Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3344

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
13/00406
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat het handelen van belanghebbende op ontduiking van de rechten bij invoer was gericht, zodat de verlengde mededelingstermijn van vijf jaar niet van toepassing is. De douaneschuld is door verjaring teniet gegaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22e
Douanewet 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2133
NTFR 2015/2411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00406

21 mei 2015

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/1992 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de minister van Economische Zaken, de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De minister heeft met dagtekening 1 juli 2009 een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt voor een bedrag van € [bedrag] aan definitieve antidumpingrechten (ADR).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de minister bij uitspraak, gedagtekend 6 april

2012, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Bij uitspraak van 12 juni 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende

ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 16 juli 2013. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Van het

verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’ en de minister als ‘verweerder’:

“2.1. Eiseres is opgericht op 16 juni 1989 en exploiteert een textielgroothandel. De handelsnamen van eiseres zijn [X] B.V. en [C] Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft eiseres vier gevolmachtigd directeuren, die allen alleen en zelfstandig bevoegd zijn. Dat zijn [A 1] , [B] , [D 1] en [E] (hierna: [E] ). [E] bezit 25% van de aandelen van eiseres. De overige directeuren bezitten ook elk 25% van de aandelen van eiseres.

2.2.

[Y] en [S] B.V. hebben in de periode van 13 juli 2004 tot en met 22 september 2005 namens eiseres 13 aangiften gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die in die aangiften telkens zijn omschreven als “beddenlinnen bedrukt 50/50 polyester/katoen kategorie nr. 20”, “beddenlinnen van katoen bedrukt kategorie nr 20”, “beddenlinnen van katoen” en “beddenlinnen van katoen bedrukt”. In de aangiften is als land van oorsprong de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) vermeld en de aangegeven taric-codes zijn 6302 22 90 19, 6302 21 00 89 en 6302 31 90 90. Bij alle aangiften is een certificaat van oorsprong overgelegd, inhoudende dat de aangegeven goederen in de VAE zijn geproduceerd. Een deel van de certificaten van oorsprong is blijkens het daarop geplaatste stempel afgegeven door de “Minis. Of Econ. & Plannings United Arab Emirates”.

2.3.

Eiseres heeft de goederen gekocht van [F] te [G] in de VAE (hierna: [F] ). [F] is een dochtermaatschappij van de in Pakistan gevestigde [H] (hierna: [H] ).

2.4.

In april/mei 2007 heeft het anti-fraude bureau van de Europese Commissie (OLAF) in samenwerking met de autoriteiten in de VAE een onderzoek uitgevoerd naar de geldigheid van de bij de aangiften ten invoer overgelegde certificaten van oorsprong. De conclusie van het missierapport van 13 mei 2007 is onder meer, dat de dertien hiervoor onder 2.2 genoemde certificaten van oorsprong weliswaar echt zijn, maar dat zij ten onrechte zijn afgegeven op basis van onjuiste en misleidende informatie die is overgelegd door de exporteurs van de goederen. In volume I van het missierapport staat onder paragraaf 3.1.1 het volgende vermeld:

3.1.1 [F]

The company [F] (herafter: [F] ) has been identified as exporter form more than 133 consignments of cotton bed linen sets to Ireland (88), Sweden (14), France (12), Netherlands (16) and Spain (1) declared as originating in the UAE from April 2004 to May 2006. The consignments were covered by 133 certificates of non-preferential UAE origin issued by the MoE in [G] . In addition and after the conduct of the mission, approximately another 80 consignments of [F] were identified by the United Kingdom and therefore they do not appear in the list of consignments related to [F] . The list of the aforementioned 133 consignments identified prior to the mission is attached in Annex2.

