Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3314

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
200.168.876/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming huurwoning wegens aanwezigheid hennep¬plan-tage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.168.876/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 3885908 KK EXPL 15-262

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 augustus 2015

(bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. T.P. Schut te Amsterdam,

tegen

STICHTING STADGENOOT,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A. Tuinman te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en Stadgenoot genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 2 april 2015, hersteld bij exploot van 16 april 2015, is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2015, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer in kort geding gewezen tussen Stadgenoot als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Ter rolzitting van het hof van 28 april 2015 heeft [appellant] overeenkomstig de appeldagvaarding van grieven gediend en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en, opnieuw recht doende, de vordering van Stadgenoot zal afwijzen, met veroordeling van Stadgenoot in de proceskosten van beide instanties.

Stadgenoot heeft bij memorie de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het hoger beroep, met nakosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) [appellant] huurt sinds 5 april 2011 van (de rechtsvoorganger van) Stadgenoot de woning aan de [adres] (verder: de woning).

(ii) De huurprijs bedraagt € 655,51 per maand.

(iii) Op de tussen partijen bestaande huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden Woonruimte (versie 2009) van (de rechtsvoorganger van) Stadgenoot van toepassing. Daarin is onder meer het volgende bepaald:

8. Verplichtingen van de huurder

Goed huurder

8.1.

De huurder is verplicht zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als een goed huurder te gedragen en het gehuurde naar behoren te stofferen en van huisraad te voorzien.

Bestemming

8.2.

De huurder gebruikt het gehuurde uitsluitend als woonruimte. Het is niet toegestaan de woning als bedrijfsruimte te gebruiken.

(…)

Drugs

8.12.

Het is de huurder niet toegestaan in het gehuurde drugs te verhandelen c.q. hennep te kweken en/of aanwezig te hebben, dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld.

(…)

13. Aansprakelijkheid voor schade

(…)

De huurder

13.2.

De huurder is aansprakelijk voor de schade aan het gehuurde die is ontstaan als gevolg van het feit dat de huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichting(en). Alle schade aan het gehuurde, met uitzondering van brandschade, wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan. De huurder is voor de gedragingen van zijn huisgenoten en degenen die zich met zijn goedvinden in het gehuurde bevinden op dezelfde wijze aansprakelijk als voor zijn eigen gedragingen.”

(iv) In een proces-verbaal van 7 februari 2015 van de Politie Eenheid Amsterdam, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van deze eenheid (verder: het proces-verbaal van politie), is onder meer het volgende opgenomen:

“Op donderdag 22 januari 2015 te 20:15 uur constateerde ik bij de woning op de locatie de [adres] het volgende:

Naar aanleiding van een telefonische melding dat er een hennepplantage op bedoelde perceel zou worden geoogst, is bedoeld perceel met toestemming van een hulp-officier van justitie door de politie betreden.

Na binnentreden zag ik verbalisant, op de begane grond, dat er in de gang verschillende vuilniszakken met daarin resten van hennepplanten lagen. (…)

Ik verbalisant zag vervolgens op de eerste verdieping een grote kamer, welke bekleed was met zwart plastic en waar restmaterialen van een ontmantelde hennepplantage aanwezig waren, zoals aluminium afzuigslangen en drie koolstoffilters. Verder waren er nog houten constructies aanwezig zoals gebruikt worden bij hennepplantages. In deze kamer waren resten van tuinaarde aanwezig.

Bovenaan de trap op de eerste verdieping stonden drie stapels met in totaal 130 bloempotten, waar klaarblijkelijk planten in waren geteeld. In de potten waren resten van tuinaarde aanwezig.

Tevens was er op de eerste verdieping een badkamer aanwezig die klaarblijkelijk niet als zodanig werd gebruikt.

