Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3297

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
K14-0404
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklag art. 12 Sv van Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO) tegen kamerlid afgewezen. Smaad, laster. Vrijheid van meningsuiting. 10 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking van op het beklag met het rekestnummer K14-0404 van

Stichting Islamitisch Onderwijs Amsterdam en Omstreken (SIO),

statutair gevestigd te Amsterdam,

klaagster,

in deze procedure vertegenwoordigd door haar voorzitter, [voorzitter].

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 2 oktober 2014 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde] ter zake van smaad en/of laster.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 8 december 2014 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Behalve van het klaagschrift en van het verslag heeft het hof kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht namens de hoofdofficier van justitie te Amsterdam van 13 november 2014. Ambtsbericht en verslag worden in kopie aan deze beschikking gehecht.

4 Uitgangspunten bij de beoordeling van het beklag

a. In juni 2014 plaatste [betrokkene] op Facebook een bericht met onder meer de volgende inhoud:

Hoe dan ook….leve ISIS en in shaa Allah op naar Baghdad om dat schorem aldaar aan te pakken.

b. [Betrokkene] was toentertijd bestuurslid van klaagster en tevens gemeenteraadslid voor de Haagse Partij voor de Eenheid.

c. Op 20 juni 2014 plaatste beklaagde (Tweede Kamerlid) via Twitter en Facebook het volgende bericht:

Voorkom dat [betrokkene] een Islamitische School kan beginnen! Stass van onderwijs moet nu ingrijpen en voorkomen dat SIO van [betrokkene] komende schooljaar een Islamitische school mag beginnen. Wij kunnen en mogen geen kinderen toevertrouwen aan mensen die het wrede ISIS bejubelen en jongeren oproepen naar Bagdad te gaan om geweld te plegen. Dit zijn misstanden die niet mogen worden gelegitimeerd met een beroep op de vrijheid van onderwijs of vrijheid van godsdienst. Het is de taak van de inspectie de kwaliteit van het onderwijs vast te stellen ook voordat een nieuwe school daadwerkelijk begonnen is! Moslim-ouders willen net als alle andere Nederlanders het beste onderwijs voor hun kinderen. Dat kan alleen gerealiseerd met bestuurders die het beste met onze kinderen voor hebben.

d. Eveneens publiceerde AT5 op 20 juni 2014 het volgende nieuwsbericht:

Tweede Kamerlid [beklaagde] wil voorkomen dat sympathisanten van ISIS een islamitische middelbare school openen in de stad.

Hij doelt op de mannen van de Partij voor de Eenheid. Dat is een islamitische partij in de gemeenteraad van Den Haag. Zij veroorzaakten ophef door ISIS toe te juichen. Isis is het leger van radicale moslims dat de islamitische staat wil invoeren in Irak en Syrië. Eén van de betrokkenen van de Partij voor de Eenheid is [betrokkene]. Hij is niet alleen in Den Haag actief. Op dit moment is hij bezig met het opstarten van een islamitische middelbare school in Amsterdam. (…)

[Beklaagde] wil nu dat de staatssecretaris van onderwijs ingrijpt om dit te voorkomen.

5 Beoordeling van het beklag

Klaagster stelt dat [betrokkene] zijn uitlatingen niet namens klaagster had gedaan maar als privépersoon. Niettemin heeft beklaagde haar gelinkt aan een terreurorganisatie die bloed aan de handen heeft, alsof [betrokkene] een bestuursstandpunt zou hebben uitgedragen. Klaagster stelt daardoor in haar eer en goede naam te zijn geschaad en heeft op 23 juni 2014 aangifte gedaan van smaad en laster. Daarbij heeft zij met name gewezen op de hiervoor onder a, c en d aangehaalde publicaties.

De officier van justitie heeft besloten aan deze aangifte geen strafrechtelijk gevolg te geven, aangezien de uitlatingen van beklaagde niet specifiek zijn gericht tot klaagster maar tot [betrokkene], en zij bovendien niet als smadelijk of lasterlijk zouden kunnen worden bestempeld. Tegen deze beslissing richt zich het beklag.

Het hof overweegt als volgt.

