Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3381

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
200.170.659/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Ontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.170.659/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/583903 / KG ZA 15-372

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 augustus 2015 (bij vervroeging)

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M. Westerveld te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.A. Bouwman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 20 mei 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 22 april 2015 dat onder bovenvermeld zaak-/rolnummer is gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellante] als gedaagde. [appellante] heeft overeenkomstig de dagvaarding van grieven gediend en producties overgelegd. [appellante] heeft daarbij verzocht om behandeling van de zaak als spoedappel, welk verzoek is gehonoreerd.

Hierna heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord, met een productie, genomen.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 juli 2015 doen bepleiten, [appellante] door mr. Westerveld voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Bouwman voornoemd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve, voor zover van belang, ook het hof als uitgangspunt, waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit de niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen.

2.1.

Partijen zijn [in] 1994 met elkaar gehuwd. Vanaf 7 juni 1999 wonen

zij samen in de woning aan het [adres] (hierna: de woning).

2.2.

Bij beschikking van 16 april 2014 heeft de rechtbank Amsterdam de

echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens heeft zij bij die beschikking bepaald dat [geïntimeerde] met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak van de echtscheiding huurder van de echtelijke woning zal zijn. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover relevant, het volgende overwogen:

“De rechtbank overweegt dat beide partijen aanspraak maken op de echtelijke woning. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de man [ [geïntimeerde] , hof] toekomt. Het belang van de man prevaleert, gelet op zijn gezondheidssituatie, boven dat van de vrouw [ [appellante] , hof]. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende met stukken onderbouwd dat hij psychische klachten heeft. Het standpunt van de vrouw, dat partijen de woning hebben gekregen doordat zij daarvoor lang in een sociale woning op de [adres] woonde - een woning waar de man sinds 1997 al met de vrouw samen woont - doet hier niet aan af, mede nu de vrouw niet heeft betwist dat de man gezondheidsproblemen heeft.”

2.3.

Aarras heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Bij

beschikking van 23 december 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen:

“Beide partijen hebben een belang bij toewijzing van het huurrecht van de woning, reeds in verband met hun financiële(uitkering)situatie en het ontbreken van (voldoende) netwerk. Evenals de rechtbank is het hof echter van oordeel dat het belang van de man zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De gezondheidssituatie van de man is daarbij doorslaggevend. De vrouw heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat de gezondheidssituatie van de man slechts “gefabriceerd” is, een aantal getuigenverklaringen van kennissen en familieleden van partijen in het geding gebracht. Nog daargelaten de betrouwbaarheid en deskundigheid van die getuigen, blijkt naar het oordeel van het hof uit de stukken van het dossier afdoende de lichamelijke en psychische toestand van de man. (…) Dat de vrouw medische en/of psychische klachten heeft van soortgelijke ernst als de man, is niet gebleken. (…) Daarnaast is gebleken dat de vrouw in elk geval enig (familie)netwerk heeft, terwijl dit bij de man geheel afwezig is. Op grond van bovenstaande is het hof van oordeel dat het belang van de man bij toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning prevaleert boven dat van de vrouw. Het hof acht in deze zaak niet van doorslaggevend belang door wiens toedoen partijen de woning in 1999 hebben verkregen, wie de huur voldoet en op wiens naam de woning staat, zodat dit evenmin tot een ander oordeel leidt.”

2.4.

De reactie van [geïntimeerde] op het verweerschrift van [appellante] in de

echtscheidingsprocedure in eerste aanleg vermeldt onder meer het volgende:

“De man [ [geïntimeerde] , hof] stelt voor dat bij toewijzing van de echtelijke woning aan hem, de vrouw nog tot een half jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gebruik mag maken van de woning en de inboedel van de woning.”

2.5.

De echtscheidingsbeschikking is op 14 januari 2015 ingeschreven in de registers

van de burgerlijke stand.

2.6.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] [appellante]

gesommeerd de woning te verlaten.

2.7.

[appellante] heeft de woning niet vrijwillig verlaten.