[F] is a general trading house established in [GAIFZ] ( [GAIFZ] ) and in [IAFZ] ( [IAFZ] ). [F] is specialized in trading, importing and distributing textiles products. [F] is a subsidiary of [H] , Pakistan, which is the [...] exporting company in textile products in Pakistan. See http://www. [H] .com

[H] in Pakistan exported bed linen directly to the Community customers until 2004. The Pakistani bed linen became too expensive after the imposition of the relevant anti-dumping duties in March 2004. Therefore, [F] decided to move production to the UAE to avoid the anti-dumping duties.

[F] then exported ready made bed linen to the Community which was ‘manufactured’ in the UAE from fabrics imported from [H] in Pakistan during the period where the high antidumping duty rate was applicable. The ‘manufacturing’ consisted of cutting, stitching, labelling and packing.

[F] in the UAE stopped supplying Community customers early 2006, at the time that the European Commission reduced the definitive anti-dumping duty from 13.1% to [tarief] % for [H] in Pakistan. Following EC Regulation No 695/2006, the Community customers came back to sourcing cotton bed linen directly from [H] in Pakistan.

[F] main customers from Ireland, Netherlands and Sweden visited the premises of [F] in the UAE and they were aware of the type of manufacturing carried out by [F] .

The manager of [F] in the UAE made a written statement to certify the information provided. In addition, [F] provided the Community team with customs import bills corresponding to the importation of fabrics and ready made bed linen from Pakistan into the UAE and customs export bills showing the re-exportation of bed linen from Pakistan to the Community. [F] provided also a list of their Community customers and other official documentation related to the company registration in the UAE. The written statement made from the [F] Manager is attached to the Agreed Minutes of the Mission annexed in this report.

In addition, the Community team visited the shipping agency [J] , (hereafter: [J] ) which appeared as agent in the customs import bills provided by [F] . [J] was requested to retrieve from their records and print out the bills of lading corresponding to eight [J] bills of lading shown in the documents received from [F] . These printed bills of lading show exports from [H] Pakistan to [F] of fabrics and/or sets of bed linen.

The five [F] Visit Reports, the customs import and export bills, other commercial documentation provided by [F] and the photographs taken are in Annexes 3 to 4. The [J] Visit Report and the eight bills of lading are in Annex 5.

Conclusions

[F] either ‘manufactured’ bed linen from fabrics originating in Pakistan, which does not confer the UAE origin on the goods, or re-exported bed linen imported into the UAE from Pakistan. Therefore, the bed linen exported by [F] has retained the Pakistani origin and, consequently, is liable to anti-dumping duty. The certificates issued by the MoE to [F] are invalid and therefore have been withdrawn by the MoE. The latter had acted in good faith when issuing the certificates of origin on the basis of incorrect and misleading documentation.”

2.5.

Op 22 december 2008 hebben medewerkers van de FIOD een overzichtsproces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal wordt gerelateerd dat een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar de handelwijze van eiseres en haar directeuren [A 1] sr. en [D 1] jr. Als vermoedelijk strafbaar feit is vermeld dat op 16 aangiften ten invoer voor beddenlinnen opzettelijk een onjuiste oorsprong is aangegeven. Als gevolg hiervan is de betaling van antidumpingrecht ontlopen. Voorts is door het doen van onjuiste aangiften ten invoer artikel 62 van het Communautair Douane Wetboek (Verordening (EG) 2913/92, hierna CDW) overtreden. Dit is strafbaar gesteld in artikel 10.5 van de Algemene douanewet. Tot 1 augustus 2008 was dit strafbaar gesteld in artikel 48 van de Douanewet.

Bij bovengenoemd overzichtsproces-verbaal zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- Ambtshandelingen (hierna: AH) 01 tot en met 34

- Verdachten-verhoren (hierna: V) 01/01 en 03/01

- Getuigen-verhoren (hierna: G) 01/01 en 02/01

- Bijlagen (hierna: D) 01 tot en met 60.

2.5.1.