De woning deels niet als woning in gebruik

Ik zag dat er in de woning sprake was van een:

- ontmantelde hennepkwekerij

Aantal kamers woning: 5 (keuken, woonkamer, badkamer, twee slaapkamers)

Kweekruimte: Grote kamer op de eerste verdieping van ongeveer 5 bij 5 meter groot. Deze ruimte was bekleed met zwart plastic en er waren resten van tuinaarde. In de kweekruimte stonden nog resten van houten constructies met metalen haken, zoals deze gebruikt worden bij hennepplantages. Verder stonden er in deze ruimte drie koolstoffilters en waren er nog enkele meters van een aluminium afzuigslang aanwezig.

Aantal hennepplanten: Alleen 130 lege bloempotten. Geen planten meer aanwezig

Aantal assimilatielampen: Geen lampen meer aanwezig

Diefstal van energie: Ja

(…)”

( v) In een brief van het Arrondissementsparket Amsterdam van 29 januari 2015 staat dat [appellant] sinds 22 januari 2015 wordt verdacht van een strafbaar feit gepleegd op 22-01-2015, en voorts dat de zaak wordt geseponeerd omdat onvoldoende bewijs bestaat om een vervolging tegen [appellant] te kunnen dragen.

(vi) Bij brief van 10 februari 2015 heeft Stadgenoot [appellant] gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen, omdat naar haar zeggen uit onderzoek was gebleken dat [appellant] de woning had gebruikt of had laten gebruiken als hennepplantage en tevens volgens constatering van netbeheerder Liander diefstal van stroom had plaatsgevonden.

(vii) Bij brief van 12 februari 2015 is namens [appellant] ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde feiten en gesteld dat er dan ook geen enkele reden is voor opzegging van de huurovereenkomst.

(viii) Bij e-mailbericht van 11 februari 2015 heeft [X] , fraudespecialist bij Liander, in reactie op een e-mailbericht van een medewerker van Stadgenoot, bericht dat er op het adres van de woning een storingsmonteur is geweest, dat er sprake was van diefstal van stroom en dat de meter is afgenomen.

3.2.

Stadgenoot heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de woning, tot betaling van een bedrag van € 1.250,29 (bestaande uit een bedrag van € 1.147,56 aan achterstallige huur tot en met februari 2015 en een bedrag van € 102,73 aan buitengerechtelijke kosten), met wettelijke rente, alsmede een bedrag van € 655,51 voor elke maand dat [appellant] na 28 februari 2015 de woning in gebruik houdt, en, ten slotte, tot betaling van de proceskosten. Zij heeft daartoe, voor zover thans van belang, gesteld, kort gezegd, dat de politie op 22 januari 2015 in de woning een ontmantelde hennepkwekerij heeft ontdekt en heeft geconstateerd dat aldaar tevens sprake was van diefstal van stroom, dat [appellant] aldus in strijd met zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft gehandeld en dat dit een toerekenbare tekortkoming van [appellant] jegens Stadgenoot oplevert op grond waarvan ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gerechtvaardigd zijn. [appellant] heeft verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen, kort gezegd, dat op basis van het proces-verbaal van politie voldoende aannemelijk is dat zich kort vóór de inval op 22 januari 2015 een hennepkwekerij in de woning heeft bevonden, dat daarmee voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat de tekortkoming zodanig ernstig is dat voldoende waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst op grond hiervan zal worden ontbonden, zodat de vordering tot ontruiming toewijsbaar is. Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat de vordering met betrekking tot de huurachterstand niet is weersproken, zodat deze, met de wettelijke rente daarover, eveneens toewijsbaar is, evenals de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten, nu voldoende is gebleken dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:96 lid 6 BW. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter de vorderingen van Stadgenoot toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

De grieven van [appellant] strekken ertoe de beslissing van de kantonrechter om de ontruimingsvordering van Stadgenoot toe te wijzen en de gronden die daartoe zijn gebezigd, aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Zij zullen, omdat zij nauw met elkaar samenhangen, gezamenlijk worden behandeld.

3.5.

Het hof stelt voorop dat de in kort geding beslissende rechter zich heeft te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure.

3.6.