3 Beoordeling

3.1.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van

[geïntimeerde] in zoverre toegewezen, dat [appellante] op straffe van een dwangsom is veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op. Het hof zal de grieven van [appellante] hierna gezamenlijk bespreken.

3.2.

[geïntimeerde] heeft het bestreden vonnis aan [appellante] doen betekenen en op

20 juli 2015 heeft de ontruiming van [appellante] uit de woning plaatsgevonden.

3.3.

Het hof stelt voorop dat de door het hof bij beschikking van 23 december 2014 bekrachtigde beschikking van de rechtbank van 16 april 2014 (zie 2.2 en 2.3) kracht van gewijsde heeft. Het hof is derhalve aan deze uitspraak gebonden. [appellante] heeft wel gesteld dat zij - naar het hof begrijpt - een verzoek tot herroeping van de beschikking van het hof zal indienen, maar dat is tot op heden niet gebeurd en ook overigens is op grond van de door [appellante] overgelegde stukken op dit moment niet voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van door [geïntimeerde] in de procedure gepleegd bedrog ten aanzien van zijn lichamelijke en psychische toestand. Het hof neemt dan ook op grond van de genoemde uitspraken tot uitgangspunt dat de samenleving tussen partijen duurzaam is ontwricht, dat [appellante] de woning dient te verlaten omdat het huurrecht aan [geïntimeerde] is toegewezen en de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de burgerlijke stand. [appellante] heeft de woning evenwel niet vrijwillig verlaten, ook niet na sommatie door (de gemachtigde van) [geïntimeerde] . Het voortduren van de samenleving in deze situatie is niet wenselijk. Reeds daarmee is het spoedeisend belang van [geïntimeerde] gegeven.

3.4.

Aangezien [geïntimeerde] het huurrecht heeft, is de vordering tot ontruiming van [appellante] terecht toegewezen. Het onderhavige geschil ziet thans nog (slechts) op de door de voorzieningenrechter vastgestelde ontruimingstermijn. Volgens [appellante] had haar een ruimere termijn moeten worden gegund. [appellante] beroept zich in dit verband onder meer op een toezegging van [geïntimeerde] dat, indien het huurrecht aan hem zou worden toegewezen, [appellante] nog een half jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de woning zou kunnen blijven wonen (zie 2.4). Voor zover hier al sprake zou zijn van een toezegging waaraan [appellante] rechten zou kunnen ontlenen, kan deze toezegging [appellante] niet baten omdat de genoemde termijn inmiddels is verstreken. Overigens heeft [appellante] het gehuurde op 20 juli 2015, dus na ommekomst van deze op 14 januari 2015 aangevangen termijn, (moeten) verlaten (zie 3.2). De door [appellante] aangevoerde persoonlijke omstandigheden kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat een ruimere ontruimingstermijn had moeten worden vastgesteld. Aangenomen dat [appellante] een afhankelijke vrouw is en een zeer slechte psychische gesteldheid (suïcidegedachten) heeft, is het hof van oordeel dat, gezien ook de lichamelijke en geestelijke toestand van [geïntimeerde] , een spoedig einde aan de samenleving in het belang van beide partijen was. Daar komt bij dat [appellante] over enig (familie)netwerk beschikt en dat [appellante] , anders dan zij stelt, al vanaf de beschikking van de rechtbank van 16 april 2014 en in ieder geval na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de burgerlijke stand op 14 januari 2015 ermee rekening had kunnen en moeten houden dat zij de woning zou moeten verlaten. [appellante] heeft echter tot op heden, zoals zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, geen pogingen ondernomen om een andere woning te vinden. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter dan ook terecht de ontruimingstermijn op twee weken na betekening van het vonnis vastgesteld.

3.5.

Nu noch gesteld, noch gebleken is dat dwangsommen zijn verbeurd, heeft [appellante] geen belang (meer) bij bespreking van haar grief die is gericht tegen de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom.

3.6.

De slotsom is dat de grieven van [appellante] geen doel treffen. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd. Omdat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, R.J.M. Smit en D.J. van der Kwaak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.