Op bladzijde 0019 van het overzichtsproces-verbaal staat onder meer het volgende vermeld:

“ (…)

AH/02, AH/04, AH/15 en D/08

Door [K] , directeur van [F] -VAE en tevens lid van het managementteam van [H] -Pakistan, werd echter verklaard dat de importeurs uit de Europese Gemeenschap, waaronder [X] B.V., aan de [H] in Pakistan verzochten om een oplossing om zodoende de antidumpingheffingrechten uit Pakistan te kunnen vermijden. In overleg met deze importeurs werd besloten om het beddenlinnen via de VAE aan te leveren.

(…)”

2.5.2.

Tot de stukken van het geding behoren onder andere de volgende documenten:

- Bijlage D/35, een e-mail van [E] aan [A 1] . Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“ (…)

We can ship via Dubai but lead time for shipment will be 12 week ex Dubai.

(…)”

- Bijlage D/38, een e-mail van 1 september 2004 van [E] aan [D 1] . Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

I THINK THIS IS GOOD ORDER FROM [N] HOLLAND OF 10,000 SET. IT IS POSSIBLE WE CAN SHIP THIS FIRST WEEK JAN 2005 DIRECTLY FROM PAKISTAN INSTEAD OF SHIPPING THROUGH UAE? THERE IS ALREADY A LOT IN UAE TIL DEC.

(…)”

- Bijlage D/57, een Excell-spreadsheet met een overzicht van prijzen ‘100% cotton 40/40 130x70 sateen’. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

NOTE these prices are from Pakistan to Rotterdam

If you want to ship from Pakistan to UAE then to Rotterdam please add 4% to these prices

(…)”

- Bijlage D/60, een e-mail van 29 januari 2005 van [A 1] een [L] met een cc aan [E] @ [H] .com en [D 1] @ [H] .nl. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

[D 1] spoke tot Mr. [E] about import duty problem as all the running artical with post order companies can not be changed.

Mr. [E] agreed tot give us reduction of 8% on the process we are paying now for all the running things.

If you ship the goods from UAE 4% reduction will be given.

Best will be that you can reduce prices by 8% from Pakistan and give the same prices tot UAE and they add 4% on those prices.

What ever suit you please get this confirmation from Mr. [E] end make the invoices accordingly.

[A 1]

(…)”

2.5.3.

Ambtshandeling AH/02 is een proces-verbaal opgesteld op 4 februari 2008 door

[M] , rechercheur van de Belastingdienst /FIOD, aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar voor alle strafbare feiten. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Ter aanvulling op deze visit reports en de verklaring van [K] , verklaar ik, verbalisant, het volgende:

Met betrekking tot het beddenlinnen bestemd voor [X] verklaarde de directeur van exporteur [F] ( [F] ), [K] , op 2 mei 2007 ten overstaan van de EU-delegatie, dat de importeurs uit de Europese Gemeenschap, waaronder [X] BV, vóór de totstandkoming van de antidumpingmaatregelen hun bedlinnen direct importeerden vanuit Pakistan, van de [F] .

Omdat het Pakistaanse bedlinnen te duur werd na de totstandkoming van de antidumpingmaatregelen, hadden de Europese importeurs, waaronder [X] , de [H] in Pakistan verzocht om een oplossing om zodoende de extra kosten, te weten de antidumpingheffing ad 13,1% op bedlinnen oorsprong Pakistan te kunnen vermijden.

Voorts verklaarde [K] , , dat in overleg met de betreffende importeurs, waaronder [X] , voor de oplossing werd gekozen via de VAE te worden beleverd.

(…)

Deswege zou ook Mr. [A 1] van [X] de productielocatie van [F] in de VAR hebben bezocht.

(…)

Mr. [K] verklaarde voorts, dat levering via de VAE vanaf 2006 niet meer noodzakelijk was en niet meer had plaatsgevonden, omdat toen de herziene (lagere) antidumpingrechten van bedlinnen oorsprong Pakistan van kracht werden en de Europese importeurs opnieuw rechtstreeks vanuit Pakistan werden beleverd.

