Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3241

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
200.166.068/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding; overeenkomst van geldlening; hypotheek. Spoedeisend belang. Bezwaar tegen wijziging van eis in hoger beroep na eerdere wijzigingen in eerste aanleg; kort geding procedure vergt (processuele) flexibiliteit van partijen. Uitleg overeenkomst van geldlening/hypotheekakte; hypotheek gevestigd op het geheel van de onroerende zaken van een vastgoedportefeuille; de hypotheek op ieder pand strekt tot zekerheid voor de terugbetaling van de gehele lening; de waarde van de portefeuille is aanzienlijk gedaald; weigering hypotheeknemer om mee te werken aan verkoop van afzonderlijke onroerende zaken behorend tot de vastgoedportefeuille niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.166.068/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/577782 /KG ZA 14-1572

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2015

inzake

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EEWAL BEHEER B.V.,

gevestigd te Woudsend, gemeente Súdwest-Fryslân,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VENNOOTSCHAP VOOR ONROERENDE ZAKEN DE NEDERLANDEN B.V.,

gevestigd te Hilversum,

appellanten,

advocaat: mr. P.J. de Soede te Utrecht,

tegen:

de rechtspersoon naar Iers recht PROMONTORIA HAMPTON (1) LIMITED,

gevestigd te Dublin (Ierland),

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. Kuipers te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Eewal en VVOZ (samen Eewal c.s.) en Promontoria genoemd.

Eewal c.s. zijn bij dagvaarding van 2 maart 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2015, in kort geding onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen Eewal c.s. als eiseressen en Promontoria als gedaagde.

De dagvaarding bevat de grieven. Ter rolle hebben Eewal c.s. geconcludeerd overeenkomstig die dagvaarding en daarbij hun eis gewijzigd en producties in het geding gebracht.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, met producties;

alsmede bij gelegenheid van na te melden pleidooi:

- akte houdende vermindering van eis en overlegging producties, met producties;

- akte houdende bezwaar tegen eiswijziging;

- antwoordakte houdende bezwaar tegen eiswijziging;

- akte van Eewal c.s. met een productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 7 juli 2015 doen bepleiten, Eewal c.s. door mrs. H.A. Heikens en L.J. Böhmer, beiden advocaat te Utrecht, en Promontoria door mrs. Kuipers voornoemd en M.B. Krestin, advocaat te Amsterdam. Van beide zijden zijn de pleidooien gehouden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Op verzoek van partijen heeft het hof ter zitting voorshands mondeling (als na te melden) beslist op het bezwaar van Promontoria tegen de eiswijziging.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Eewal c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en hun in hoger beroep gewijzigde vordering zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en met wettelijke rente.

Promontoria heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.14 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen (een onderdeel van) de feiten onder 2.1 respectievelijk 2.9. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil en deze dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.2.

De door de voorzieningenrechter opgesomde feiten komen neer op het volgende. Bij na te melden, enigszins samengevatte, weergave daarvan heeft het hof rekening gehouden met de bezwaren die Eewal c.s. heeft geformuleerd in de grieven 1 en 2, voor zover van belang voor het hoger beroep en niet bestreden door Promontoria. Voor zover deze grieven gegrond zijn, kunnen zij niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

2.3.

Eewal neemt deel in diverse vennootschappen. Zij vormt samen met VVOZ, W&F Investments B.V. (W&F) en Citadel Enterprises B.V. (Citadel) een groep vennootschappen. VVOZ is eigenaresse van een vastgoedportefeuille.

2.4.

Promontoria is een private beleggingsinstelling.

2.5.

Op 20 december 2011 heeft VVOZ in het kader van de herfinanciering van haar vastgoedportefeuille in totaal een bedrag van ruim 54 miljoen euro geleend van Bank of Scotland PLC en Stichting PVF Zakelijke Hypothekenfonds (PVF). De leninggevers hebben ieder de helft van de hoofdsom verstrekt. Bank of Scotland trad tevens op als Agent.

2.6.

