonder persoonlijke beschermingsmiddelen;

- Gezien de aangetroffen asbestbesmetting in de woonkamer adviseren wij een omgevingsluchtmeting uit te laten voeren teneinde vast te kunnen stellen of asbestvezels in de binnenlucht aanwezig zijn. De luchtmonsters dienen geanalyseerd te worden met behulp van elektronen microscopie. Dit is de enige analysemethode waarmee asbestvezels onomstotelijk in lucht kunnen worden vastgesteld. Aan de hand van het analyseresultaat dient toetsing plaats te vinden aan het Verwaarloosbaar Risiconiveau. Dit is de norm die door het Ministerie van VROM is bepaald en is vastgelegd op 1.000 vezelequivalent/m3;

- Wij adviseren voor de renovatie eerst de aangetroffen asbestbronnen door een deskundig bedrijf te laten verwijderen;

(…)”

( e) [geïntimeerden] hebben [appellanten] bij brieven van 27 en 30 januari 2006 geïnformeerd omtrent hun bevindingen met betrekking tot het asbest in de woning.

( f) Op 20 augustus 2007 hebben [geïntimeerden] ten laste van (thans) appellante sub 1 conservatoir beslag doen leggen op een haar toebehorende appartementsrecht.

( g) In de eerste aanleg van dit geding vorderden [geïntimeerden] na enkele wijzigingen van eis de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van een bedrag van € 53.423,06 (inclusief btw) wegens schade ter zake van het asbestvrij maken en wederom gereedmaken van de woning, een bedrag van € 1.785,= (inclusief btw) wegens buitengerechtelijke kosten en een bedrag van € 1.172,15 ter zake van het asbestrapport, een en ander te vermeerderen met de beslag- en proceskosten. Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank voormelde schadevordering en vordering ter zake van het asbestrapport toegewezen, beide met wettelijke rente vanaf 20 februari 2006, [appellanten] in de proceskosten verwezen (waaronder begrepen de kosten van het gelegde beslag en het tijdens het geding uitgebrachte deskundigenbericht) en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.2.1.

Grief I is gericht tegen overweging 5.3 van het tussenvonnis van 26 november 2008 en houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van de juistheid van het asbestrapport moet worden uitgegaan.

3.2.2.

Het hof stelt voorop dat [appellanten] de deskundigheid van AA & C met betrekking tot asbest op zichzelf niet ter discussie hebben gesteld, zodat van die deskundigheid zal worden uitgegaan. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat in de meterkast, de schoorsteen en het klompenhok asbest aanwezig was. De vraag is echter of zich ten tijde van de levering meer asbest in de woning bevond. Volgens [geïntimeerden] is dat het geval, volgens [appellanten] niet. De rechtbank heeft het standpunt van [geïntimeerden] gevolgd op grond van het volgens haar door [appellanten] onvoldoende weersproken asbestrapport.

3.2.3.

Verworpen wordt allereerst de stelling van [appellanten] dat zij - vanwege het feit dat het door [geïntimeerden] ingeschakelde bedrijf Duikersloot Asbestverwijdering al op 20 februari 2006 met zijn verwijderingswerkzaamheden was begonnen - onvoldoende tijd hebben gehad om een (tegen)onderzoek te doen verrichten. Niet gesteld of gebleken is immers dat [appellanten] [geïntimeerden] naar aanleiding van de onder 3.1 (e) genoemde brieven van 27 en 30 januari 2006 (of al eerder) hebben verzocht tot een dergelijk onderzoek in de gelegenheid te worden gesteld. In de brief van mr. A.J. Schogt van ARAG Rechtsbijstand van 20 februari 2006 ligt een dergelijk verzoek niet besloten. Het komt voor rekening en risico van [appellanten] dat zij geen tegenrapport hebben laten uitbrengen.

3.2.4.

De stelling van [appellanten] dat het asbestrapport slechts “oriënterend” van aard is, vindt, daargelaten dat ook bij een dergelijk onderzoek asbest kan worden vastgesteld, geen steun in het rapport. Dat vermeldt immers onder I.4 dat een volledig (asbest)onderzoek is uitgevoerd. De omstandigheid dat geen destructief onderzoek heeft plaatsgevonden, doet hieraan op zichzelf niet af. Ook de opmerking van [appellanten] dat het onderzoek “slechts een visuele inspectie (lijkt) in te houden” vindt geen steun in het asbestrapport, nu dit onder I.3 (g) en 2.3 vermeldt dat verdachte materialen zijn bemonsterd en geanalyseerd.

3.2.5.