(…)”

2.5.4.

Bijlage V.03/01 is een proces-verbaal van het horen van [D 1] op

12 december 2008. Daarin staat op pagina 3 van 15 onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Ondanks dat ze 25% aandelen hebben, heeft [H] Pakistan geen invloed op de dagelijkse bedrijfsvoering maar ze hebben wel invloed op de grote strategische lijnen.

(…)”

2.2.

De hiervoor vermelde feiten zijn door partijen op zichzelf niet bestreden, zodat het Hof hier ook van zal uitgaan. Het Hof voegt hieraan het volgende toe.

2.3.

De in de UTB begrepen invoeraangiften zijn alle gedaan door douane-expediteurs op eigen naam en voor eigen rekening, in opdracht van belanghebbende en op basis van door belanghebbende verstrekte gegevens.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep primair in geschil of de UTB terecht en op juiste gronden aan belanghebbende is uitgereikt. Partijen houdt met name verdeeld of belanghebbende terecht als schuldenaar is aangemerkt en, zo ja, of de boekingstermijn van vijf jaar van toepassing is.

3.2.

Subsidiair is in geschil of het antidumpingrecht 13,1% bedraagt, zoals de minister bepleit, dan wel [tarief] %, zoals belanghebbende voorstaat.

3.3.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil – voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende overwogen:

“(…)

Tarief

4.5.1.

Op 5 maart 2004 is in werking getreden Verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan, waarin is bepaald dat het definitief antidumpingrecht op beddenlinnen van katoenvezels, ingedeeld onder onder meer GN-code 6302 21 00 (Taric-code 89) en van oorsprong uit Pakistan, 13,1% bedraagt.

4.5.2.

Op 7 mei 2006 is in werking getreden Verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad van 5 mei 2006 tot wijziging van voornoemde Verordening, waarin is bepaald dat bij de goederen die worden ingedeeld onder goederencode 6302 21 00 89 00 en die geproduceerd zijn door [H] , [O] , [P] in Pakistan, het antidumpingrecht bij invoer in de EU is gewijzigd van 13,1% in [tarief] %.

4.6.

De rechtbank stelt vast dat de utb ziet op aangiften uit de periode van 13 juli 2004 tot en met 22 september 2005. In deze periode was de Verordening (EG) nr. 397/2004 van kracht. Aan Verordening (EG) nr. 695/2006 is geen terugwerkende kracht toegekend. Dit betekent dat de Verordening (EG) nr. 397/2004 van toepassing is op de onderhavige aangiften. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de utb terecht een tarief van 13,1% heeft toegepast. De achteraf geboekte schuld is dan ook niet te hoog vastgesteld.

Douaneschuldenaar

4.7.

Uit artikel 201, derde lid, van het CDW volgt dat, wanneer een douaneaangifte voor een van de in het eerste lid bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar kunnen worden beschouwd.

4.8.

Verweerder heeft de bestreden utb aan eiseres opgelegd omdat eiseres naar de mening van verweerder wist dan wel redelijkerwijze had moeten weten dat de gegevens die zij aan de aangevers verstrekte, verkeerd waren.

4.9.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat verweerder, die wenst af te wijken van de aangiften, de bewijslast draagt van zijn stelling dat eiseres wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar aan de aangever verstrekte gegevens verkeerd waren.

4.10.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder er niet in is geslaagd aan te tonen dat zij onjuiste gegevens heeft verstrekt terwijl zij dit wist dan wel redelijkerwijze had moeten weten. Zij wijst erop dat voor haar de hoogte van de invoerrechten er niet toe doet, omdat zij die doorberekend aan haar klanten. Eiseres, althans haar directeur, heeft te goeder trouw gehandeld.

4.10.2.