Tot zekerheid van de nakoming van haar verplichtingen uit de leningsovereenkomst heeft VVOZ onder meer het recht van eerste hypotheek op de panden in haar vastgoedportefeuille verleend. [A] , (in)direct bestuurder van onder meer VVOZ, W&F en Citadel, heeft als Personal Guarantee de juiste naleving van de verplichtingen van VVOZ uit de leningsovereenkomst gegarandeerd tot een maximum van € 35.000.000,=. W&F en Citadel hebben als Guarantors eveneens borgstellingen verleend.

2.7.

In de leningsovereenkomst heeft VVOZ gegarandeerd dat de panden in haar vastgoedportefeuille in goede staat van onderhoud verkeren. Uit hoofde van de hypotheekakte is VVOZ verplicht de panden behoorlijk te onderhouden.

2.8.

VVOZ diende de lening uiterlijk op 1 september 2013 volledig terug te betalen. Deze verplichting is zij niet nagekomen. VVOZ betaalt sindsdien wel de overeengekomen rente. Bij brieven van 1 oktober 2013 en 19 december 2013 heeft Bank of Scotland een beroep gedaan op een Event of Default als bedoeld in de leningsovereenkomst. Zij heeft meegedeeld vooralsnog niet tot enforcement action te zullen overgaan.

2.9.

Op 4 februari 2014 heeft Bank of Scotland in het kader van de afbouw van haar activiteiten in Nederland haar rechten en verplichtingen als leninggever uit de leningsovereenkomst overgedragen aan Promontoria. Op 27 mei 2014 heeft Eewal de rechtspositie van PVF als leninggever overgenomen. De positie van Bank of Scotland als Agent bij de leningsovereenkomst is onveranderd gebleven.

2.10.

VVOZ is onder de leningsovereenkomst nog een bedrag in hoofdsom verschuldigd van € 35.694.658,46, waarvan € 17.434.368,50 aan Promontoria.

2.11.

De waarde van de vastgoedportefeuille van VVOZ is aanzienlijk gedaald. Was de totale marktwaarde van de portefeuille in 2013 nog € 33.610.000,= , in 2014 was dit gedaald tot € 30.390.000,=. VVOZ heeft de afgelopen jaren onvoldoende onderhoud aan de panden kunnen laten uitvoeren.

2.12.

Tot de vastgoedportefeuille van VVOZ behoort onder meer een rijksmonumentaal pand aan de ’ [adres] . Dit pand wordt door VVOZ verhuurd aan Blue Circle B.V. (hierna: het Blue Circle pand). Op 21 maart 2014 heeft Blue Circle te kennen gegeven het Blue Circle pand per 1 januari 2015 voortijdig te willen verlaten wegens het niet naleven door VVOZ van haar onderhoudsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Blue Circle bleek slechts bereid de huurrelatie te continueren indien renovatie van het pand plaatsvindt. De jaarhuur van het Blue Circle pand bedraagt € 481.742,=. Onderhandelingen hebben erin geresulteerd dat Blue Circle bereid was tot huurverlenging voor 10 jaar over te gaan mits vóór 1 maart 2015 zou komen vast te staan dat de noodzakelijke renovatie van € 4.800.000,= kon worden gefinancierd. Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) heeft aangegeven de renovatie van het pand te willen financieren tot een bedrag van € 2.500.000,=, op voorwaarde dat zij het recht van eerste hypotheek op het Blue Circle pand zou verkrijgen. Eewal heeft toegezegd het restant van de kosten van renovatie te zullen financieren. Het Blue Circle pand is op 21 november 2014 door DTZ Zadelhoff getaxeerd op € 2.110.000,= marktwaarde en € 1.371.500,= executiewaarde. Op 24 december 2014 is de marktwaarde na renovatie van het pand door DTZ Zadelhoff getaxeerd op € 5.150.000,= en de executiewaarde op € 3.605.000,=.

3 Beoordeling

3.1.

De vordering en beslissing in eerste aanleg

3.1.1.

Samengevat, en voor zover in hoger beroep van belang, strekten de vorderingen van Eewal c.s. in eerste aanleg – na wijziging van eis – ertoe dat Promontoria zou meewerken aan een rangwisseling van de hypotheek voor zover gevestigd op het Blue Circle pand, aldus dat zij in zoverre in plaats van het recht van eerste hypotheek, het recht van tweede hypotheek zou verkrijgen, dan wel dat Promontoria zou meewerken aan de verkoop van het Blue Circle pand aan Eewal voor € 2.110.000,= en de doorhaling van het recht van eerste hypotheek op dat pand, tegen betaling van Eewal aan haar van € 1.055.000,=, een en ander om de gedeeltelijke financiering van de renovatie van het pand door NRF mogelijk te maken.