In zaken als deze heeft het hof allereerst te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek - zou kunnen komen tot een bewezenverklaring van enig strafbaar feit. In dat verband is het volgende van belang.

Smaad en laster zijn zogeheten uitingsdelicten: vervolging en veroordeling ter zake van deze delicten vormen aldus inperkingen van de vrijheid van meningsuiting.

De vrijheid van meningsuiting wordt onder meer beschermd door artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. (…)

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (…) de bescherming van de goede naam (…) van anderen (…).

In een strafzaak zou met name van belang zijn, dat vervolging en veroordeling van beklaagde noodzakelijk moeten zijn in een democratische samenleving in het belang van de bescherming van de goede naam van klaagster.

Ter beantwoording van de vraag of sprake is van een in een democratische samenleving noodzakelijke beperking, is het volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) nodig om te bepalen of de beperking beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte. Voor een goed functionerende democratische samenleving is immers van essentieel belang dat burgers hun mening kunnen uiten en aan maatschappelijke discussies kunnen deelnemen. Waar het gaat om uitlatingen die een bijdrage leveren aan de maatschappelijke discussie, is een beperking van het recht op de vrijheid van meningsuiting niet snel gerechtvaardigd, ook niet als het gaat om uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten. Overheidsingrijpen in de vorm waarin en de wijze waarop meningen worden geuit is zonder verdragsschending slechts mogelijk indien, bij een weging van belangen, het maatschappelijk belang bij een vrij en open debat niet langer de doorslag kan geven.

Naar het oordeel van het hof zou de strafrechter indien hij over deze zaak zou moeten oordelen, bij de afweging of veroordeling ter zake van smaad c.q. laster noodzakelijk is ter bescherming van de goede naam van klaagster in elk geval acht moeten slaan op de volgende omstandigheden:

- beklaagde is gekozen volksvertegenwoordiger;

- klaagster is een rechtspersoon;

- de uitlatingen van [betrokkene] leidden tot maatschappelijke verontwaardiging;

- diens uitlatingen hingen samen met zijn islamitische geloofsovertuiging;

- als bestuurslid van klaagster spande [betrokkene] zich in voor de oprichting van een islamitische middelbare school;

- rondom het bestaan van islamitische scholen in Nederland is door de jaren heen met regelmaat publiek debat gevoerd, met name ook met betrekking tot de mogelijkheid dat het onderwijs op dergelijke scholen zou worden gekleurd door fundamentalistische groeperingen;

- beklaagde heeft weliswaar klaagster in verband gebracht met de uitlatingen van [betrokkene], maar daarbij – letterlijk – [betrokkene] zelf vooropgesteld: Voorkom dat [betrokkene] een Islamitische School kan beginnen! Stass van onderwijs moet nu ingrijpen en voorkomen dat SIO van [betrokkene] komende schooljaar een Islamitische school mag beginnen.

Naar het oordeel van het hof is het tegen deze achtergrond bezien hoogst onwaarschijnlijk te achten dat een strafrechter aldus tot een veroordeling van beklaagde ter zake van smaad(schrift) c.q. laster zou kunnen geraken. Daarbij kan in het midden blijven in hoeverre de AT5-publicatie aan beklaagde kan worden toegerekend.

Het beklag is kennelijk ongegrond.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

door mrs. N. van der Wijngaart, voorzitter, F.A. Hartsuiker en P.C. Kortenhorst, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg, griffier, en bij ontstentenis van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en de griffier.

bijlage 1 : ambtsbericht hoofdofficier van justitie

Onderwerp Klacht ex artikel 12 Sv (Stichting)

Aan de Hoofd Advocaat-Generaal bij Het Gerechtshof te Amsterdam

Geachte heer Wiegant,

Naar aanleiding van uw brief van 06 oktober jl. inzake het door de heer A, namens de Stichting (SIO), ingediende beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bericht ik u het volgende.

Ontvankelijkheid

Hoewel zich bij de stukken geen uittreksels uit het handelsregister bevindt, waaruit blijkt dat de heer A. gerechtigd is de SIO te vertegenwoordigen, wil ik er in dit geval wel vanuit dat hij gerechtigd ís. De klacht is dan ook ontvankelijk.