Verweerder wijst erop dat er voldoende bewijs is waaruit blijkt dat eiseres wist of redelijkerwijs had moeten weten wat de werkelijke oorsprong van het beddenlinnen was. Zo heeft de directeur van [F] , [K] , verklaard dat de instelling van de antidumpingheffing op beddenlinnen uit Pakistan de reden is geweest om de productie daarvan te verleggen naar de VAE.

4.11.1.

Voor schuldenaarschap in de onder 4.7 beschreven zin is geen subjectieve wetenschap vereist. Gelet op de onder 4.7 opgenomen tekst is voor schuldenaarschap voldoende dat een persoon redelijkerwijze had moeten weten dat de verstrekte gegevens verkeerd waren. Het gaat hier om een geobjectiveerde norm, waarbij de voorzichtige en zorgvuldige marktdeelnemer centraal staat. Het is dus van belang wat de voorzichtige en zorgvuldige marktdeelnemer had moeten weten. In dit kader spelen beroepservaring en kennis een rol.

4.11.2.

De rechtbank is gelet op de hetgeen onder 2 is weergegeven van oordeel dat [E] wist (dan wel redelijkerwijze had moeten weten) dat het beddenlinnen de oorspong Pakistan had. Immers uit de e-mail van hem aan [A 1] , zoals opgenomen onder 2.5.2, blijkt dat beddenlinnen wordt verscheept vanuit Pakistan naar Nederland via de VAE. Voorts heeft [A 1] ter zitting verklaard dat [E] bij [H] verantwoordelijk was voor de export van beddenlinnen. Bovendien blijkt uit de verklaring van [K] , zoals weergegeven onder 2.5.1 en 2.5.3, dat werd gehandeld met het oog op het ontwijken van de antidumpingheffing. Nu [E] ten tijde van de invoer directeur en aandeelhouder was bij eiseres en tevens directeur was bij [H] , is aannemelijk dat hij uit hoofde van die functies op de hoogte was van alle aspecten van de handel in beddenlinnen, althans dat had behoren te zijn, derhalve ook van de instelling van het antidumpingrecht en de (reden van) verplaatsing van de activiteiten naar haar werkmaatschappij in de VAE.

4.11.3.

De rechtbank is van oordeel dat de wetenschap van [E] aan eiseres kan en moet worden toegerekend. [E] was ten tijde hier van belang aandeelhouder en bestuurder van eiseres. Bovendien blijkt uit de verklaring van [D 1] dat [E] betrokken is bij het strategische beleid van eiseres. Daarnaast is eiseres reeds vele jaren actief in de internationale handel in beddenlinnen, zodat zij wordt verondersteld de nodige kennis en beroepservaring te hebben met betrekking tot de voor textiel relevante wet- en regelgeving op het gebied van de douane. Dit betekent dat eiseres wist, althans redelijkerwijze had moeten weten dat de aan de aangevers verstrekte informatie over de oorsprong van het beddenlinnen onjuist was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres terecht als schuldenaar is aangemerkt.

Termijn

4.12.1.

Ingevolge artikel 221, derde lid, van het CDW moet de mededeling aan de schuldenaar plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Artikel 221, vierde lid, van het CDW, bepaalt dat de mededeling overeenkomstig de in de geldende bepalingen gestelde voorwaarden ook nog na het verstrijken van de termijn van drie jaar mag worden gedaan, wanneer de douaneschuld is ontstaan als gevolg van een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was.

4.12.2.

Ingevolge artikel 22e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR, tekst tot 1 augustus 2008) kan de utb indien het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer niet is komen vast te staan ten gevolge van een strafrechtelijk vervolgbare handeling worden vastgesteld binnen vijf jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. In het tweede lid, is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is ten aanzien van personen wier handelen of nalaten niet was gericht op ontduiking van de rechten bij invoer.

4.13.1.

