Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:341

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
23-002945-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Bespreking verweer m.b.t. voorwaardelijk opzet. In eerste aanleg TBS met voorwaarden opgelegd en in hoger beroep TBS met dwangverpleging. (terbeschikkingstelling)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-002945-14

Datum uitspraak: 10 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-654243-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

thans gedetineerd in [PPC Amsterdam].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) een persoon (te weten X-32) van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die persoon (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de nek en/of hals en/of het gezicht, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden;

1subsidiair:
hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam aan een persoon (te weten X-32), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een ontsierend litteken in het gezicht en/of de hals en/of geen gevoel in het (linker)oor), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de nek en/of de hals en/of het gezicht, althans het lichaam te steken en/of te snijden;

1
1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) een persoon (te weten X-32) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die persoon (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de nek en/of hals en/of het gezicht, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden;


2:
hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten

[verbalisant 1] (hondengeleider bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het/de be(n)e(n), althans het lichaam, heeft geslagen en/op gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij op 24 oktober 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten X-32, van het leven te beroven, met dat opzet die persoon meermalen met een mes in de hals en het gezicht heeft gestoken en gesneden;


2:
hij op 24 oktober 2013 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], hondengeleider bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen met kracht tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking relevante verweren raadsman

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de poging tot doodslag niet kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de betrekkelijk ongerichte bewegingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood als gevolg meebrachten, noch dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood tot gevolg had kunnen hebben.

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier het volgende vast.

Op 24 oktober 2013 bevindt het (latere) slachtoffer, een opsporingsambtenaar bezig met een observatieopdracht, zich op de IJburglaan te Amsterdam. Hij is op weg naar een adres, maar moet zijn auto stil zetten om in het stratenboek te kijken, aangezien hij de route in het relatief nieuwe stadsdeel nog niet goed kent. Op het moment dat hij het stratenboek weer neerlegt en weg wil rijden, staat de verdachte naast zijn auto aan de bestuurderszijde. De verdachte tikt op het raam, waarop het slachtoffer het raam van het portier ongeveer 10 centimeter omlaag doet. De verdachte geeft aan het slachtoffer een vraag te willen stellen, maar hem niet goed te kunnen horen. Hierop doet het slachtoffer het raam verder open. De verdachte haalt op dat moment vrijwel direct uit met een stanleymes in de richting van de hals en het gezicht van het slachtoffer. Het slachtoffer voelt dat hij in ieder geval twee keer in zijn nek wordt geraakt. De verdachte stopt niet uit eigen beweging met het uithalen naar de hals en het gezicht van het slachtoffer: laatstgenoemde moet zich uit de situatie vechten en maakt de verdachte het stanleymes afhandig. De verdachte vertrekt daarna direct. Het slachtoffer doet licht aan in de auto en kijkt in de binnenspiegel. Hij ziet een lap ‘vlees’ vanaf onder zijn oor hangen. Uit de wond ziet hij bloed spuiten.

Ter terechtzitting in hoger beroep is een foto voorgehouden waarop de gehechte verwondingen van het slachtoffer te zien zijn. De letselverklaring van R.A.M. Strijbosch, arts assistent, en R.W. Peters, chirurg, van 9 december 2013 spreekt van een forse laceratie in de linkerzijde van het aangezicht, doorlopend in de hals en spreekt bij de primaire diagnose van (in ieder geval) één steekwond in de hals met parotis- en facialisletsel.

De verdachte heeft met het stanleymes het slachtoffer in de halsstreek geraakt en verwond op een plaats waar zich vitale organen en (slag)aderen bevinden. Het hof acht algemeen bekend dat zich met name in de hals belangrijke bloedvaten bevinden, zoals de halsslagaderen, en dat deze daar in verhouding dicht onder de huid gelegen zijn. Het is niet nodig om met een scherp voorwerp zoals een stanleymes diep in de halsstreek te steken of te snijden om deze bloedvaten te raken of door te snijden. De kans is aanmerkelijk dat deze bloedvaten geraakt worden bij het steken en snijden in de halsstreek met een stanleymes, alsook dat iemand als gevolg daarvan komt te overlijden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niets naar voren gekomen op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de verdachte zich van deze kans niet bewust is geweest. Daarom is het hof van oordeel dat de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van zijn, verdachtes, handelen een levensbedreigende verwonding zou oplopen waaraan het slachtoffer kon komen te overlijden ook voor de verdachte kenbaar moet zijn geweest.

