Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3232

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
23-001651-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Mes in hartstreek. Forse schadevergoeding’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001651-15

datum uitspraak: 30 juli 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-684165-14 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 juli 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 maart 2014 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), één of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hart en/of de borst en/of in de hartstreek, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Het hof acht – met de advocaat-generaal en de raadsvrouw – niet bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade en na kalm beraad en rustig overleg. De verdachte zal dan ook van die bestanddelen worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 maart 2014 te Uithoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het hart en de borst van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnoties bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging doodslag, nu zich in het dossier geen - althans onvoldoende - betrouwbare aanknopingspunten bevinden dat de verdachte daadwerkelijk een stekende beweging heeft gemaakt met het mes. Nu de verdachte ook ontkent te hebben gestoken, kan het opzet op het steken met een mes en daardoor op de mogelijke dood van het slachtoffer niet wettig en overtuigend worden bewezen.

De vermeende verklaring die de verdachte op 4 maart 2014 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, kan volgens de raadsvrouw niet worden aangemerkt als een bekennende verklaring aangaande het steken en kan derhalve niet worden gebruikt voor het bewijs, nu niet valt uit te sluiten dat de verdachte is voorgehouden wat de beschuldiging was en dat hij daarop enkel bevestigend heeft geantwoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 3 april 2014 doet [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangifte van poging doodslag1.

Hij heeft onder meer het volgende verklaard: “ Ik ben op 1 maart 2014 neergestoken door een jongen genaamd [verdachte] (hierna: [verdachte] ). Ik was met een groep vrienden bij de school het ‘ [naam school] ’ te Uithoorn. Ik kreeg op een gegeven moment ruzie met [verdachte] . Ik weet nog dat ik [verdachte] op de grond duwde. [verdachte] rende weg en toen voelde ik iets warms lopen. Ik heb toen mijn shirt opgetild en zag een gat. Ik zag dat ik was gestoken.”.

Na het incident, op 3 maart 2014, heeft verbalisant [verbalisant] telefonisch contact met de moeder van [slachtoffer]2. Zij deelt haar mede dat [slachtoffer] een snee had van 2 centimeter in de linkerkamer van zijn hart. Hierdoor is zijn hart samengetrokken en heeft hij veel bloed verloren. Voor het VU-ziekenhuis heeft hij een hartstilstand gehad en is hij gereanimeerd. De aanwezige trauma-arts heeft [slachtoffer] direct opengesneden en zijn vinger in het hart van [slachtoffer] gestopt.

Uit de medische verklaring3 blijkt dat er door een messteek links in de borstholte van [slachtoffer] een gat in het hart is ontstaan waarvoor een spoedoperatie vereist was. Er was veel inwendig bloedverlies ten gevolge van het gat in het hart. Hierdoor was er sprake van een shock en bewustzijnsverlies. [slachtoffer] is kortdurend gereanimeerd.

De aangifte van [slachtoffer] waarin hij heeft verklaard te zijn gestoken door [verdachte] wordt ondersteund door de volgende verklaringen.

Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft op 1 maart 2014 bij de politie het volgende verklaard4: “Ik zag dat [verdachte] op 1 maart 2014 een mes in zijn hand had. Hij had dat mes in zijn rechterhand en hield het omhoog gericht in de richting van het gezicht van [slachtoffer] . [slachtoffer] gaf [verdachte] weer een duw en toen zag ik dat [verdachte] een stekende beweging maakte in de richting van de borst van [slachtoffer] . Hij deed dit twee keer achter elkaar en daartussen zat weer een duw van [slachtoffer] . Ik stond achter [slachtoffer] dus ik zag wel de stekende bewegingen maar niet of hij echt gestoken had. toen zag ik dat [slachtoffer] riep: je hebt me gestoken. Hij deed daarbij zijn shirt omhoog. Ik zag heel veel bloed”.

Bij de rechter-commissaris5 verklaart [getuige 1] onder meer het volgende: “ [slachtoffer] duwde [verdachte] dus weg en [verdachte] pakte een mes. Toen duwde [slachtoffer] [verdachte] opnieuw en [verdachte] maakte een stekende beweging naar het lichaam van [slachtoffer] , maar dat was volgens mij mis. Daarna duwde [slachtoffer] [verdachte] weer en daarbij liep hij min of meer in het mes. [verdachte] maakte ook bij die tweede keer een steekbeweging. Het duwen van [slachtoffer] en de beweging van [verdachte] gingen tegelijkertijd’.

