Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3301

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
200.117.248/01 en 200.117.501/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Werkgeversaansprakelijkheid. Werknemer stelt letsel te hebben opgelopen door buiten werktijd en niet op werkvloer gepleegde mishandeling door collega-werknemer en vordert schadevergoeding wegens niet adequaat optreden van werkgever na die mishandeling. Hof oordeelt: werkgever niet aansprakelijk op grond van 7:658 BW of 7:611 BW. Ook geen grond voor aansprakelijkheid o.g.v. 6:170 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162 en 170
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658 en 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0819
AR 2015/1564
NJF 2015/423
JA 2015/154 met annotatie van D.M. Gouweloos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummers : 200.117.248/01 en 200.117.501/01

zaaknummers rechtbank Amsterdam : CV 11-22309 en CV 11-40913

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 augustus 2015

in de hoofdzaak met nummer 200.117.248/01 tussen:

[naam x] ,

wonend te [a] ,

appellant,

advocaat: mr. G. Beydals te Amsterdam,

tegen

de commanditaire vennootschap [naam y],

gevestigd te [b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Langerhuizen te Zevenaar,

alsmede in de vrijwaringszaak met nummer 200.117.501/01 tussen:

de commanditaire vennootschap [naam y],

gevestigd te [b] ,

appellante,

advocaat: mr. J. Langerhuizen te Zevenaar,

tegen

[naam z] ,

wonend te [c] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Rijkelijkhuizen.

Partijen zullen hierna respectievelijk [x] , [y] en [z] worden genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

in de hoofdzaak (zaaknummer 200.117.248/01)

Bij dagvaarding van 13 november 2012 is [x] in hoger beroep gekomen van het op 20 augustus 2012 uitgesproken vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) gewezen in de zaak met kenmerk CV 11-22309 tussen [x] als eiser en [y] als gedaagde.

[x] heeft van grieven gediend en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met (naar het hof, gezien de appeldagvaarding, begrijpt) veroordeling van [y] in de kosten van de procedure in beide instanties. Bij ‘akte herstel omissie’ heeft [x] bescheiden in het geding gebracht.

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft [y] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [x] in de kosten van (naar het hof begrijpt) de kosten van de procedure in hoger beroep.

in de vrijwaringszaak (zaaknummer 200.117.501/01)

Bij dagvaarding van 20 november 2012 is [y] in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter op 20 augustus 2012 gewezen vonnis in de vrijwaringszaak met kenmerk CV 11-40913 tussen [y] als eiseres en [z] als gedaagde.

Bij memorie heeft [y] van grieven gediend, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof, voorwaardelijk, te weten voor het geval de vorderingen van [x] tegen haar in hoger beroep tegen het vonnis in de hoofdzaak mochten worden toegewezen, het vonnis van de kantonrechter in de vrijwaringszaak zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen tegen [z] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [z] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente indien deze kosten niet binnen 14 dagen na de betekening van ’s hofs arrest zijn voldaan.

Bij incidentele memorie tot voeging van zaken ex artikel 222 Rv heeft [y] voeging van de vrijwaringszaak met de hoofdzaak gevorderd. [z] heeft zich hiertegen verzet. Bij incidenteel arrest van 2 juli 2013 heeft het hof de vrijwaringszaak met de hoofdzaak gevoegd, waarbij de beslissing over de proceskosten tot het eindarrest in de hoofdzaak is aangehouden.

[z] heeft hierna een memorie van antwoord, met productie, ingediend, waarbij hij heeft geconcludeerd dat het hof [y] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar appel en/of dit appel zal afwijzen, met veroordeling van [y] in de kosten van beide instanties.

in beide zaken

De partijen in beide zaken hebben ten slotte in beide zaken arrest gevraagd.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis in de hoofdzaak onder 1.1 tot en met 1.12 een aantal feiten vastgesteld. Tegen de feitenvaststelling onder 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 en 1.8 heeft [x] bezwaar gemaakt in de grieven 1, 2 en 3. Daarop zal het hof voor zover nodig hierna nog terugkomen. Voor het overige zijn de door de kantonrechter vastgestelde feiten niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1.