3.1.2.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen, gebaseerd op misbruik van recht door Promontoria, afgewezen en Eewal c.s. belast met de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Eewal c.s. met vijf grieven op.

3.2.

De eis in hoger beroep en het bezwaar tegen de laatste wijziging daarvan

3.2.1.

Bij dagvaarding in hoger beroep hebben Eewal c.s hun eis ten opzichte van de eerste aanleg aldus gewijzigd dat zij, samengevat, niet langer de medewerking van Promontoria aan de rangwisseling van de hypotheek op het Blue Circle pand vorderden, maar nog wel haar medewerking aan de verkoop van dat pand aan een door VVOZ te kiezen derde partij en de doorhaling van het recht van eerste hypotheek op dat pand, een en ander in grote lijnen vergelijkbaar met de desbetreffende vordering in eerste aanleg. Voorts vorderden Eewal c.s. in hoger beroep, samengevat en voor zover hier van belang, dat Promontoria op hun eerste verzoek zou meewerken aan de verkoop van de in het lichaam en petitum van de appeldagvaarding specifiek aangeduide (overige dertien) onroerende zaken behorend tot de vastgoedportefeuille van VVOZ aan een derde partij, voor minimaal de dan geldende marktwaarde van elke onroerende zaak, zoals getaxeerd door DTZ, althans voor de te realiseren koopprijs, waarbij VVOZ het verschil tussen de te realiseren koopprijs en de getaxeerde marktwaarde aanzuivert, en mee te werken aan doorhaling van het recht van eerste hypotheek op het desbetreffende pand tegen aflossing van de uitstaande geldlening met de op dat pand te genereren opbrengst.

3.2.2.

Bij (op voorhand aan het hof en Promontoria gestuurde) akte, genomen op de pleitzitting in hoger beroep, hebben Eewal c.s. andermaal hun eis gewijzigd. Zij hebben daarbij in essentie voornoemde afzonderlijke vordering met betrekking het Blue Circle pand ingetrokken en de vordering tot medewerking van Promontoria aan de verkoop van de onroerende zaken uit de vastgoedportefeuille, zoals hiervoor samengevat weergegeven, aldus gewijzigd dat enerzijds het Blue Circle pand daaraan is toegevoegd en anderzijds vijf van de aanvankelijk in de appeldagvaarding genoemde (dertien) onroerende zaken van de lijst met te verkopen onroerende zaken zijn afgehaald.

3.2.3.

Aan Promontoria, die onder verwijzing naar de zogenoemde twee conclusie regel en met een beroep op strijd met de goede procesorde, bezwaar heeft gemaakt tegen de onder 3.2.2. bedoelde eiswijziging, kan worden toegegeven dat de vordering in hoger beroep inmiddels een andere is dan de vordering in eerste aanleg, die ook toen al op het laatste moment was gewijzigd. Ook bestaat bij het hof begrip ervoor dat de opeenvolgende eiswijzigingen de ergernis van Promontoria en haar raadslieden hebben gewekt, maar dit betekent nog niet dat het bezwaar tegen deze eiswijziging gegrond is. Het hof is van oordeel dat de desbetreffende wijziging ten opzichte van de eis zoals geformuleerd in de appeldagvaarding geen ingrijpende wijziging behelst van enerzijds de vordering en anderzijds het naar aanleiding daarvan te voeren debat en dat deze wijziging, anders dan Promontoria meent, in haar totaliteit bezien, moet worden aangemerkt als een vermindering van eis, aan het toelaten waarvan de twee conclusie regel, noch de goede procesorde in de weg staan. Dit geldt te meer binnen het bestek van een kort geding, aan welke procedure inherent is dat van partijen (processuele) flexibiliteit wordt gevergd. Met de eiswijziging zoals hier aan de orde, zijn de redelijke grenzen van die van een partij te vragen flexibiliteit niet overschreden. Dat Promontoria stelt zich genoodzaakt te hebben gezien telkens met lijvige processtukken te reageren op de achtereenvolgende wijzigingen van eis en ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de vordering bij het pleidooi in hoger beroep twee pleitnota’s te maken, doet hieraan niet af. Een en ander betekent dat het bezwaar tegen de wijziging van eis ongegrond is en dat zal worden beslist op de vordering van Eewal c.s. zoals deze luidt na de laatste eiswijziging.