Het feit dat de als “V01” en “V02” aangeduide plaatsen (plaatmateriaal huisnummers [huisnummer c] en [huisnummer d] , begane grond en eerste verdieping tegen de wand en het plafond door de gehele woning respectievelijk plaatmateriaal huisnummer [huisnummer d] , zolder, rondom rookgasafvoerkanaal) niet zijn bemonsterd leidt, anders dan [appellanten] betogen, niet zonder meer tot de conclusie dat de aanwezigheid van asbest op die plaatsen niet is vastgesteld. Het asbestrapport vermeldt immers onder 3 (pagina 8 bovenaan) dat het hier visuele waarnemingen betreft die niet zijn bemonsterd omdat dit ongewenste beschadigingen zou opleveren of omdat het zeker is dat het verdachte materiaal daadwerkelijk asbest bevat. Uit het feit dat deze plaatsen in het vervolgens onder 4 opgenomen overzicht als asbestbronnen worden aangemerkt, leidt het hof af, mede gezien de samenvatting onder I.6, dat AA & C van oordeel is dat zeker is dat deze plaatsen daadwerkelijk asbest bevatten. De vraag rijst dan echter wel waarom AA & C ook het voorkómen van ongewenste beschadigingen als reden voor deze niet-bemonstering heeft vermeld. Omdat [appellanten] bovendien onweersproken hebben gesteld dat de wanden waren bepleisterd en dat niet door pleisterwerk kan worden heen gekeken, is naar het oordeel van het hof voorshands onvoldoende duidelijk op welke grond AA & C tot de conclusie is gekomen dat (kennelijk) al het plaatmateriaal tegen de wanden en de plafonds op de begane grond en op de eerste verdieping asbest bevat. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen bij akte een verklaring of nader rapport van AA & C in het geding te brengen waarin de benodigde duidelijkheid op dit punt wordt verschaft. [appellanten] zullen hierop vervolgens mogen reageren.

3.2.6.

Het voorgaande neemt niet weg dat uit het, mede gezien het hiervoor overwogene, in zoverre onvoldoende bestreden asbestrapport blijkt dat zich ook op andere plaatsen dan de schoorsteen, de meterkast en het klompenhok asbest bevond. Het hof wijst in dat verband op de door AA & C geanalyseerde monsters “ML01” (huisnummer [huisnummer d] , tuin, onder het raamkozijn, los), “M02” (huisnummer [huisnummer c] , gang, tegen de wand en het plafond), “SL04” (huisnummer [huisnummer d] , woonkamer, onder raamko-zijn achterzijde van de vloer), “SL05” (huisnummer [huisnummer d] , woonkamer, ter hoogte van de ingang, van de vloer) en “SL06” (huisnummer [huisnummer d] , overloop, van de vloer), waarbij tel-kens de aanwezigheid van asbest is vastgesteld. De door [appellanten] gestelde omstandigheid, indien al juist, dat [geïntimeerden] de aangetroffen asbest niet volgens de geldende (veiligheids)voorschriften hebben doen verwijderen, doet hieraan niet af.

3.2.7.

Iedere verdere beslissing ten aanzien van deze grief zal worden aangehouden. Uit overweging 3.4.2 zal blijken dat het hof de in 3.2.5 besproken kwestie (slechts) van belang acht in verband met (de omvang van) de schade.

3.3.1.

Met grief II komen [appellanten] op tegen overweging 5.1 van het tussenvonnis van 26 november 2008, welke als volgt luidt:

“Artikel 7:23 BW vereist dat de koper de verkoper binnen bekwame tijd na de ontdekking van een gebrek in kennis stelt van het feit dat wat is geleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt. [appellanten] stelt dat [geïntimeerden] niet aan die verplichting heeft voldaan. De rechtbank deelt dat standpunt niet. Toen kort na de levering het vermoeden van asbest opkwam, heeft [geïntimeerden] een onderzoek laten verrichten. Gelet op de relatief korte tijd die met het onderzoek van AA & C Nederland B.V. gemoeid ging, mocht [geïntimeerden] dat onderzoek afwachten. Na kennisname van het asbestrapport van 6 december 2005 had [geïntimeerden] voldoende zekerheid dat zijn vermoeden juist was dat er asbest in de woning aanwezig was. De klachttermijn is vanaf toen gaan lopen. Vaststaat dat [geïntimeerden] [appellanten] bij brieven van 27 en 30 januari 2006 van de bevindingen uit het asbestrapport op de hoogte gesteld, hetgeen geacht moet worden binnen bekwame tijd te zijn geschied. (…)”

3.3.2.