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] als getuige het volgende verklaard6: “Het steekincident ging heel snel. Ik heb geen mes gezien, maar wel een soort van stekende beweging”. Opmerking rechter-commissaris: de getuige maakt hierbij met zijn rechterhand een onderhandse stekende beweging. “Tijdens het incident stond ik aan het begin van de brug, maar ik weet niet hoe ver dat van het incident af was. Ik zag alleen een armbeweging van [verdachte] en het duwen. Het incident stopt als [verdachte] wegrent. Toen zei [slachtoffer] dat hij gestoken was”.

De verdachte heeft zich tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en heeft op

4 maart 2014 bij de rechter-commissaris7 het volgende verklaard: “Het klopt de beschuldiging. Ik heb op 1 maart 2014 [slachtoffer] [slachtoffer] gestoken met een mes. Ik heb gestoken uit zelfverdediging”.

Op grond van de voornoemde verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 1] , [getuige 2] en de verdachte in combinatie met de medische verklaring ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] , acht het hof bewezen dat de verdachte tijdens een conflict stekende bewegingen heeft gemaakt met een puntig en gekarteld mes in de richting van de hartstreek van [slachtoffer] . Steekwonden in de hartstreek kunnen, naar algemene ervaringsregels, snel dodelijk zijn door het grote bloedverlies dat al gauw optreedt als het hart of een van de omringende bloedvaten wordt geraakt. Door met een dergelijk mes te steken in de directe nabijheid van het hart van [slachtoffer] heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor dodelijk geraakt zou worden. Nu de verdachte derhalve voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] kan naar het oordeel van het hof de aan de verdachte ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend worden bewezen.

De stelling van de raadsvrouw dat de verklaring van de verdachte tijdens zijn verhoor tot inbewaringstelling bij de rechter-commissaris niet voor het bewijs mag worden gebruikt, nu niet valt uit te sluiten dat de verdachte is voorgehouden wat de beschuldiging was en dat hij daarop enkel bevestigend heeft geantwoord, is een veronderstelling en blijkt niet uit de stukken van het dossier.

De verklaring van de verdachte is afgelegd in het bijzijn van zijn toenmalige raadsman,

mr. D.C. Vlielander. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat de verklaring van de verdachte na het afleggen daarvan duidelijk aan de verdachte, in het bijzijn van zijn raadsman, is gedicteerd. De verdachte heeft daarop niet gemeld dat zijn verklaring onjuist was weergegeven. Tot slot heeft de raadsman nog verklaard: “Er is thans een bekennende verklaring. De ernstige bezwaren zijn aanwezig ten aanzien van de poging doodslag”. De rechter-commissaris heeft zelfs ook de ernstige bezwaren voor poging tot moord aangenomen. Als de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte niet daadwerkelijk de inhoud en strekking had die hiervoor is vermeld, dan was die verklaring zo niet geverbaliseerd en had de raadsman ook niet gemeld dat er een bekennende verklaring lag. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat deze bekennende verklaring van de verdachte wel voor het bewijs gebruikt mag worden. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat sprake was van noodweer dan wel noodweerexces. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] . Hij werd namelijk achterwaarts de brug overgeduwd door [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] steun kreeg van een vriend die zich ermee bemoeide. De verdachte raakte in paniek en kreeg de kans niet om zich te onttrekken. Hij raakte overmand door emoties en heeft in een opwelling naar het mes in zijn tasje gegrepen om [slachtoffer] te stoppen en te voorkomen dat hij verder in elkaar geslagen zou worden. Mocht de verdachte daardoor de grenzen van de noodzakelijke verdediging hebben overschreden, dan is dat gebeurd als gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding van [slachtoffer] . Op grond van het voorstaande dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat er sprake is geweest van een conflict tussen [slachtoffer] en de verdachte. Daarbij werd de verdachte achterwaarts een verbindingsbruggetje tussen een school en een schoolplein overgeduwd door [slachtoffer] . De aanranding van [slachtoffer] bestond enkel uit het wegduwen van de verdachte bij de vriendengroep. Nergens blijkt uit dat [slachtoffer] voornemens was ander geweld toe te passen op de verdachte.

Uit de in het dossier opgenomen getuigenverklaringen en de zich in het dossier bevindende foto’s van de situatie leidt het hof af dat zich tussen de verdachte en het achter hem gelegen schoolplein niemand bevond. Dat heeft de verdachte overigens ook zelf verklaard ter terechtzitting in hoger beroep. [slachtoffer] bevond zich tussen de verdachte en de school. De vriend van [slachtoffer] – die hem verbaal ondersteunde, maar zich fysiek niet met de situatie heeft bemoeid, ook naar zeggen van de verdachte – stond achter [slachtoffer] , dus verder van de verdachte verwijderd. Dat de verdachte door [slachtoffer] in het nauw zou zijn gedreven volgt daarom juist niet uit de bewijsmiddelen en evenmin uit de eigen verklaring van de verdachte. Integendeel, hij had gedurende de hele tijd dat hij door [slachtoffer] van het bruggetje en weg van de school werd geduwd, een mogelijkheid tot vrije aftocht naar het schoolplein.