De inhoudelijke bezwaren die Promontoria tegen de aldus gewijzigde eis heeft geformuleerd komen, voor zover voor de beslissing van belang, hierna aan de orde.

3.3.

De beoordeling van de gewijzigde eis en de grondslagen daarvan

3.3.1.

Aan hun vordering in hoger beroep (en de grieven 3 en 4 voor zover nog van belang in het licht van de eiswijziging) hebben Eewal c.s. in essentie ten grondslag gelegd dat eigendom, op grond van het bepaalde in artikel 3:83 BW, overdraagbaar is, tenzij de wet zich daartegen verzet. De afspraak dat voor overdracht van een goed toestemming van een derde moet worden verkregen kan, aldus Eewal c.s., goederenrechtelijk geen gevolg hebben. Promontoria mag, gelet op het bepaalde in artikel 20.6 van de overeenkomst van geldlening, alleen haar medewerking onthouden aan de verkoop van een individuele onroerende zaak en doorhaling van de hypotheek daarop, wanneer VVOZ deze voor minder dan de marktwaarde zou willen verkopen of wanneer zich zeer bijzondere omstandigheden zouden voordoen. Aangezien dat niet aan de orde is, pleegt Promontoria wanprestatie jegens Eewal c.s., dan wel handelt zij jegens hen onrechtmatig of maakt zij misbruik van bevoegdheid door die medewerking te weigeren, aldus nog steeds Eewal c.s.

3.3.2.

In artikel 20.6 van de overeenkomst van geldlening staat, onder het kopje Disposals, voor zover hier van belang:

The sale consideration for any Property should be disclosed to and agreed with the Lenders in advance of any contractual arrangement being negotiated with a prospective purchaser of such Property.

De (twee) hypotheekakten luiden, voor zover hier van belang, onder het kopje Hypotheekbepalingen en -bedingen, sub D, als volgt:

Verbod tot vervreemding en bezwaring

Het is de Schuldenaar en/of de Hypotheekgever zolang enige Gesecureerde Verplichting bestaat of kan ontstaan verboden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Hypotheekhouder

1. de Bezwaarde Goederen geheel of ten dele te vervreemden (…).

3.3.3.

Het hof kan Eewal c.s. niet volgen in de uitleg die zij hieraan menen te kunnen geven. Onmiskenbaar betekenen deze bepalingen, in onderling verband en samenhang bezien en gelet op de context van de overeenkomst van geldlening en de hypotheekakten, dat VVOZ als schuldenaar/hypotheekgever geen bezwaarde onroerende zaken mag verkopen zonder voorafgaande toestemming van Promontoria als een van de twee huidige hypotheekhouders. VVOZ heeft haar mogelijkheden om vrij te beschikken over haar eigendom in zoverre eigenhandig beperkt door het aangaan van deze overeenkomst, kennelijk om de gewenste financiering te verkrijgen. Eewal c.s. hebben niets gesteld dat tot een andere uitleg van deze bepalingen kan leiden.

3.3.4.

Onderzocht dient te worden of de weigering van Promontoria om haar medewerking te verlenen aan de verkoop door VVOZ van afzonderlijke onroerende zaken die deel uitmaken van haar vastgoedportefeuille naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij is het volgende van belang.

3.3.5.