Ten aanzien van de bewuste aanvaarding van de hiervoor omschreven kans overweegt het hof als volgt.

Anders dan de raadsman heeft gesteld, zijn de bewegingen van de verdachte geenszins ‘betrekkelijk ongericht’ geweest. De verdachte heeft arm, schouder noch borstkas als richtpunt gehad, maar heeft juist richting de hals en het gezicht van het slachtoffer uitgehaald, zonder daarbij uit eigen beweging te stoppen dan wel de uithalen op andere delen van het lichaam te richten. Het hof acht deze gedragingen zo zeer gericht op een dodelijk gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dodelijke afloop ook heeft aanvaard. Uit de gang van zaken vallen hieromtrent evenmin contra-indicaties te distilleren.

Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever, zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman van verdachte heeft ook voor het onder 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte alleen afwerende bewegingen heeft gemaakt en zijn handelen derhalve niet wederrechtelijk is geweest. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verbalisant [verbalisant 1] niet langer in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is geweest, omdat het door hem toegepaste geweld disproportioneel was en derhalve onrechtmatig.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte aangehouden nadat hij een melding had gekregen van een steekpartij waarbij een collega in de hals was geraakt. Met die wetenschap en achtergrondinformatie en onder de omstandigheid dat [verbalisant 1] alleen was, was het geweld – toegepast nadat verdachte weigerde te voldoen aan de aanwijzingen die hem werden gegeven – proportioneel. De verdachte is hierna om zich heen gaan slaan en heeft daarbij de voornoemde verbalisant geraakt. Het geweld dat daarna is toegepast om de verdachte in bedwang te krijgen en te houden, was, tegen de achtergrond van de steekpartij die de aanleiding tot de aanhouding was, evenmin onrechtmatig of buitenproportioneel.

Voor het overige vinden de door de raadsman gevoerde verweren hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Psychiater C.J. van Gestel en psycholoog A.E. Haan hebben over de verdachte rapporten uitgebracht en zijn gehoord als deskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg. Zij komen tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type. Ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde feit beïnvloedde deze omstandigheid, in combinatie met het gebruik van cocaïne en cannabis, voor een groot deel de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte. Dit heeft geleid tot het advies van de deskundigen om de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het hof neemt deze conclusies met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte over en maakt die tot de zijne.

Gelet op het hiervoor overwogene is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde geheel uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een nietsvermoedend slachtoffer. Het slachtoffer is door de verdachte met een stanleymes in zijn hals en gezicht gesneden en in zijn hals gestoken. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat moest vrezen voor zijn leven. Een dergelijk handelen zorgt doorgaans voor langdurig (psychisch) trauma bij het slachtoffer en draagt bij aan gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid in de samenleving. Voorts heeft de verdachte de politieagent mishandeld die hem naar aanleiding van voornoemde poging tot doodslag wilde aanhouden.

Het hof neemt, zoals reeds bij de strafbaarheid van de verdachte besproken, de conclusies van de deskundigen omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over. Hiermee houdt het hof rekening bij de straftoemeting.

Terbeschikkingstelling

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De verdediging heeft verzocht de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, mogelijk in combinatie met een lagere gevangenisstraf.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Een verdachte bij wie, tijdens het begaan van een feit, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht én de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

De maatregel van terbeschikkingstelling ziet enerzijds op maatschappelijke beveiliging en anderzijds op re-integratie van de ter beschikking gestelde door middel van behandeling en/of verpleging. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is welke vorm van terbeschikkingstelling – de variant met dwangverpleging of die met voorwaarden – na afweging van deze twee aspecten de aangewezene is.