Uit de eerder genoemde verklaring van [K] en de e-mail van [E] blijkt dat eiseres wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat de gegevens die aan de aangever zijn verstrekt onjuist waren, zodat onjuiste aangiften ten invoer zijn gedaan. Door niet de juiste oorsprong in de aangiften ten invoer te (laten) vermelden is de douaneschuld te laag geboekt. Het doen van een onjuiste aangifte is een overtreding die strafbaar is gesteld in artikel 48, eerste lid, van de Douanewet (tekst tot 1 augustus 2008). De rechtbank is van oordeel dat het in de aangiften laten vermelden van een onjuiste oorsprong een handeling is, die ten tijde van de invoer strafrechtelijk vervolgbaar was.

Dat, zoals eiseres stelt, het openbaar ministerie de strafzaak heeft geseponeerd maakt het bovenstaande niet anders. Immers artikel 221 van het CDW vereist niet dat de schuldenaar ook moet zijn bestraft voor de desbetreffende handeling. Voldoende is dat verweerder aannemelijk maakt dat sprake is van een vervolgbare handeling en daarin is verweerder geslaagd.

4.13.2.

Uit onder meer eerdergenoemde verklaring van [K] leidt de rechtbank af dat het handelen van eiseres was gericht op het ontduiken van de antidumpingrechten, zodat eiseres geen beroep kan doen op artikel 22e, tweede lid, van de AWR.

Dat eiseres geen voordeel zou hebben behaald door het ontlopen van antidumpingrechten omdat zij bij de invoer vanuit de VAE invoerrechten moest betalen terwijl dit bij de invoer uit Pakistan niet het geval was, mist volgens de rechtbank feitelijke grondslag. Het tarief van invoerrecht was immers lager dan het ingestelde antidumpingrecht. Bovendien is het preferentiële tarief bij invoer vanuit Pakistan per 1 januari 2005 vervallen, zodat eiseres met haar handelwijze een groot voordeel heeft gecreëerd. De extra opslag van 4% die eiseres moest betalen bij transport via de VAE werd bovendien gecompenseerd met een prijskorting van 8%, zoals blijkt uit bijlage D/60. Dat eiseres, zoals zij stelt, deze korting nooit heeft genoten, komt de rechtbank onaannemelijk voor, mede gelet op de nauwe relatie tussen [H] en eiseres en de positie die eiseres binnen Europa geniet als onderdeel van [H] .

4.13.3.

Aan de voorwaarden van artikel 22e, eerste lid, van de AWR is derhalve voldaan. Dit betekent dat verweerder de termijn om achteraf te boeken terecht heeft verlengd tot vijf jaar, zodat de utb tijdig is opgelegd.

(…).”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Ter zitting heeft belanghebbende bevestigd dat de goederen de niet-preferentiële Pakistaanse oorsprong hebben. Hieruit volgt dat ter zake van de invoer van deze goederen een antidumpingrecht verschuldigd is op grond van Verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Pb. nr. L 066 van 04/03/2004 blz. 0001 – 0014).

5.2.

Een douaneschuld dient op grond van artikel 221, derde lid, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) in beginsel te worden medegedeeld aan de douaneschuldenaar binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan, behoudens termijnverlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel. In zijn arrest van 23 februari 2006, C-201/04, Molenbergnatie NV, punt 39, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) geoordeeld dat artikel 221, derde lid, van het CDW ook een regel bevat betreffende de douaneschuld zelf, namelijk een regel van verjaring van deze schuld. Verjaring leidt tot het tenietgaan van de douaneschuld (arrest Molenbergnatie, punt 41). Het Hof zal daarom eerst onderzoeken of de minister terecht de verlengde termijn van artikel 221, vierde lid, van het CDW heeft toegepast.

5.3.