De onderhavige zaken betreffen, kort gezegd, het volgende.

a. [y] exploiteert een schoonmaakbedrijf. [x] heeft bij [y] op basis van een arbeidsovereenkomst als schoonmaker op het project Bloemenveiling Aalsmeer gewerkt van oktober 2006 tot oktober 2010. [z] was in die periode als assistent-regiomanager bij [y] in dienst en eveneens werkzaam op voornoemd project en als zodanig (mede-)leidinggevende van [x] .

b. Op 29 april 2008 heeft zich na afloop van de werkzaamheden tussen [x] en [z] een ruzie voorgedaan. De lezingen over de gang van zaken bij die ruzie lopen uiteen. Volgens [x] heeft [z] hem tweemaal op het rechteroor geslagen. [z] betwist dat hij [x] heeft geslagen. Volgens [z] is (slechts) sprake geweest van trekken en duwen tussen hem en [x] .

c. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 2 november 2010 heeft de politierechter [z] wegens mishandeling veroordeeld tot een geldboete van € 350,- subsidiair zeven dagen hechtenis en tot betaling aan [x] van schadevergoeding van in totaal € 389,06, waarvan € 300,- voor immateriële schade en € 89,06 voor materiële schade. Voor zover [x] meer had gevorderd heeft de politierechter hem niet ontvankelijk verklaard omdat zijn vordering in zoverre niet eenvoudig van aard was. [z] heeft de schadevergoeding waartoe hij door de politierechter is veroordeeld aan [x] voldaan.

d. [x] heeft na de strafrechtelijke procedure tegen [z] [y] gedagvaard en gevorderd dat zij zal worden veroordeeld om aan hem alle schade te vergoeden die voortvloeit uit de mishandeling op 29 april 2008 door [z] , alsmede alle schade, waaronder schade door stress, die het gevolg is van slecht werkgeverschap ten opzichte van hem, nader op te maken bij staat, tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 25.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en een bedrag van € 11.224,60 aan gemaakte “kosten van pre-processuele rechtsbijstand”. [y] heeft incidenteel gevorderd [z] in vrijwaring te mogen oproepen. De kantonrechter heeft de incidentele vordering toegewezen, waarna [y] [z] in vrijwaring heeft gedagvaard met vordering dat [z] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen datgene waartoe zij als gedaagde in de hoofdzaak jegens [x] mocht worden veroordeeld.

e. Bij vonnis in de hoofdzaak heeft de kantonrechter de vorderingen van [x] afgewezen, met veroordeling van [x] in de proceskosten aan de zijde van [y] . Op dezelfde datum heeft de kantonrechter bij vonnis in de vrijwaringszaak overwogen dat, nu de vorderingen van [x] in de hoofdzaak waren afgewezen, ook de vrijwaring zal worden afgewezen en dienovereenkomstig beslist, onder compensatie van proceskosten.

3.2.

Het hof zal eerst de grieven van [x] , gericht tegen het vonnis van de kantonrechter in de hoofdzaak, bespreken.

3.3.

Met de kantonrechter stelt het hof vast dat de vordering tot schadevergoeding van [x] in twee delen uiteenvalt. Ten eerste stelt [x] schade te hebben geleden als gevolg van de mishandeling door [z] op 29 april 2008. Ten gevolge van die mishandeling heeft [x] naar zijn stelling letsel, in de vorm van pijn aan het oor en de kaak, minder goed horen, oorsuizen en hoofdpijn, opgelopen en is hij nog steeds onder behandeling voor dit letsel. [x] heeft voor de gehoudenheid van [y] tot vergoeding van deze schade een aantal rechtsgronden aangedragen, die hierna zullen worden besproken. Ten tweede stelt [x] schade te hebben geleden door de opstelling van [y] en de opstelling van [z] gedurende de gehele periode dat hij bij [y] heeft gewerkt. Ook al vóór het incident op 29 april 2008, zo stelt [x] , werd hij door [z] niet alleen geslagen maar ook getreiterd. Van [y] heeft [x] volgens zijn zeggen geen enkele steun gekregen, ook niet na de mishandeling door [z] op 29 april 2008 toen hij zich daarover tot de regiomanager van [y] , [naam leidinggevende] , had gewend. Integendeel, hij werd toen in reactie op die melding geschorst en hij heeft na die schorsing met [z] moeten doorwerken tot het einde van het dienstverband. [x] verwijt [y] voorts hem geen steun te hebben gegeven toen hij door [z] onder druk werd gezet om zijn aangifte bij de politie in te trekken. [y] reageerde, integendeel, met onterechte en misplaatste verwijten aan zijn adres, inhoudende dat hij zijn werk niet correct zou uitvoeren. [x] stelt gedurende de gehele periode van zijn dienstverband, maar in ieder geval na de datum van mishandeling op 29 april 2008, onder grote druk en stress te hebben moeten werken. Het hof zal, evenals de kantonrechter, de beide hiervoor genoemde onderdelen van de vordering van [x] tot schadevergoeding afzonderlijk bespreken.

3.4.