Eewal c.s. hebben niet betwist dat de hypotheek is gevestigd op het geheel van de onroerende zaken in de vastgoedportefeuille van VVOZ en dat het hypotheekrecht op ieder pand strekt tot zekerheid voor de terugbetaling van de gehele lening. Niet in geschil is dat het zekerheidsobject ‘onder water staat’. Eewal c.s. hebben gesteld dat VVOZ financieel niet in staat is aan haar – al meer dan anderhalf jaar opeisbare – verplichting tot volledige aflossing van de lening te voldoen, maar zij hebben deze door Promontoria betwiste stelling ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt. VVOZ verkeert ter zake van deze verplichting tot volledige aflossing van de lening vrijwel net zo lang in verzuim als deze opeisbaar is. De thans door VVOZ beoogde verkoop van afzonderlijke onroerende zaken uit de vastgoedportefeuille tegen de marktwaarde daarvan biedt geen zicht op volledige aflossing van de lening. Uitgaande van de door DTZ geschatte marktwaarde van de vastgoedportefeuille in 2014 van € 30.390.000,= zou bij verkoop van alle onroerende zaken behorend tot die portefeuille (hetgeen Eewal c.s. gelet op de laatste eiswijziging overigens niet meer beogen) een schuld resteren van circa 5.3 miljoen euro – waarvan de helft aan Promontoria – zonder enige onroerende zaak als zekerheid. Het hof is voorshands van oordeel dat Promontoria terecht heeft opgeworpen dat de verhouding tussen de huidige hoogte van de lening ten opzichte van de waarde van het zekerheidsobject (LTV) in toenemende mate negatief zal worden beïnvloed bij iedere volgende verkoop van een afzonderlijke onroerende zaak die tot dat zekerheidsobject behoort. Voor zover Eewal c.s. hebben betoogd dat dit niet zo is, hebben zij hun betoog onvoldoende toegelicht. Eewal c.s. hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat VVOZ na de beoogde afzonderlijke verkoop tegen marktwaarde van de negen panden waarop de vordering in hoger beroep thans nog betrekking heeft, in staat zal zijn de resterende schuld met de resterende vastgoedportefeuille zodanig extern te financieren dat de lening binnen twee jaar – of binnen welke andere termijn dan ook – volledig kan worden afgelost (appeldagvaarding, nrs 10.6 en 10.7, genuanceerd bij pleitnota hoger beroep, nr 3.1 onder g). Van de drie borgen ( [A] , W&F en Citadel) valt voorshands niet te verwachten dat zij zullen (kunnen of willen) bijspringen, omdat zij, volgens de bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep afgelegde verklaring van [B] , bestuurder van VVOZ en Eewal, ook in financieel zwaar weer verkeren.

3.3.6.

Eewal c.s. hebben bij akte houdende vermindering van eis en overlegging producties in hoger beroep een rapport van DTZ in het geding gebracht. Dit rapport bevat onder meer de volgende passage over de vastgoedportefeuille van VVOZ:

Vanwege de minder courante locaties, hoge leegstandspercentages, verslechterde huursituatie en mindere kwaliteit van de gebouwen kan de portefeuille worden gekwalificeerd als onderkant van de markt. De opwaartse prijsdruk die van toepassing is op hoogwaardig vastgoed is voor dit deel van de markt (vooralsnog) niet van toepassing. Hoewel er sprake is van transacties binnen dit segment, vindt dit alleen plaats tegen zeer lage prijzen. Daarbij is de verwachting dat binnen dit specifieke segment het aanbod de komende tijd verder zal stijgen waardoor de prijzen onder druk blijven staan. Dit wetende in combinatie met het vertrek van een aantal grote huurders is de verwachting dat de waarde van de portefeuille op korte termijn eerder zal dalen dan stijgen.

Het rapport mondt uit in het advies:

die gebouwen te verkopen waarvan de verwachting is dat deze op korte termijn geen positieve waarde ontwikkeling hebben.

De vordering in hoger beroep, zoals deze luidt na de laatste wijziging van eis, betreft de vervolgens door DTZ aangewezen onroerende zaken, die volgens haar op korte termijn geen positieve waardeontwikkeling hebben.

3.3.7.

Eewal c.s. baseren, naar het hof begrijpt, op dit rapport hun stelling dat de waarde van de onroerende zaken van VVOZ in de komende jaren naar alle waarschijnlijkheid alleen maar minder waard zal worden, zodat de door VVOZ beoogde, door Eewal als opvolgend tweede lening gever gesteunde, verkoop van de door DTZ aangewezen onroerende zaken mede in het belang is van Promontoria en zij dus geen redelijk belang heeft haar medewerking aan die verkoop te onthouden.

3.3.8.