Op het moment van uitreiking van de UTB was voor alle daarin begrepen douaneschulden de reguliere boekingstermijn van drie jaren verstreken. Artikel 221, vierde lid, van het CDW, biedt de lidstaten van de Europese Unie de mogelijkheid om een langere boekingstermijn te hanteren. Anders dan belanghebbende heeft bepleit beperkt deze mogelijkheid van termijnverlenging zich niet tot situaties waarin de douaneschuld is ontstaan als gevolg van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Voor toepassing van de verlengde termijn van artikel 221, vierde lid, van het CDW volstaat dat de douaneautoriteiten als gevolg van een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat zijn geweest het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten toe te passen (vgl. HvJ EU 17 juni 2010, C-75/09, Agra Srl, punt 32 en 35).

5.4.

In artikel 22e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) (tekst tot

1 augustus 2008) is uitvoering gegeven aan artikel 221, vierde lid, van het CDW. De boekingstermijn bedraagt ingevolge artikel 22e, eerste lid, van de AWR vijf jaren, indien het juiste bedrag aan wettelijk verschuldigde rechten bij invoer niet is komen vast te staan ten gevolge van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Vast staat dat in de aangiften ten onrechte de oorsprong Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) is vermeld (vgl. 5.1) en dat dientengevolge een bedrag van € [bedrag] aan antidumpingrechten niet is geheven. Het doen van onjuiste aangiften was ten tijde van de invoer strafbaar op grond van artikel 48 van de Douanewet. Daar de minister als gevolg van deze strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat was het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen is in beginsel de mededelingstermijn van vijf jaren van toepassing. De omstandigheid dat belanghebbende de onjuiste aangiften niet zelf heeft ingediend staat niet aan toepassing van de verlengde termijn in de weg (HvJ EU16 juli 2009, C-124/08 en C-125/08, Snauwaert e.a., punt 30).

5.5.

De termijn van vijf jaren geldt ingevolge het tweede lid van artikel 22e van de AWR niet ten aanzien van personen wier handelen of nalaten niet was gericht op ontduiking van de rechten bij invoer. Van een op ontduiking van rechten bij invoer gericht handelen of nalaten in de zin van artikel 22e, tweede lid, van de AWR is sprake indien een persoon een strafrechtelijk vervolgbare handeling heeft verricht, als gevolg waarvan het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer niet is komen vast te staan, met het oogmerk de rechten bij invoer te ontduiken. De betrokkene moet zich ervan bewust zijn geweest dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken of dat er een aanmerkelijke kans bestond dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken (Hoge Raad 12 september 2008, nr. 41 846, ECLI:NL:HR:2008:AZ6888, r.o. 3.3).

5.6.

Een redelijke bewijslastverdeling brengt mee dat de minister aannemelijk dient te maken dat belanghebbende het oogmerk had om de rechten bij invoer te ontduiken. De minister heeft daartoe onder meer verwezen naar het missierapport van OLAF en het proces-verbaal van de FIOD/ECD (zie rechtbank, 2.4 resp. 2.5), waaruit volgens de minister blijkt dat belanghebbende ervan op de hoogte was dat een deel van de door haar uit de VAE betrokken goederen in Pakistan is vervaardigd en dat de rest in de VAE is vervaardigd uit Pakistaanse stoffen, waarbij vervolgens in de VAE onvoldoende bewerking heeft plaatsgevonden om de oorsprong VAE te verwerven.

5.7.