Psychiater Van Gestel heeft in het de verdachte betreffend rapport Pro Justitia van 17 april 2014 onder meer het volgende geschreven:

“Betrokkene werd in de zomer van 2013 opgenomen bij de Jellinek voor een paar dagen om hem clean te krijgen. Daarna kwam hij op de wachtlijst voor een eigen woning. Zijn schuldsanering liep niet goed, wat reden was om betrokkene aan te melden voor bewindvoering. Betrokkene reageerde hierop met achterdocht en verliet het Martien Schaaperhuis. Hij kwam korte tijd later weer terug. Betrokkene stond in die periode een keer met een mes achter een andere woonbegeleider. (…) Betrokkene was die dag “geladen” geweest. Hij had niet op zijn eigen kamer willen slapen, omdat hij daar “afgehakte mensen” onder zijn bed zag liggen Hij zag ook slangen en voelde dat die in zijn lijf prikten. Betrokkene had in zijn eigen lichaam willen prikken om van de slangen af te komen. Hij had een andere slaapkamer gekregen. Betrokkene was beoordeeld door de crisisdienst en had andere medicatie gekregen, waarmee het snel beter ging.

(…)

Betrokkene is na klinische behandeling over het algemeen psychosevrij en abstinent, in staat om zich in enige mate te ontplooien in werk en zijn leven enigszins zelfstandig in te richten. Hiertoe wordt hij ook steeds gestimuleerd, omdat de betrokkene zich goed voor weet te doen. Betrokkene valt dan evenwel steeds terug in drugsgebruik en wordt dan weer opgenomen, meestal omdat anderen dat noodzakelijk vinden.

(…)

Als betrokkene te zeer verward was en slecht functioneerde, volgde een opname, de laatste jaren meestal in de verslavingszorg. Na een opname pakte de betrokkene de draad weer op, wat zo goed ging dat de intensiteit van de begeleiding uiteindelijk altijd werd verminderd, waarna betrokkene weer verviel in drugsgebruik. In deze cirkel draaide betrokkene rond tot aan het huidige tenlastegelegde.

(…)

Op grond van de beschikbare stukken, de anamnese, het psychiatrisch onderzoek in engere zin en de collaterale informatie, komt de ondergetekende tot de conclusie dat er bij betrokkene inderdaad sprake is van schizofrenie van het paranoïde type, met zowel positieve (haptische en visuele hallucinaties, waanideeën), als negatieve symptomen (beperkt affect, initiatiefloosheid). Daarnaast is er sprak van afhankelijkheid van middelen, aanvankelijk cannabis, daarna van XTC en de laatste ongeveer tien jaar van cocaïne. Beide stoornissen vuren elkaar aan: betrokkene gebruikt bij spanningen of een gebrek aan afleiding drugs, met name als begeleidings- en behandelingsintensiteit beperkt is. Dit heeft per se een ongunstig effect op zijn schizofrenie en het beïnvloedt bovendien zijn medicatietrouw nadelig. Betrokkene ontregelt in psychotische zin, wat hem angstig maakt en zijn drugsgebruik doet toenemen.

(…)

Betrokkenes stoornissen bestonden beide ten tijde van het hem ten laste gelegde feit. (…) Betrokkenes schizofrenie en zijn verslaving zijn beide ernstige stoornissen, die de persoonlijkheidsontwikkeling van de betrokkene en zijn actuele gedragskeuzes doorlopend beïnvloeden, maar betrokkene heeft inmiddels zoveel behandeling gehad, dat hij weet dat het aanschaffen van een mes om cocaïne te kunnen versnijden een risicosignaal is. Betrokkene heeft hier niet op geacteerd en het mes opzettelijk verborgen voor zijn begeleiders.

(…)

Het tenlastegelegde, indien bewezen, is evenwel een ernstig feit, dat zonder makkelijk herkenbare aanloop opeens ontstaan is. Deze vaststelling, gecombineerd met het ernstige en chronische karakter van de bij betrokkene vastgestelde psychische stoornissen, beïnvloedt de risicoprognose ongunstig.