Van belang zijnde feiten voorafgaande aan het beklag en beoordeling ervan Voor de achtergrond van deze zaak verwijs ik naar de sepotbrief aan de heer A. van 19 augustus 2014. De heer A. is het met de beslissing tot sepot en de motivering daarvan niet eens. Kern van het klaagschrift van de heer A. is dat de heer M. de onwenselijke uitlatingen van de heer K. projecteert op de SIO.

In genoemde sepotbrief van 19 juni staat inderdaad dat niet is gebleken dat de heer M. zich met zijn uitlatingen tot het bestuur van de SIO als geheel richt. Dat mag misschien wat kort door de bocht zijn, maar zelfs waar de heer M. zou suggereren of stellen dat de SIO als geheel sympathiseert met ISIS, is dat een uitlating die hij mag doen en die niet smadelijk of lasterlijk is.

Vast staat immers dat de heer K. bestuurslid was van de SIO toen hij de onwenselijke uitspraken deed. Daar mag een ieder wat van vinden en zoals gezegd in de sepotbrief, een politicus al helemaal. Dat vervolgens ook het bestuur van de SIO op de uitspraken wordt aangekeken, is niet verwonderlijk. Het op 23 juni door de SIO uitgebrachte persbericht, maakt dat niet anders. Opvallend is dat dat persbericht vooral gaat over de uitspraken van de heer M.. Een standpunt over de uitspraken van de heer K. wordt uitdrukkelijk niet ingenomen: "De SIO heeft op geen enkele wijze een mening of standpunt geuit over de groepering." Met groepering wordt hier bedoeld het voormalige ISIS, tegenwoordig IS.

Evenmin is duidelijk dat de SIO uitdrukkelijk en openlijk afstand neemt van het standpunt van de heer K., immers valt te lezen in dat persbericht: "Hoe de SIO verder omgaat met de uitspraken van de heer K. betreft een bestuursaangelegenheid". In een later persbericht van de SIO, van 25 juni, staat: "Dat de uitspraken van de heer K. los staan van de SIO is evident." Maar zo evident is dat niet. In geen van de persberichten van 23 en 25 juni is te lezen dat de overige bestuursleden van de SIO zich uitdrukkelijk distantiëren van de uitspraken van de heer K.. En volgens de door de heer A. bij het klaagschrift gevoegde brief van de gemeente Amsterdam van 31 juli 2014, was de heer K. blijkens het Handelsregister zelfs op 30 juli 2014 nog secretaris van de SIO.

Voor het overige lijkt het klaagschrift tegen het sepot, alsmede de aanvulling daarop van 3 november jl., vooral te gaan over het optreden van de heer M. als Kamerlid, over de Kamervragen die hij heeft gesteld en over de afwijzing van een huisvestingsaanvraag door de gemeente Amsterdam, welke afwijzing het gevolg zou zijn van een verkeerd geschapen beeld van de SIO door, zo begrijpt het OM, de heer M..

Overigens is het stellen van vragen door een lid van de Tweede Kamer aan de regering, over welke kwestie dan ook, een uiterst belangrijk democratisch recht. Het is niet aan het OM om een oordeel te hebben over de reden van het stellen van Kamervragen door een kamerlid, laat staan over de inhoud ervan. Evenmin is het aan het OM om een oordeel te hebben over de reden van afwijzing van een huisvestingaanvraag door de gemeente Amsterdam.

Conclusie Op grond van het bovenstaande geef ik u in overweging het gerechtshof te adviseren het beklag van de heer A., namens de SIO, af te wijzen.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend, De Hoofdofficier van Justitie, namens deze,

mr.drs. J. Kouwenhoven Hoofd Beleid en Strategie

Bijlage 2: Verslag advocaat-generaal

Onderwerp (Stichting) Aan het Gerechtshof te Amsterdam

VERSLAG

Inleiding

Hierbij doe ik u wederom toekomen de stukken met betrekking tot het beklag als bedoeld in artikel 12, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, van Stichting (hierna: SIO).

Dit beklag d.d. 29 september 2014 is op 2 oktober 2014 ter griffie van het hof ingekomen.

Klager beklaagt zich over de niet vervolging van de heer A. M..