Als het hof ervan uitgaat dat het wegduwen door [slachtoffer] een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte was, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Deze vraag leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het hof overweegt dat uit het duwen door [slachtoffer] en de verbale ondersteuning van de vriend niet valt af te leiden dat de verdachte te vrezen had dat hij vervolgens zou worden geslagen, maar alleen dat [slachtoffer] de verdachte daar blijkbaar weg wilde hebben. Het steken met een puntig en gekarteld mes in de hartstreek van degene die duwt is op geen enkele wijze te zien als een proportioneel middel van verdediging tegen dit duwen en schelden. Alleen daarop strandt al het beroep op noodweer. Dat er bovendien ook een eenvoudige manier was om zich aan de situatie te onttrekken, nu de aftocht richting het schoolplein op alle momenten onbelemmerd was – anders gezegd: het subsidiariteitscriterium – kan daarom verder onbesproken blijven.

Ook van noodweerexces is geen sprake, nu uit geen van de verklaringen van de verdachte is af te leiden dat zich bij hem een hevige gemoedsbeweging heeft voorgedaan die zijn gedrag heeft beïnvloed en waarbij hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Hij heeft, integendeel, bij de raadkamer gevangenhoudingen verklaard dat hij niet dronken was en wist wat hij deed. Ook overigens is een dergelijke gemoedsbeweging niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt daarom in al zijn onderdelen verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde -kort gezegd- toezicht en leiding van Jeugdbescherming West dan wel Reclassering Nederland en meewerken met een persoonlijkheidsonderzoek als Jeugdbescherming West daartoe aanleiding ziet en een opleiding volgen. Voorts heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen jeugddetentie en de verbeurdverklaring gelast van een inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Met betrekking tot de bijzondere voorwaarde heeft de advocaat-generaal nog toegevoegd dat het wat haar betreft noodzakelijk is dat het persoonlijkheidsonderzoek plaatsvindt en tevens een delict-analyse bij de Waag.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Tevens heeft het hof acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van

30 september 2014, het rapport van Jeugdbescherming Regio Amsterdam van 28 augustus 2014 en het ForCa multidisciplinair onderzoek van 20 augustus 2014.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in het hart te steken. Door zijn handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De omstandigheid dat de gevolgen van het aan het slachtoffer toegebrachte letsel niet tot de dood hebben geleid, is geenszins aan verdachte te danken, maar aan het uitermate adequate optreden van de overige aanwezigen bij de school, het ambulancepersoneel en in het bijzonder de trauma-arts. Uit de slachtofferverklaring en de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het incident grote impact heeft gehad op het slachtoffer en zijn familie. Zij hebben doodsangsten moeten doorstaan. Het slachtoffer heeft het feit ternauwernood overleefd. Het geweld vond plaats bij een school, waar jongeren nietsvermoedend aan het ‘chillen’ waren. Er ontstond een conflict tussen de verdachte en het slachtoffer, met desastreuze gevolgen. Een dergelijk feit vormt, naast de angst en het leed die het feit voor het slachtoffer, zijn ouders en de betrokken getuigen teweeg hebben gebracht, tevens een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 juni 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Door mevrouw [naam medewerker 1] is namens de Jeugdreclassering ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat het goed gaat met de verdachte. Hij en zijn moeder zijn verhuisd naar een nieuwe stad en hebben alles zelf goed opgepakt. De school van de verdachte weet van onze begeleiding. We zullen wel een vinger aan de pols houden tijdens zijn schoolperiode. Op dit moment zie ik echter geen aanleiding voor verdere behandeling. Alles gaat goed en er zijn veel beschermende factoren.

Door mevrouw [naam medewerker 2] is namens de Raad ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat er veel beschermende factoren zijn, maar dat het toch belangrijk is dat er toezicht en begeleiding wordt opgelegd. Dat heeft te maken met de ernst van het feit en de houding van de verdachte ten opzichte van het feit. Er is ook na de ForCa rapportage van 20 augustus 2014 nog te weinig over hem bekend, nu de verdachte weigerde mee te werken aan het onderzoek. De verdachte moet meer inzicht krijgen in zichzelf in bepaalde lastige situaties. Dat moet wel in een verplichtend kader, ook op grond van een delict-analyse bij De Waag. Het strafadvies blijft verder conform eerste aanleg.