Als gekeken wordt naar risicofactoren voor gewelddadig gedrag, zoals samengebracht in de HCR-20, komt ondergetekende tot de volgende risicotaxatie:

H1: er is sprake geweest van eerder ernstig gewelddadig gedrag;

H2: dit gedrag heeft zich voorgedaan na zijn 18de;

H3: er is geen sprake van een stabiele relaties;

H4: er zijn duidelijke problemen in het arbeidsverleden;

H5: er is sprake van ernstig middelengebruik;

H6: er is sprake van een ernstige psychische stoornis;

1-17: de PCL-SV-score was niet beschikbaar;

1-18: er waren duidelijke problemen in de kindertijd;

H9: er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis;

H10: betrokkene heeft zich eerder aan toezicht onttrokken, maar dit was niet ernstig;

C1: er is een gebrek aan zelfinzicht;

C2: er zijn geen negatieve, procriminogene opvattingen:

C3: er zijn mogelijke psychotische symptomen;

C4: er is sprake van enige impulsiviteit;

C5: betrokkene reageert vooralsnog matig op behandeling;

RI: plannen hebben een redelijke kans van slagen;

R2: betrokkene kan aan destabiliserende factoren worden blootgesteld;

R3: er is enig gebrek aan persoonlijke steun;

R4: er is grote kans dat betrokkene meewerkt aan adequate behandelopties;

R5: naar verwachting zal betrokkene enige stress ervaren buiten detentie, bijvoorbeeld ten

aanzien van zijn schulden.”

Psychiater Van Gestel heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voorts gesteld dat de verdachte langdurige begeleiding met steun, behandeling en beveiliging nodig heeft. Daarbij zou het klinische traject van langere duur moeten zijn. Een maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is onvoldoende, omdat die na een jaar zou stoppen. Volgens de psychiater zal het drugsvrij blijven van de verdachte met “ups” en “downs” gepaard gaan. Als het langdurig intensief monitoren niet mogelijk is, dan is het de vraag of de voorgestelde vorm (van zorg en behandeling) sowieso kan, aldus de psychiater.

Het hof acht het van belang om in dit kader op te merken dat uit informatie van derden in het forensisch psychiatrisch onderzoek van Van Gestel blijkt dat de verdachte snel overschat wordt/werd als het een periode goed gaat/ging.

Ook in het rapport Pro Justitia van 16 april 2014 van psycholoog A.E. Haan komt uit informatie van derden naar voren dat er bij de verdachte een risico van overschatting (van eigen situatie en mogelijkheden) bestaat, kennelijk niet alleen door derden, maar ook door de verdachte zelf. Uit derdeninformatie in het rapport komt tevens naar voren dat de verdachte in juli 2013 werd opgenomen met als doel een langere opname, maar dat hij tegen advies in na een week met ontslag ging.

Het rapport van A.E. Haan behelst onder meer de volgende informatie:

“Betrokkene is een 39-jarige man die in het contact gedurende het onderzoek een normale adequate indruk maakt. Hij is reeds jarenlang bekend met de combinatie van paranoïde schizofrenie en afhankelijkheid van cocaïne. Behandeling heeft tot op heden helaas nog niet geleid tot een langdurige periode van stabiliteit en abstinentie van cocaïne. Dit heeft in het verleden reeds twee keer aanleiding gegeven tot het plegen van (gewelds)delicten, met een maatregel ex art. 37 tot gevolg. Ook heeft het voortdurend geleid tot schommelingen in psychisch functioneren en onrust en therapieontrouw in zijn behandelingen.

(…)

Voor de beoordeling van het tenlastegelegde vanuit gedragsdeskundig perspectief is van belang dat betr. vanuit een ziekelijke stoornis het contact met de realiteit volstrekt kwijt was geraakt. In die zin is het gedrag ten tijde van het tenlastegelegde volledig vanuit zijn stoornis te verklaren. Echter, het is aan betr. reeds jaren bekend dat medicatieontrouw en gebruik van cocaïne hem telkens weer in een toestand van psychose kunnen brengen, met dit keer helaas het tenlastegelegde tot gevolg. Voor het feit dat hij zich telkens weer aan behandeling onttrekt of deels onttrekt en overgaat op gebruik van cocaïne, zonder daarin voldoende hulp en steun te zoeken, kan naar het inzicht van rapporteur niet worden gesteld dat hij daarvoor zelf geen enkele verantwoordelijkheid draagt.

