Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3360

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
200.150.464/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:10712, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Limitering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 18 augustus 2015

Zaaknummer: 200.150.464/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/204487 / FA RK 13-2226

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…] ,

wonende te […] ,

appellant,

advocaat: mr. M.P.J. Appelman te Purmerend,

tegen

[…] ,

wonende te […] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.H.F. Overkleeft te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 28 mei 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 maart 2014 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/204487 / FA RK 13-2226.

1.3.

De vrouw heeft op 24 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 13 en 29 augustus 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 29 augustus 2014 een nader stuk ingediend.

1.6.

De zaak is op 10 september 2014 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten ter terechtzitting behandeld. In verband met een verwijzing naar mediation is de behandeling van de zaak aangehouden. Hiervan is een verkort proces-verbaal opgemaakt.

1.7.

De man heeft bij brief van 9 maart 2015 het hof verzocht de zaak opnieuw ter terechtzitting te behandelen.

1.8.

De vrouw heeft op 13 en 18 mei 2015 nadere stukken ingediend.

1.9.

De behandeling ter terechtzitting is op 20 mei 2015 voortgezet, alwaar zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1980 gehuwd. Hun huwelijk is op 21 maart 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 januari 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover thans van belang, een door de man met ingang van de dag van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 1.344,- per maand. Deze beschikking is in zoverre bij beschikking van 8 november 2011 van dit hof bekrachtigd.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1953. Hij is alleenstaand.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1958. Zij is alleenstaand.

Zij kampt sinds eind 2002 met lichamelijke klachten. In 2003 is bij haar de diagnose reumatische artritis gesteld.

Zij was werkzaam in loondienst bij [stichting] . Blijkens de jaaropgaven over 2012 en 2013 bedroeg haar fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 9.023,- en € 12.369,-. Blijkens de salarisstrook van december 2014 bedroeg haar jaarsalaris in dat jaar € 13.052,-. Haar contract is op 3 oktober 2014 beëindigd. Daarna heeft zij tot en met 2 januari 2015 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot nihilstelling per 1 januari 2013, dan wel verlaging van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zoals vastgesteld in de beschikking van 27 januari 2011 van de rechtbank Alkmaar, afgewezen. Voorts is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de uitkering tot het levensonderhoud tot een periode van vijf jaar te limiteren, te rekenen vanaf de datum van de beschikking van dit hof van 8 november 2011.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 januari 2013 op nihil te stellen, althans met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift (26 juni 2013), althans een zodanige uitkering tot levensonderhoud vast te stellen als het hof juist acht, alsmede dat deze uitkering tot levensonderhoud eindigt direct volgend op het moment dat de man stopt met werken en partijen (hun deel van) het door de man opgebouwde ouderdomspensioen krijgen uitgekeerd.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Primaire verzoek

4.1.

De man verzoekt het hof primair de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: de partneralimentatie) met ingang van 1 januari 2013 of met ingang van 26 juni 2013 (datum indiening inleidend verzoekschrift) op nihil te stellen. Volgens hem is de behoefte van de vrouw lager dan de rechtbank heeft vastgesteld en kan zij voor het overige in haar eigen levensonderhoud voorzien.

De vrouw weerspreekt dat.

4.2.

Naar het hof begrijpt verzoekt de man dus de bij beschikking van 27 januari 2011 vastgestelde partneralimentatie van € 1.344,- per maand te wijzigen. Op grond van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, die een nieuwe beoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigt. De vrouw heeft immers na de beschikking van dit hof van 8 november 2011 een baan gevonden, waarmee zij inkomen verdient en, al dan niet gedeeltelijk, in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof zal hierna ingaan op de stellingen van partijen en beoordelen of de vastgestelde partneralimentatie gewijzigd moet worden. Daarbij is in hoger beroep niet in geschil dat de man nog steeds draagkracht heeft om de thans geldende bijdrage te voldoen.

Behoefte

4.4.

De man stelt allereerst dat de behoefte van de vrouw lager is dan de behoefte die de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft vastgesteld van € 1.783,- netto per maand (€ 2.691,- bruto per maand). De 60%-norm (‘hof-norm’) die de rechtbank heeft toegepast, moet gecorrigeerd worden vanwege de zeer lage woonlasten die de vrouw heeft.

De vrouw weerspreekt dat de behoefte op een lager bedrag moet worden vastgesteld.

4.5.

Het hof stelt vast dat de grief van de man niet gericht is tegen het berekenen van de huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de hof-norm. De man wil dat de uitkomst daarvan wordt gecorrigeerd. In de hof-norm is echter geen specifieke post voor woonlasten opgenomen. Toepassing van voornoemde, forfaitaire norm impliceert dat niet naar elke afzonderlijke post wordt gekeken om de behoefte vast te stellen. Het corrigeren van het resultaat daarvan in verband met één kostenpost staat dan ook op gespannen voet met die systematiek. De man heeft onvoldoende duidelijk gemaakt op welke wijze de aldus vastgestelde behoefte zou moeten worden gecorrigeerd. Zijn betoog dat dit moet gebeuren “zodanig, dat de vrije ruimte van partijen in een meer gelijkwaardige verhouding met elkaar komt te staan” kan het hof niet volgen, nu de bepaling van de “vrije ruimte” alleen een rol speelt bij de vaststelling van de draagkracht en niet aan de orde is bij het vaststellen van de omvang van de behoefte. Zijn grief faalt dus. De behoefte die de rechtbank heeft berekend, staat daarmee vast.