De vordering tot schadevergoeding wegens de door [z] op 29 april 2008 gepleegde mishandeling baseert [x] in de eerste plaats op artikel 7:658 BW. Het hof oordeelt hierover als volgt. Tussen partijen staat vast dat de mishandeling door [z] van [x] na afloop van het werk plaatsvond toen een aantal werknemers van [y] , onder wie [x] , met een bedrijfsbusje naar huis teruggebracht moesten worden. [x] bevond zich in het bedrijfsbusje en heeft een aantal keer op de claxon gedrukt omdat hij vond dat het vertrek van het busje te lang op zich liet wachten. Daarop is, aldus een aantal getuigen waarop [x] zich ook beroept, [z] naar [x] toegelopen en heeft hij [x] twee maal op het hoofd/rechteroor geslagen. Artikel 7:658 BW ziet op de verplichting van de werkgever een veilige werkomgeving te creëren. Dit artikel schept echter geen aansprakelijkheid voor door collega-werknemers gepleegde onrechtmatige daden als de onderhavige, waarvan gesteld noch gebleken is dat [y] deze als werkgeefster had kunnen voorzien en ter voorkoming waarvan zij maatregelen had kunnen treffen. Artikel 7:658 BW biedt dus geen grondslag voor aansprakelijkheid van [y] voor het incident op 29 april 2008.

3.5.

[x] heeft als tweede grondslag voor de aansprakelijkheid van [y] voor de mishandeling door [z] op 29 april 2008 artikel 7:611 BW genoemd. Uit de omschrijving door [x] van de aanleiding en toedracht van de mishandeling kan echter niet worden geconcludeerd dat [y] tekort is geschoten in haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen in de zin van dit artikel. [x] heeft ook op dit punt onvoldoende toegelicht waarom [y] verweten zou kunnen worden dat [z] [x] heeft geslagen of onvoldoende heeft ingegrepen. [x] stelt nog dat mishandeling door [z] is gelijk te stellen met mishandeling door [y] zelf, maar hierin wordt [x] niet gevolgd. De enkele omstandigheid dat [z] leidinggevende was van [x] brengt nog niet mee dat zijn handelen aan [y] kan worden toegerekend.

3.6.

Als derde grondslag voor aansprakelijkheid van [y] voor de door [z] op 29 april 2008 gepleegde mishandeling heeft [x] zich beroepen op artikel 6:170 BW. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat voor schade aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Er moet met andere woorden sprake zijn van een voldoende verband tussen de fout van de ondergeschikte en de aan hem opgedragen taak dan wel zijn werk. Alle terzake dienende omstandigheden van het geval in de beoordeling betrekkend, onder andere de aard van de misdraging van [z] , het tijdstip waarop en de plaats waar die plaatsvond, is het hof van oordeel dat onvoldoende is aangevoerd om te kunnen zeggen dat dit functioneel verband bestond. Gesteld noch gebleken is dat [z] [x] heeft mishandeld om redenen die verband hielden met of inherent waren aan de uitvoering van de door [y] aan hen opgedragen werkzaamheden of daarin hun aanleiding vonden. Zoals hierna onder 3.9 nog zal overwogen, zijn er geen aanwijzingen dat tussen [x] en [z] reeds op dat moment een slechte verstandhouding bestond. Zulks heeft [x] overigens ook niet te bewijzen aangeboden. Het incident heeft zich buiten werktijd en niet op de werkvloer voorgedaan. Dat door of ingevolge zijn dienstbetrekking aan [z] gelegenheid is geschapen tot de fout (de mishandeling van [x] ), kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd en dat [z] daarbij gebruik heeft gemaakt van hem door de werkgever ter beschikking staande middelen evenmin. Naar het oordeel van het hof kan de vordering van [x] ook niet op de aansprakelijkheid van [y] voor ondergeschikten worden gebaseerd.

3.7.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat geen van de door [x] aangevoerde rechtsgronden de vordering jegens [y] tot vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de mishandeling door [z] op 29 april 2008, kunnen dragen. Het hof komt met de kantonrechter tot de slotsom dat die vordering moet worden afgewezen.

3.8.

Met betrekking tot de stelling van [x] dat hij schade heeft geleden door de opstelling van [y] als werkgever in de gehele periode dat hij bij haar heeft gewerkt, overweegt het hof als volgt. Op dit punt vordert [x] immateriële schade ten bedrage van in totaal € 20.000,-, € 10.000,- omdat hij gedurende vier jaren “onder uiterst onaangename omstandigheden” heeft moeten werken onder een leidinggevende die hem mishandelde, en € 10.000,- omdat sprake is van “negatieve dossiervorming waarbij valse beschuldigingen aan het adres van [x] zijn gedaan”.

3.9.

[y] heeft expliciet betwist dat [z] [x] ook al vóór het incident op 29 april 2008 zou hebben mishandeld of onheus bejegend en/of dat zij wetenschap had van door deze gepleegde mishandelingen en dat zij die desondanks liet voortduren. Ook in hoger beroep heeft [x] niet concreet vermeld wanneer hij voorafgaande aan het gebeuren op 29 april 2008 door [z] is mishandeld/getreiterd en heeft hij evenmin gesteld dat en wanneer hij [y] daarvan op de hoogte heeft gesteld of dat [y] daarvan op andere wijze diende te weten.