Het hof onderschrijft deze overweging van de rechtbank en maakt die tot de zijne. De stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] ten tijde van de (volgens hen) sloopwerkzaamheden even na 14 november 2005 van de aanwezigheid van asbest op de hoogte hadden kunnen zijn omdat AA & C dit reeds bij een visuele inspectie heeft kunnen vaststellen, is onjuist omdat [geïntimeerden] , anders dan AA & C, niet deskundig zijn op het gebied van asbest en het hun vrijstond hun vermoeden eerst door een deskundige te laten onderzoeken alvorens bij [appellanten] te klagen.

3.4.1.

Met grief III keren [appellanten] zich tegen de oordelen van de rechtbank in het tussenvonnis van 26 november 2008 dat het aangetroffen asbest aan normaal gebruik van de woning in de weg staat (overweging 5.4), dat de woning niet de eigenschappen bezat die [geïntimeerden] op grond van de overeenkomst mochten verwachten (overweging 5.5) en dat de woning direct al bij de overdracht niet aan de overeenkomst beantwoordde (overweging 5.6). [appellanten] stellen hiertoe dat, als het in de woning gebruikte plaatmateriaal al asbesthoudend was, het ging om hechtgebonden asbest dat, als het niet wordt bewerkt, geen gebrek oplevert.

3.4.2.

Ook als later zal worden geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat zich in het als “V01” en “V02” aangeduide plaatmateriaal asbest bevond, faalt de grief vanwege het volgende. Het hof gaat er - op grond van de onder 3.1 (d) geciteerde passage uit paragraaf I.I van het asbestrapport en het door [geïntimeerden] onder randnummer 23 van de memorie van antwoord gestelde - weliswaar van uit dat [geïntimeerden] de woning wilden verbouwen/renoveren en dat zij daarmee al een aanvang hadden gemaakt toen AA & C haar onderzoek verrichtte, maar acht het een normaal gebruik van een in 1977 gebouwde woning, indien deze na aankoop en levering door de nieuwe eigenaar wordt verbouwd/gerenoveerd, ook als in dat verband tevens sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd. Dat normale gebruik is niet mogelijk gebleken, reeds omdat in het asbestrapport (onder I.7) op grond van de visueel waar-neembare losse restanten asbest is geadviseerd de woonkamer van huisnummer [huisnummer d] niet meer te betreden zonder persoonlijke beschermingsmiddelen en de asbestbronnen (dus ook deze en niet alleen het litigieuze plaatmateriaal) te laten verwijderen. Daarom is niet van belang of zich in de woning hechtgebonden asbest bevond dat, indien het ongemoeid zou zijn gelaten, geen gevaar voor de gezondheid zou hebben opgeleverd.

3.5.1.

Grief IV strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte in overweging 5.5 van het tussenvonnis van 26 november 2008 heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] de afwezigheid van asbest in onder meer het plaatmateriaal in de woning niet behoefden te betwijfelen en te dezen aan hun onderzoekplicht hebben voldaan.

3.5.2.

Tijdens de in eerste aanleg op 18 augustus 2008 gehouden comparitie van partijen heeft de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende verklaard:

“De verkopende makelaar heeft gewezen op de meterkast welke een asbestplaatje zou bevatten. Cliënten hebben toen gevraagd of er nog meer asbest was. Daarop is geantwoord dat er ook asbest in het klompenhok zat. Op de vraag van cliënten of er nog meer was, is nee geantwoord. Cliënten hebben toen gezegd dat het goed was.”

[appellanten] hebben - afgezien van hun stelling dat zij ook een asbestplaatje in de open haard hebben gemeld - de juistheid van deze verklaring niet betwist, zodat van de juistheid ervan moet worden uitgegaan.

3.5.3.

Anders dan [appellanten] is het hof - met de rechtbank - van oordeel dat [geïntimeerden] hebben voldaan aan hun te dezen geldende onderzoekplicht door twee keer expliciet te vragen of er nog meer asbest was (dan het reeds door [appellanten] gemelde), zulks ongeacht of bij een uit 1977 daterende woning de aanwezigheid van asbest mocht worden verwacht. De omstandigheid dat [geïntimeerden] geen gewag hebben gemaakt van hun - volgens [appellanten] bestaande - sloopplannen doet hieraan niet af, reeds omdat [appellanten] niet hebben gesteld dat zij in dat geval een ander antwoord zouden hebben gegeven. De vraag of [appellanten] al dan niet aan een op hen rustende mededelingsplicht hebben voldaan, kan in het midden blijven omdat de rechtbank de vordering van [geïntimeerden] heeft toegewezen op grond van, kort gezegd, wanprestatie wegens non-conformiteit en niet op grond van wanprestatie wegens schending van een op [appellanten] rustende mededelingsplicht. De grief faalt dus.

3.6.1.

Met grief V betogen [appellanten] dat de rechtbank in overweging 5.6 van het tussenvonnis van 26 november 2008 ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel I lid 6 van de Algemene Bepalingen van het koopcontract, zoals onder 3.1 (b) geciteerd niet als een exoneratiebeding kan worden opgevat.