Aanvullende behoefte

4.6.

Daarnaast stelt de man dat de vrouw meer kan gaan werken, waardoor zij volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In dat kader voert de man aan dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond waarom zij niet meer dan 20 uur per week kan werken. Het hof leest de verdere toelichting van de man op die manier dat hij stelt dat de reumaklachten van de vrouw geen beperkende factor opleveren, omdat die klachten goed te onderdrukken zijn met medicijngebruik.

De vrouw verweert zich hiertegen.

4.7.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de vrouw sinds 2003 reuma heeft. Onweersproken is dat zij veel pijn, last van vermoeidheid en andere kwalen heeft als gevolg van de reuma en de medicatie die zij daartegen inneemt. Weliswaar blijft in hoger beroep onduidelijk of en zo ja, in welke mate deze klachten een beperking opleveren voor het totaal aantal uur dat de vrouw per week kan werken, maar het hof is gebleken dat de vrouw ook om andere redenen niet meer dan 20 uur per week kan werken. Dit volgt allereerst uit de brief van haar voormalige werkgever, gedateerd 15 juli 2014, waarin staat dat zij haar aantal uren niet kan uitbreiden. Daarnaast staat in die brief dat de maximale contractomvang voor haar functie 20 uur per week is. Tot slot schrijft haar werkgever dat zij haar contract evenmin bij andere vestigingen kan uitbreiden, gelet op de bezuinigingen. Ten tweede is komen vast te staan dat het arbeidscontract van de vrouw op 3 oktober 2014 buiten haar schuld is beëindigd en niet is verlengd. Of de vrouw op haar leeftijd van 57 jaar nog een nieuwe baan zal vinden en zo ja, voor hoeveel uur zij zal kunnen werken, is op dit moment onduidelijk. In het licht van het vorenstaande heeft de man zijn stelling dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien onvoldoende toegelicht. Zijn grief faalt.

4.8.

De man verzoekt subsidiair de partneralimentatie van € 1.344,- per maand te wijzigen in een zodanig bedrag als het hof wenselijk acht. Hij verzoekt daarbij te bepalen dat hij geen partneralimentatie meer verschuldigd is op het moment dat hij stopt met werken en het door hem opgebouwde ouderdomspensioen aan partijen wordt uitgekeerd.

4.9.

Aangezien de hiervoor besproken grieven van de man falen, waardoor de huwelijksgerelateerde behoefte en de aanvullende behoefte van de vrouw die de rechtbank heeft berekend, vaststaan, bestaat er geen grond om de partneralimentatie op een ander (lager) bedrag dan € 1.344,- per maand vast te stellen.

Limitering

4.10.

Het verzoek van de man te bepalen dat hij geen partneralimentatie meer aan de vrouw hoeft te betalen op het moment dat hij met pensioen gaat, wijst het hof af. Weliswaar zal de pensionering van de man een wijziging van omstandigheden tot gevolg hebben, maar op dit moment blijft onduidelijk wanneer de man met pensioen zal gaan. Daarnaast is onduidelijk welke gevolgen dit precies zal hebben voor de behoefte aan en draagkracht voor betaling van partneralimentatie, te meer daar de hoogte van het door de man te ontvangen pensioen mede afhangt van zijn pensioendatum. Uit de door de man in het geding gebrachte oriënterende berekening van de Stichting Pensioenfonds ANWB van 7 juli 2014 blijkt voorts dat in alle daarin doorgerekende varianten het door de vrouw te ontvangen vereveningsdeel in elk geval niet haar huwelijksgerelateerde behoefte zal dekken. Het hof zal daarom op deze gebeurtenis niet vooruit lopen. Daarbij overweegt het hof nog ten overvloede dat in verband met de ingrijpende gevolgen van limitering hoge eisen dienen te worden gesteld aan de te stellen en zo nodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering rechtvaardigen. Reeds nu de man niet duidelijk heeft gemaakt wanneer hij met pensioen zal gaan, heeft de man niet aan die verzwaarde stelplicht voldaan.

4.11.

Bij deze stand van zaken heeft de man geen belang meer bij zijn grief dat de rechtbank hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot limitering van de partneralimentatie.

4.12.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de in 4.3. genoemde wijziging van omstandigheden er niet toe heeft geleid dat de vastgestelde partneralimentatie niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het verzoek van de man in hoger beroep af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. H.T. Klein Schiphorst als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.