Met betrekking tot de periode na 29 april 2008 wordt het volgende overwogen. Volgens [x] is hij door zijn leidinggevende, [naam leidinggevende] , na het incident voor drie dagen geschorst, nadat hij zich op 1 mei 2008 over de handelwijze van [z] had beklaagd. Omdat [x] niet weerspreekt dat hij, zoals genoemde Bergvelt in zijn brief van 25 augustus 2008 aan [x] (prod. 4 bij inl.dagv.) stelt en is vastgelegd in het rapport van de bloemenveiling (prod. 9 bij conclusie van repliek), doodsbedreigingen (aan het adres van [z] ) heeft geuit, is deze aan [x] opgelegde sanctie (schorsing met behoud van loon) naar het oordeel van het hof te billijken. Voor de juistheid van de stelling van [x] dat [y] tegen hem maatregelen nam bij “iedere klacht van hem” is geen aanwijzing in het dossier gevonden. De klacht van [x] dat sprake is geweest van voor hem nadelige dossiervorming is naar het oordeel van het hof ongegrond. Op grond van de enkele melding door [y] van het gebeuren aan de bloemenveiling, opdrachtgever van [y] , op 1 mei 2008, kan daarvan niet worden gesproken. De omstandigheid dat [y] later in de brief van 25 augustus 2008 klachten over [x] heeft geuit, onderbouwt de stelling van [x] niet. Leidinggevende Bergvelt van [y] maakt in die brief melding van concrete gebeurtenissen op het werk waarover hij niet tevreden was. [x] is in de gelegenheid geweest te reageren en heeft dat ook gedaan. Onvoldoende blijkt dat [x] onheus bejegend is. [x] verwijt [y] ten slotte dat hij na de schorsing met [z] als zijn directe leidinggevende heeft moeten doorwerken. Als door [x] niet voldoende weersproken staat vast staat dat [y] hem al in een brief van 8 mei 2008 heeft gewezen op de mogelijkheid haar vertrouwenspersoon in te schakelen wanneer hij zich bedreigd en niet veilig zou voelen op de werkplek. In de brief van [y] aan de advocaat van [x] van 18 september 2008 is dit herhaald. Onbestreden staat vast dat [x] zich niet tot die vertrouwenspersoon heeft gewend. De klacht van [x] dat [y] “maatregelen” had moeten nemen acht het hof, tegen deze achtergrond, ongefundeerd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet blijkt dat [x] [y] heeft verzocht bepaalde concrete maatregelen te nemen om hem tegen [z] te beschermen. Na de brief van 18 september 2008 waarin [y] de advocaat van [x] meedeelde erop te mogen vertrouwen dat zij als goed werkgever ernaar streefde iedere werknemer een veilige werkomgeving te bieden, is [x] daarop niet meer ingegaan, maar heeft hij nog slechts aandacht gevraagd voor zijn letselschade. Eerst weer bij brief van 16 september 2010 is hij daarop teruggekomen. De vordering tot vergoeding van de gevorderde immateriële schade van € 20.000,- is tegen de hiervoor weergegeven achtergrond niet toewijsbaar.

3.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [x] tegen het vonnis in de hoofdzaak aangevoerde grieven tevergeefs zijn voorgesteld. De kantonrechter heeft de vorderingen van [x] tegen [y] , wat verder zij van de daartoe gebezigde gronden, terecht afgewezen. Het vonnis in de hoofdzaak dient te worden bekrachtigd.

3.11.

Voor de vrijwaringszaak heeft dit de volgende consequenties. [y] heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval de vorderingen van [x] tegen haar in hoger beroep tegen het vonnis in de hoofdzaak mochten worden toegewezen, gevorderd het vonnis van de kantonrechter in de vrijwaringszaak te vernietigen. Die voorwaarde is, gezien het bovenstaande, niet vervuld, zodat tot verwerping van het door haar ingestelde beroep moet worden geconcludeerd en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

4 Slotsom en proceskosten

De grieven in de hoofdzaak met nummer 200.117.248/01 falen. Het bestreden vonnis in de hoofdzaak zal worden bekrachtigd. [x] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep, voor zover aan de zijde van [y] gevallen. De grieven in de vrijwaringszaak met nummer 200.117.501/01 zijn eveneens tevergeefs voorgesteld. [y] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het hoger beroep in de vrijwaringszaak, inclusief de kosten van het incident.

5 Beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak met nummer 200.117.248/01:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [x] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [y] begroot op € 1.815,- aan griffierecht en € 1.158,- voor salaris;

de vrijwaringszaak met nummer 200.117.501/01:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [y] in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder die van het incident, tot op heden aan de zijde van [z] begroot op € 291,- aan griffierecht en € 1.788,- voor salaris;

in beide zaken:

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, D.J. van der Kwaak en R.M. Beltzer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015.