Het hof acht, alles afwegende, een jeugddetentie van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Gezien de ernst van het delict zou een langdurige onvoorwaardelijke detentie gerechtvaardigd zijn, maar het opnieuw gedetineerd raken van de jeugdige verdachte zou zijn positief ingeslagen weg doorkruisen, hetgeen het hof niet wenselijk acht. Om die reden zal het hof een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen die langer is dan gevorderd door de advocaat-generaal, niet alleen als stok achter de deur ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, maar ook om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen. Het hof zal hier, gelet op het advies van de Raad en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, de bijzondere voorwaarde toezicht en leiding van Jeugdbescherming aan koppelen, tevens bestaande uit het meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en een delict-analyse bij De Waag. Het hof zal tevens bepalen dat de gestelde voorwaarde en het op grond van artikel 77aa Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof baseert dit oordeel op de rapportages die over de verdachte zijn uitgebracht door de Raad, Jeugdbescherming en ForCa, en heeft daarbij ook gelet op de omstandigheid dat dit zeer ernstige geweldsdelict dat bewezen is verklaard, voort is gekomen uit onverwacht en vooralsnog niet nader te verklaren handelen van de verdachte.

Daarnaast zal het hof aan de verdachte de maximale werkstraf opleggen van 200 uren onvoorwaardelijk.

Verbeurdverklaring

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 38.935,04. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële en materiële schade heeft geleden. Door bijzonder adequaat optreden van de overige aanwezigen bij de school, het ambulancepersoneel en de artsen in het ziekenhuis, in het bijzonder de aanwezige trauma-arts die zijn vinger in het gat in het hart van [slachtoffer] heeft gestoken, heeft het slachtoffer de steekpartij ternauwernood overleefd. Hij heeft zelfs even een hartstilstand gehad op weg naar het VU Medisch Centrum te Amsterdam, waardoor hij gereanimeerd moest worden. De rest van zijn leven zal hij worden geconfronteerd met deze traumatische ervaring waaraan hij een fors en ontsierend litteken dwars over zijn borstkas heeft overgehouden. Hierdoor wordt hij er dagelijks, vooral in de zomermaanden op het strand, aan herinnerd. Daarnaast is ongewis of en in welke mate de levensreddende operatie aan het hart in het latere leven van het slachtoffer nog van invloed zal zijn. De angst die dit met zich meebrengt levert ook immateriële schade op. De verdachte is tot vergoeding van de gevorderde immateriële schade gehouden. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is hoog, maar in dit bijzondere geval, waarin het slachtoffer een aanzienlijke kans had om te overlijden, zich nog zeer bewust is van het effect dat dit bericht op zijn ouders heeft gehad en hij nog in een langdurig revalidatieproces verkeert, waarvan nog zal moeten blijken tot op welk niveau zijn krachten zullen terugkeren, zal het hof de schade tot dit bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de adequaat onderbouwde post ‘studievertraging’ overweegt het hof dat deze door de verdediging onvoldoende gemotiveerd weersproken is, waardoor ook deze post zal worden toegewezen. Ook de overige posten van de vordering zullen worden toegewezen nu deze door de verdediging niet zijn betwist, zodat de vordering van de benadeelde partij integraal zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Daarbij wordt de vervangende jeugddetentie gesteld op de duur van dertig dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- veroordeelde moet zich onmiddellijk onder toezicht en leiding van Jeugdbescherming West, dan wel Reclassering Nederland stellen. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Jeugdbescherming West dan wel Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt;

- veroordeelde dient mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek en een delict-analyse bij De Waag;

- veroordeelde dient een opleiding te volgen.

Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat voormelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een zwart zakmes 4712632.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een sok 4713296;

- een trui 4713285;

- een blauwe jas 4713291;

- een zwart trainingsjack 4713293;

- een grijs vest met capuchon 4713294;

- een grijs boxershort 4713295.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 38.935,04 (achtendertigduizend negenhonderdvijfendertig euro en vier cent) bestaande uit € 18.935,04 (achttienduizend negenhonderdvijfendertig euro en vier cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen totaalbedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 38.935,04 (achtendertigduizend negenhonderdvijfendertig euro en vier cent) bestaande uit € 18.935,04 (achttienduizend negenhonderdvijfendertig euro en vier cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de totale schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.A.M. de Wit en mr. H.F. van Kregten, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2015.

Mrs. De Wit en Van Kregten zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte][verdachte] [....]

[....] [....] [....]

[....] [....] [....]

[....]

[....]

[....] [....]

[....]

1 [....]

2 [....]

3 [....]

4 [....]

5 [....]

6 [....]

7 [....]