Volgens klager zou beklaagde zich schuldig hebben gemaakt aan smaad/ laster (artikel 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht).

Bij schrijven van 19 augustus 2014 is klager namens de officier van justitie bericht dat geen strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij dit verslag treft u verder aan:

• Een ambtsbericht d.d. 13 november 2014 namens de hoofdofficier van justitie te Amsterdam dat op 13 november 2014 door mij is ontvangen en

• Het op deze zaak betrekking hebbende proces-verbaal van politie.

Ontvankelijkheid van het beklag

Klager is te beschouwen als rechtstreeks belanghebbende en hij is ontvankelijk in zijn klacht.

Beoordeling van het beklag

Voor een uitgebreide omschrijving van het voorgevallene wil ik verwijzen naar het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie en het opgemaakte proces-verbaal van politie.

Ik deel de overwegingen in de sepotbrief. De heer M. richt zich in zijn Twitterbericht tegen de heer K.. In het op AT5 gepubliceerde bericht wordt ook nog toegelicht dat M. doelt op de mannen van de Partij van de Eenheid, waarvan één van de betrokkene K. is. Uit de berichtgeving volgt ook dat de heer K. in zijn hoedanigheid als bestuurslid van de SIO een Islamitische school wil openen in Amsterdam.

Ik ben met de officier van justitie van mening dat uit de berichten blijkt dat de heer M. zich richt tegen de heer K., nu K. -op zijn facebookpagina- ISIS toejuicht. M. richt zich in zijn uitlatingen niet tot het hele bestuur van de SIO.

Uit de aangifte van SIO zelf volgt dat zijn de uitlatingen van de heer M. interpreteren.

Maar zelfs al zou worden gesteld dat de uitlatingen gericht tegen de bestuurder van het SIO, het SIO als zodanig raken, dan nog is er aan de voorwaarden van artikel 261 Sr niet voldaan, nu M. een beroep toekomt op artikel 261 lid 3 Sr en 10 EVRM.

Ook als ten laste gelegde beweringen op zichzelf geschikt zijn om iemand in diens eer en goede naam aan te tasten, kunnen deze onder omstandigheden toelaatbaar worden geacht. De bescherming van die eer en goede naam dient te worden afgewogen tegen de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden te worden afgewogen .

Artikel 10 EVRM

Het recht op vrije meningsuiting, als gegarandeerd in het eerste lid van art. 10 EVRM, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel worden onderworpen aan beperkingen, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van - onder meer - de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Art. 10 EVRM laat weinig ruimte voor beperkingen ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen met betrekking tot het algemeen belang.

Annotator E.J. Dommering verwoordt het systeem, dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hanteert bij waardeoordelen als volgt .

‘…De waardeoordelen die niet bewezen behoeven te worden, hebben over het algemeen betrekking op het politieke debat dat op basis van feitelijke noties en retorische spelregels wordt gevoerd, die bij het publiek voldoende bekend zijn. Aan de andere kant van de schaal staan de feitelijke oordelen die bewezen moeten worden. Daar tussen in ligt het grijze gebied van negatieve waardeoordelen die voldoende grondslag in de feiten moeten hebben. Dat heeft twee aspecten: een rechter die geconfronteerd wordt met de vraag of een negatief waardeoordeel de grens van het toelaatbare overschrijdt zal een onderzoek moeten doen naar die (voldoende) feitelijke grondslag en degene die het oordeel uitspreekt zal in de gelegenheid moeten worden gesteld die feitelijke grondslag aannemelijk te maken…’

Bij arrest van 14 juni 2011 heeft de Hoge Raad overwogen dat niet in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat bij verwerping van een beroep op art. 10 EVRM aan een beroep op art. 261 lid 3 Sr geen zelfstandige betekenis kan toekomen.

Rechtvaardigingsgrond art. 261 lid 3 Sr

Art. 261 lid 3 Sr bepaalt dat van smaad of smaadschrift geen sprake is als:

- de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of

- als de dader te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

Nu van noodzakelijke verdediging in de onderhavige kwestie geen sprake is, zal ik me hierna beperken tot bespreking van het te goeder trouw kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar is en dat het algemeen belang de tenlastelegging eist.