Deze stelling gaat niet op, reeds omdat Eewal c.s. zelf terecht hebben opgemerkt dat geen enkele zekerheid bestaat over de toekomst van de vastgoedmarkt (appeldagvaarding nr 7.8), maar ook omdat met het rapport van DTZ niet aannemelijk is gemaakt dat de relevante markt op de (middel)lange termijn ongunstige vooruitzichten heeft en geen positieve ontwikkeling zal laten zien. De stellingname van Promontoria dat zij de vastgoedportefeuille, zoals deze thans is, als zekerheidsobject voor de lening in stand wil laten in afwachting van een eventuele positieve waardeontwikkeling in de toekomst, kan niet worden aangemerkt als ‘speculeren’ door Promontoria met eigendom van VVOZ, zoals Eewal c.s. hebben betoogd, maar is integendeel aan te merken als een redelijke stellingname van Promontoria, die aanspraak heeft op de volledige aflossing van haar deel van de lening en daartoe zekerheid heeft bedongen in de vorm van de vastgoedportefeuille. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5.5 is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat in het scenario dat Eewal c.s. met de ingestelde vordering voor ogen staat een reële kans bestaat op volledige aflossing.

3.3.9.

Tegen deze achtergrond is het hof voorshands van oordeel dat de weigering van Promontoria om haar medewerking te verlenen aan de verkoop door VVOZ van afzonderlijke onroerende zaken die deel uitmaken van haar vastgoedportefeuille naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

3.3.10.

Hetgeen hiervoor onder 3.3.2 tot en met 3.3.8 is overwogen leidt naar het voorlopig oordeel van het hof voorts tot de conclusie dat Promontoria niet op goede gronden kan worden verweten onrechtmatig jegens Eewal c.s. te handelen, dan wel jegens hen misbruik van bevoegdheid te maken door meergenoemde medewerking te weigeren.

3.3.11.

Bovendien is het hof van oordeel dat Promontoria terecht heeft gesteld dat (ook) de vordering zoals deze luidt na de laatste eiswijziging in hoger beroep te vaag en onbestemd is, omdat zij, als (een van de twee) hypotheekgever(s) afhankelijk wordt gemaakt van de besluitvorming van VVOZ als eigenaar/hypotheeknemer en Eewal als tweede hypotheekgever over tijdstip, voorwaarden, keuze van potentiële kopers enzovoort bij de verkoop van afzonderlijke onroerende zaken behorend tot de vastgoedportefeuille van VVOZ. Dit doet naar het voorlopig oordeel van het hof geen recht aan de positie die zij heeft als lening- en hypotheekgever, zoals vastgelegd in de diverse overeenkomsten en akten.

3.3.12.

De overige stellingen van Eewal c.s kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven daarom geen bespreking.

3.4.

Het spoedeisend belang bij de vordering in hoger beroep

Voorgaande inhoudelijke overwegingen over de vordering, laten onverlet dat het hof, met Promontoria, van oordeel is dat Eewal c.s. bij de vordering zoals deze na de laatste eiswijziging luidt geen spoedeisend belang hebben. Dat de onroerende zaken met het verstrijken van de tijd alleen maar in waarde zullen dalen, zodat VVOZ zich met een steeds grotere restschuld geconfronteerd zal zien is, voor zover dat al voldoende zou zijn om spoedeisend belang aan te nemen, niet aannemelijk geworden en dat zij zonder toestemming van Promontoria geen aanvang kunnen maken met het verkoopproces is daartoe onvoldoende.

3.5.

Slotsom

De slotsom is dat de in hoger beroep gewijzigde vordering zich niet voor toewijzing leent. De aanvankelijk in eerste aanleg ingestelde vorderingen zijn uiteindelijk allemaal komen te vervallen. Bij een verdere bespreking van de grieven 3 en 4 bestaat daarom geen belang. Het hof ziet, gelet op het vervallen van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen, geen aanleiding anders te beslissen over de proceskosten in eerste aanleg dan de voorzieningenrechter heeft gedaan, zodat de daarop betrekking hebbende grief 5 faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Eewal c.s. dienen als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding in hoger beroep te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Eewal c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Promontoria begroot op € 711,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris;

verklaart dit arrest met betrekking tot deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de in hoger beroep gewijzigde vordering van Eewal c.s.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H.C. van Harmelen, C. Uriot en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2015.