Bij de beoordeling van het onderhavige geschil hecht het hof veel waarde aan het door Stadgenoot ter ondersteuning van haar stellingen in het geding gebrachte proces-verbaal van politie. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de desbetreffende hoofdagent allereerst in de gang op de begane grond van de woning vuilniszakken met daarin resten van hennepplanten heeft aangetroffen, dat hij, voorts, op de eerste verdieping van de woning in een grote kamer, die bekleed was met zwart plastic, restmaterialen van een (naar zijn kennelijke oordeel) ontmantelde hennepplantage heeft aangetroffen zoals aluminium afzuigslangen, drie koolstoffilters en houten constructies zoals die worden gebruikt bij hennepplantages, terwijl in die kamer resten van tuinaarde aanwezig waren, en dat hij, verder nog, 130 lege bloempotten heeft aangetroffen waarin (volgens hem) klaarblijkelijk planten waren geteeld en resten van tuinaarde aanwezig waren. Bovendien blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal van politie – anders dan [appellant] met zijn vierde grief betoogt – dat volgens de desbetreffende hoofdagent in de woning sprake is geweest van diefstal van energie, een waarneming die steun vindt in het onder 3.1 sub (viii) genoemde e-mailbericht van 11 februari 2015. Tegenover de op deze waarnemingen van de desbetreffende hoofdagent van politie gebaseerde stellingen van Stadgenoot heeft [appellant] allereerst (in slechts zeer algemene bewoordingen en zonder enige nadere onderbouwing) ingebracht dat die waarnemingen niet de conclusie behoeven te wettigen dat sprake was van een ontmantelde hennepkwekerij, omdat die waarnemingen ook zouden kunnen duiden op een voornemen om in de toekomst, in de woning zelf of elders, een kwekerij te beginnen. Het hof kan [appellant] niet in dit betoog volgen, reeds omdat het aantreffen in vuilniszakken van resten van hennepplanten en resten van tuinaarde in de kamer op de eerste verdieping en in de 130 potten die stelling niet aannemelijk maakt. Dat de desbetreffende hoofdagent van politie geen foto’s in de woning heeft gemaakt, zoals [appellant] heeft gesteld, doet aan het voorgaande niet af, evenmin als zijn stelling dat hij de desbetreffende zaken van een kennis heeft gekregen om te verkopen, een stelling die bovendien met zijn zojuist besproken mogelijke voornemen in strijd is. Voor zover [appellant] ter zake van de geconstateerde diefstal van energie heeft gesteld dat hij al eerder aan Liander had gemeld dat het zegel ontbrak van de kast waarin de bedrading zat en een en ander niet is aangetroffen als op de foto is te zien, passeert het hof dit verweer, met name omdat hij deze stelling op geen enkele wijze concreet heeft onderbouwd. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat hij de door de desbetreffende hoofdagent van politie in de woning aangetroffen zaken slechts ‘voor de handel’ onder zich had, heeft hij, anders dan van hem had mogen verwacht, onder meer niet uitgelegd voor welk soort handel (en met wie) resten van hennepplanten en resten van tuinaarde (in de kamer op de eerste verdieping en in de 130 potten) geschikt zouden (kunnen) zijn en hoe die desbetreffende resten in de woning waren beland.

3.7.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt het hof, net als de kantonrechter, tot de conclusie dat voorshands voldoende aannemelijk is dat zich kort vóór de inval op 22 januari 2015 een hennepkwekerij in de woning heeft bevonden, dat als gevolg hiervan [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat deze tekortkoming zodanig ernstig is dat voldoende waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst op grond hiervan zal worden ontbonden. Om die reden is de vordering tot ontruiming terecht toegewezen.

3.8.

De slotsom luidt dat het appel faalt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Stadgenoot gevallen, op € 711,= aan verschotten, op € 632,= aan salaris advocaat en op € 131,= aan nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris van de advocaat en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan deze veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, R.J.M. Smit en D.J. van der Kwaak, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015 door de rolraadsheer.