Goede trouw

Het is de vraag of goede trouw in dit verband moet worden aangemerkt als objectieve of subjectieve goede trouw. In de literatuur heerst wat dat betreft geen eenduidigheid . Indien men uitgaat van objectieve goede trouw kan de pleger van smaad zich alleen dan met succes op dit gedeelte van de exceptie kan beroepen, indien en voor zover hij zich gedraagt zoals een normaal mens die in de positie van de pleger verkeert.

Nieuwenhuis en Janssens zijn van mening dat de inhoud van het waarheidsbegrip in art. 261 lid 3 Sr wordt beheerst door de context waarin de uitlating is gedaan. De eisen die aan de waarheid als bedoeld in art. 261 lid 3 Sr worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval .

In de onderhavige zaak is aan deze eis van goede trouw voldaan, nu beklaagde reageert op een uitlating door K. zelf op facebook gedaan.

Algemeen belang

Van handelen in het algemeen belang is naar geldende rechtspraak slechts sprake, wanneer de inhoud en de aard van de beschuldiging proportioneel is .

Indien derhalve de dader te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was èn dat het algemeen belang de tenlastelegging of beschuldiging eiste, is een dergelijke beschuldiging gerechtvaardigd en van smaad(-schrift) geen sprake. Dat algemeen belang moet in de sleutel van uitingsvrijheid worden gezien .

Beklaagde reageert op uitlatingen van het bestuurslid van de SIO, de heer K., waarin deze sympathiseert met ISIS.

Beklaagde heeft te goeder trouw kunnen aannemen dat hij op grond van de vrijheid van meningsuiting, in het algemeen belang, naar voren mocht brengen dat K. als bestuurslid van de SIO een school wilde oprichten. Beklaagde mocht ook oproepen te voorkomen dat K. een Islamtische school kon beginnen. Beklaagde heeft verantwoord gebruik gemaakt van de vrijheid van meningsuiting en in het algemeen belang een bijdrage geleverd aan het publieke debat.

Dat betekent dat er geen sprake is van strafbare uitlatingen in de zin van artikel 261 Sr en evenmin van artikel 262 Sr, nu aan het strafverzwarende bestanddeel niet is voldaan.

Uitleiding

Kortom: ook ik ben van oordeel dat de officier van justitie terecht de strafzaak tegen beklaagde heeft geseponeerd.

Het beklag behoort dan ook te worden afgewezen.

Conclusie

Ik geef uw Hof in overweging het beklag af te wijzen.

De advocaat-generaal,

Mr. A.M. Kengen

[1] Zie Hoge Raad 24juni 1983, NJ 1984, 801 en Hoge Raad 11 mei 2012 ECLI:HR:2012:BV1031

2 Noot bij Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Derde kamer) 30 november 2006, NJ 2007, 368, ECLI:NL:XX:2006:AZ7791 (Veraart v. Nederland)

3 Hoge Raad 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011/504

4 Mr. A.J. Nieuwenhuis en mr. A.L.J.M.A. Janssens zijn van opvatting dat het, mede op grond van de wetsgeschiedenis, verdedigbaar is om de goede trouw in art. 261 lid 3art. 261 lid 3 Sr te verstaan als een objectieve goede trouw (Uitingsdelicten, (Studiepockets Strafrecht nr. 36), 3.7.2.3); vgl. Hoge Raad 21 juni 1988, DD 88.424, Hoge Raad 21 juni 1988, DD 88.424, Hof Amsterdam 24 november 2003, LJN AN 8977 ; zie de conclusie van A-G Silvis, voorafgaande aan HR 14 juni 2011, NJ 2011, 504 voor een andere opvatting; zie ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, aantek. 6.1 op art. 261 lid 3 Sr

5 Uitingsdelicten, (Studiepockets Strafrecht nr. 36), 3.7.2.3, zie voor een vb. in een civiele kwestie Hoge Raad 24 juni 1983, NJ 1984, 801

en o.a. Hoge Raad 16 juni 1953, NJ 1953, 618

6 Uitingsdelicten, (Studiepockets Strafrecht nr. 36), 3.7.2.4.