Belanghebbende heeft ter zake gesteld dat haar handelen, noch dat van [H] te Pakistan of [F] in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: [F] -VAE), gericht was op ontduiking van de rechten bij invoer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de door de rechtbank aangehaalde verklaring van [K] directeur van [F] -VAE en tevens lid van het managementteam van [H] , dat levering van Pakistaans beddenlinnen via de VAE heeft plaatsgevonden op verzoek de importeurs in de Europese Unie (waaronder belanghebbende) om verschuldigdheid van antidumpingrecht te vermijden, apert onjuist is. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de productie in de VAE reeds in 1999 is aangevangen en dat zij ook in de jaren 2002 en 2003, derhalve vóór de instelling van het antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend bedlinnen uit Pakistan, reeds beddenlinnen geleverd kreeg vanuit de VAE door [F] -VAE, welk beddenlinnen ook toen reeds werd aangegeven als zijnde van oorsprong uit de VAE. Daarbij was, zo stelt belanghebbende, sprake van fiscaal nadeel voor haar, omdat Pakistaans beddenlinnen met een Form A kon worden ingevoerd tegen een preferentieel tarief van 0% douanerecht, terwijl voor de invoer uit de VAE een tarief van 12% douanerecht verschuldigd was. Zij had en heeft evenwel geen invloed op het land van productie; zij plaatst haar bestellingen bij [H] te Pakistan en die bepaalt waar de productie plaatsvindt. Na invoering van het antidumpingrecht is de levering vanuit de VAE voortgezet. Van een fiscaal oogmerk was derhalve geen sprake, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft daarbij tevens opgemerkt dat het verleggen van de handelsstroom na invoering van het antidumpingrecht ook niet voor de hand zou hebben gelegen, nu op het moment van invoering van het antidumpingrecht het tariefverschil tussen oorsprong Pakistan (0% DR en 13,1% ADR) en oorsprong VAE (12% DR) slechts 1,1% bedroeg, zodat het fiscale voordeel in geen enkele verhouding stond tot de extra transport- en vervaardigingskosten die zijn verbonden aan de productie van het beddenlinnen in de VAE uit Pakistaanse stoffen.

5.8.

De minister heeft voormelde stellingen van belanghebbende niet betwist, doch enkel opgemerkt dat belanghebbende en haar zakelijke relaties in Pakistan en de VAE zich wellicht hebben verrekend en dat de geringe omvang van het fiscale voordeel er niet aan af doet dat belanghebbende per saldo een fiscaal voordeel heeft genoten. Naar ’s Hofs oordeel is de minister hiermee niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende, al dan niet tezamen met [H] Pakistan en/of [F] -VAE, heeft gehandeld met het oogmerk de rechten bij invoer te ontduiken in de zin van artikel 22e, tweede lid, van de AWR. De omstandigheid dat belanghebbende als gevolg van de onjuiste aangiften (indirect) enig fiscaal voordeel heeft genoten is op zichzelf onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat belanghebbende heeft gehandeld met een fiscaal oogmerk.

5.9.

Ten aanzien van de door de rechtbank onder 2.5.2 opgenomen citaten, alsmede het door het Hof voorgehouden processtuk met nummer D/41, heeft belanghebbende verklaard dat deze geen betrekking hebben op het vervoer van kant-en-klare eindproducten van Pakistan naar de VAE, gevolgd door transport van de VAE naar Nederland, maar op het vervoer van de benodigde stoffen van Pakistan naar de VAE, productie in de VAE en vervolgens transport van de eindproducten van de VAE naar Nederland. Met levering “through UAE” wordt, aldus belanghebbende, gedoeld op productie in de VAE met gebruik van stoffen van het moederbedrijf te Pakistan. Het Hof acht zulks, met name gelet op de door de rechtbank onder 2.5.2 aangehaalde delen van de bijlagen D/35 en D/38 niet onaannemelijk. De minister heeft deze stelling bovendien niet weersproken.

5.10.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat het handelen van belanghebbende gericht was op ontduiking van de rechten bij invoer. Hieruit volgt dat de minister de UTB binnen de reguliere termijn van drie jaren had behoren uit te reiken aan belanghebbende. Nu hij de UTB nadien heeft uitgereikt moet deze reeds daarom worden vernietigd. De daarin begrepen douaneschulden zijn door verjaring teniet gegaan. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

Slotsom

5.11.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

6 Kosten

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit)

6.2.

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op € 3.672.

7 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de uitnodiging tot betaling;

- veroordeelt de minister in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.672;

- gelast de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 310 (beroep bij de rechtbank) en € 478 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 788 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter van de douanekamer,

E. Polak en D.B. Bijl, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A.J. den Ouden, als griffier. De beslissing is op 21 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.