3.6.2.

De grief faalt omdat dit oordeel juist is. De bewuste bepaling houdt slechts in dat [appellanten] geen wijzigingen aan de woning mogen aanbrengen tussen het sluiten van de koopovereenkomst en de levering. Waar [appellanten] betogen dat zij aan deze verplichting hebben voldaan en stellen dat voor rekening en risico van [geïntimeerden] moet komen dat zij vervolgens de woning volledig zijn gaan strippen, miskennen zij (wat er van die stelling feitelijk zij) dat [geïntimeerden] hun vordering niet op schending van deze contractuele bepaling hebben gebaseerd.

3.7.1.

Grief VI houdt in dat de rechtbank in overweging 5.7 van het tussenvonnis van 26 november 2008 ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellanten] zonder inge-brekestelling in verzuim zijn geraakt, omdat [geïntimeerden] uit de (onder 3.3.3 genoemde) brief van de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellanten] hebben mogen afleiden dat [appellanten] de overeenkomst niet in de door [geïntimeerden] gewenste zin zouden nakomen. Kennelijk, zo menen ook [appellanten] , heeft de rechtbank zich daarbij gebaseerd op art. 6:83 aanhef en onder c BW.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat [appellanten] zonder ingebrekestelling in verzuim waren, omdat na levering van de woning is gebleken dat deze vanwege de aangetroffen asbest niet aan de overeenkomst beantwoordde. Deze tekortkoming kon niet meer ongedaan worden gemaakt, zodat nakoming reeds blijvend onmogelijk was in de zin van art. 6:81 BW. De grief heeft dus geen succes.

3.7.3.

Overigens heeft de rechtbank, voor zover nodig, in de zojuist genoemde brief terecht een mededeling als bedoeld in art. 6:83 aanhef en onder c BW gezien, omdat daarin aansprakelijkheid van [appellanten] van de hand wordt gewezen. Dat [geïntimeerden] aan het slot van de brief wordt verzocht zich nader uit te laten over (onder meer) de mogelijke gevolgen van de (toen nog) door hen ingeroepen ontbinding van de koopovereenkomst, doet daaraan niet af.

3.8.

Grief VII is gericht tegen overweging 5.8 van het tussenvonnis van 26 november 2008. Voor zover deze grief inhoudt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat [appellanten] jegens [geïntimeerden] toerekenbaar zijn tekortgeschoten, mist hij in het licht van al het voorgaande zelfstandige betekenis, althans is hij onvoldoende toegelicht. Voor het overige heeft de grief betrekking op de door [geïntimeerden] geleden schade en zal hij in een later stadium van het geding, tezamen met de grieven IX tot en met XIV, worden behandeld.

3.9.

Met grief VIII keren [appellanten] zich overweging 2.5 van het tussenvonnis van 22 juli 2009 en overweging 2.1 van het tussenvonnis van 3 maart 2010, waarin de rechtbank telkens heeft geoordeeld, kort gezegd, niet te zullen terugkomen van haar beslissing dat [appellanten] ten aanzien van de tussen hen en [geïntimeerden] gesloten overeenkomst toerekenbaar zijn tekortgeschoten. Uit het falen van de grieven I tot en met VII (voor zover besproken) volgt dat de rechtbank terecht niet van die beslissingen is teruggekomen en dat de grief dus faalt.

3.10.

De grieven IX tot en met XIV (en grief VII voor zover nog niet besproken) heb-ben betrekking op de schade en zullen later worden behandeld. Het hof sluit niet uit dat te zijner tijd in verband hiermee een comparitie van partijen zal worden gelast.

3.11.

In appel vorderen [appellanten] de betaling van (onder meer) een bedrag van € 5.432,02, met wettelijke rente, ter zake van door hen gemaakte kosten in verband met een bankgarantie teneinde [geïntimeerden] ertoe te bewegen het onder 3.1 (f) genoemde beslag op te heffen. [appellanten] zullen echter in deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zij in eerste aanleg geen eis in reconventie hebben gedaan en art. 353 lid 1 Rv eraan in de weg staat dat een dergelijke vordering voor het eerst in hoger beroep wordt ingesteld. Deze beslissing zal nu al in het dictum worden neergelegd.

3.12.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 22 september 2015 voor een akte aan de zijde van [geïntimeerden] met het hiervoor onder 3.2.5 vermelde doel, waarna [appellanten] bij akte zullen mogen reageren;

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun voor het eerst in appel ingestelde vordering tot betaling van € 5.432,02, met wettelijke rente;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, R.J.M. Smit en J.C.W. Rang en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.