(…)

De onvoorspelbaarheid, de impulsiviteit en de ernst van het delict leveren een zeer gevaarlijke combinatie op voor wat betreft herhalingsrisico. De belangrijkste risicofactoren zijn in de afgelopen jaren bijna permanent aanwezig geweest en ondanks dat ging het lange tijd betrekkelijk goed, zonder gewelddadige escalaties. Het is niet goed te verklaren waarom nu deze geweldsuitbarsting plaats vond. Mogelijk heeft hierin ook een rol gespeeld dat hij toenemend gefrustreerd is geraakt vanwege zijn ziekte en dat dit hem blijft drijven tot gebruik van cocaïne. Hoe het ook zij, zolang hij niet stabiel is voor langere tijd, blijft risico op gewelddadig gedrag aanwezig.

(…)

Wat betreft de klinische items is te zien dat hij positief scoort wat betreft gebrekkig zelfinzicht (met ook overschatting van eigen mogelijkheden en onderschatting van zijn drugsproblemen), actieve psychotische symptomen, impulsiviteit in gedrag en het onvoldoende reageren op behandeling, zeker waar het zijn cocaïneafhankelijkheid betreft.

(…)

Wat betreft de risicohanterings-items is te zien dat betr. plannen heeft met geringe kans van slagen (zoals het zelfstandig wonen); dat er een hoge kans is op blootstelling aan destabiliserende factoren, waaronder bijvoorbeeld zijn gebruikerscontacten; dat hij een geringe beschikbaarheid van persoonlijke steun heeft; dat er een grote kans is dat hij in de toekomst opnieuw onvoldoende meewerkt aan behandelmogelijkheden en dat hij naar verwachting een hoge mate van stress zal ervaren indien hij geen adequate behandeling en begeleiding krijgt.

Alles overziend lijkt er sprake van een hoog recidiverisico wat betreft gewelddadige escalatie, soortgelijk aan de escalatie bij het tenlastegelegde, indien hij zonder adequaat behandel- en begeleidingskader zou komen te verkeren. Zelfs binnen het kader van reguliere ggz behandeling, met een reguliere vorm van beschermd wonen, is hij tot een gewelddadig delict gekomen, zodat kan worden gesteld dat ook binnen een dergelijk kader sprake is van delictrisico.

(…)

De werkelijke bescherming tegen recidiverisico moet vrijwel volledig worden verwacht van een intensief niveau van hulpverlening, van een woonsituatie onder intensieve supervisie van hulpverleners en een intensief toezicht.

(…)

Voor het terugdringen van recidiverisico is een lange termijn strategie van belang, omdat hij tot op heden telkens wel voor enige tijd goed kan functioneren of althans de schijn kan wekken naar anderen dat hij goed functioneert. Telkens volgt na enkele maanden echter weer een terugval in drugsgebruik of een psychotische decompensatie.”

Psycholoog Haan heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voorts verklaard dat de verdachte een goed beveiligingsniveau voor de lange termijn nodig heeft en dat dit in een TBS-kliniek aanwezig is. Hij heeft echter gesteld dat de intensieve begeleiding die de verdachte nodig heeft niet per se binnen de muren plaats hoeft te vinden. Deze zou ook plaats kunnen vinden in de vorm van 24-uurs begeleiding. De psycholoog benadrukt echter hoe belangrijk de beschermingsfactoren zijn. Hij merkt daarover bijvoorbeeld op dat de motivatie van de verdachte oprecht schijnt te zijn, maar dat het onduidelijk is of dat in de toekomst zonder nadere maatregel zo blijft. De motivatie kan ondermijnd worden door de stoornis en soms zijn verdachten bijzonder gemotiveerd na dergelijke strafrechtelijke incidenten. Die motivatie mag niet de kans krijgen te verslappen. Bij de verdachte is de motivatie alleen onvoldoende om bescherming te bieden. Als de motivatie niet wordt ondersteund door inzicht en medicatie en deze factoren op peil zijn, volstaat een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet meer, aldus de psycholoog als deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof stelt op grond van de bovengenoemde rapportages vast dat de kans groot is dat de verdachte wederom feiten zal plegen waarbij de veiligheid van personen in het geding kan of zal komen. Het verleden van de verdachte is in dat kader sprekend en daaruit is gebleken dat het zowel op kortere als langere termijn, ondanks de intensieve programma’s die de verdachte reeds heeft doorlopen, is misgelopen. De behandelingen, medicatie, opnames en goede wil die de verdachte heeft getoond, hebben dit niet kunnen voorkomen.

De voornoemde deskundigen en de reclasseringswerker zijn het eens over de gewenste langdurigheid van het traject waarin de verdachte behandeld en begeleid zal moeten worden. De vraag is echter of een terbeschikkingstelling met voorwaarden daar het juiste uitgangspunt voor is. Hoewel de deskundigen positief staan tegenover een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden, is niettemin gebleken dat de verdachte – ondanks eerdere behandeling, begeleiding, periodes in klinieken, een traject bij de Jellinek alsook andere vormen van verslavingszorg én ondanks dat hij een hoge mate van inzicht lijkt te hebben in zijn problematiek – tot op heden niet abstinent heeft kunnen blijven van verdovende middelen die een negatieve invloed hebben op zijn psychische gesteldheid. Hierdoor heeft de verdachte geen stabiel leven kunnen opbouwen.

Het hof komt op grond van al hetgeen hiervoor is weergegeven, anders dan deskundigen hebben geadviseerd, tot de slotsom dat het noodzakelijk is een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan de verdachte op te leggen. Daarvoor acht het hof het volgende mede van belang. De deskundigen hebben weliswaar geconcludeerd dat het voor deze verdachte in eerste instantie niet noodzakelijk is om langdurig te worden behandeld in de klinische setting van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, maar uit hun rapporten is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de duur van de klinische behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden lang genoeg zal zijn om het gevaar in te tomen dat de stoornissen van de verdachte veroorzaken. Gezien de gerapporteerde beperkte therapietrouw en frequente terugval in drugsgebruik van de verdachte in het verleden acht het hof het van groot belang dat de behandeling niet bij voorbaat in tijd beperkt wordt, maar dat de voortgang van de behandeling wordt gemonitord en een mogelijke vervolgstap naar begeleid wonen eerst wordt gezet op het moment dat de verdachte daar aan toe is, zonder een gevaar voor zijn omgeving te vormen. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden acht het hof in casu dan ook niet adequaat, omdat het beloop en de duur van de behandeling – gezien de ervaringen uit het verleden – onvoldoende voorspelbaar is. Met het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt de meeste zekerheid verkregen wat betreft het terugdringen van het recidiverisico.

De maatregel zal worden opgelegd wegens poging tot doodslag, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Het hof heeft in de oplegging van de straf en maatregel meegewogen dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 januari 2015 in 1998 ter zake poging tot doodslag in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst en dat dit in 2002 wederom is gelast ter zake poging tot zware mishandeling, beschadigingen van auto’s en andere vernielingen.

Beslag

Het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is voorbereid met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een verpakking met daarin afbreekmesjes. Het behoort de verdachte toe. Het voorwerp zal daarom worden verbeurd verklaard.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.

Vordering van de benadeelde partij Codenr. X-32

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.568,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 14.210,89. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het restant van de vordering, te weten de kosten met betrekking tot RPU-verlof, is het hof van oordeel dat behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

verpakking met daarin meerdere afbreekmesjes (4630752).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een zaktelefoon, merk Nokia (4630827), een zaktelefoon, merk Nokia (4631204), een simkaarthouder T-Mobile (4630831), een simkaart T-Mobile (4705060), een simkaart Tele 2 (4705059) en een vest, merk Nike, kleur geel (4630744).

Vordering van de benadeelde partij Codenr. X-32

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Codenr. X-32 ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 14.210,89 (veertienduizend tweehonderdtien euro en negenentachtig cent) bestaande uit € 1.710,89 (duizend zevenhonderdtien euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Codenr. X-32, een bedrag te betalen van € 14.210,89 (veertienduizend tweehonderdtien euro en negenentachtig cent) bestaande uit € 1.710,89 (duizend zevenhonderdtien euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 106 (honderdzes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. J.K.M. Gevers, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2015.

mr. P.F.E. Geerlings en mr. J.K.M. Gevers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]