Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3196

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
200.169.401/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:1807, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gronden voor verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing aanwezig, ouders hebben onvoldoende draagkracht en vaardigheden om voor de minderjarige te zorgen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 4 augustus 2015

Zaaknummer: 200.169.401/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/158369 / OT RK 14-1249

in de zaak in hoger beroep van:

1 [1] ,

2. [2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn,

tegen

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te Utrecht, locatie Alkmaar,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten sub 1 en 2 worden hierna afzonderlijk respectievelijk de moeder en de vader genoemd en gezamenlijk de ouders. Geïntimeerde wordt hierna LJ&R genoemd.

1.2.

De ouders zijn op 1 mei 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 februari 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kinderrechter), met kenmerk C/14/158369 / OT RK 14-1249, hersteld bij beschikking van 3 april 2015.

1.3.

LJ&R heeft op 29 mei 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op 18 juni 2015 heeft een gedragswetenschapper van Pleegzorg Parlan een nader stuk ingediend.

1.5.

Op 19 juni 2015 hebben de ouders nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 22 juni 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- een vertegenwoordiger van LJ&R;

- mevrouw M. Dik, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

1.8.

De pleegouders zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

De ouders hebben sinds augustus 2012 een relatie. Uit deze relatie is geboren [naam minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2014. De vader heeft [de minderjarige] voor haar geboorte erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . De moeder heeft vijf kinderen uit andere relaties. Ten aanzien van de oudste vier kinderen is de moeder ontheven uit het gezag en het jongste kind, [dochter] , is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de moeder van de vader van [dochter] .

2.2.

[de minderjarige] is voor haar geboorte bij beschikking van 29 januari 2014 van de kinderrechter, hersteld bij beschikking van 18 februari 2014, onder toezicht gesteld tot 16 januari 2015. [de minderjarige] is op 14 februari 2014 in een netwerkpleeggezin geplaatst. Bij beschikking van 22 juli 2014 van de kinderrechter is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 16 januari 2015. Bij beschikking van 16 januari 2015 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 13 februari 2015 en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden in afwachting van de behandeling ter terechtzitting door de meervoudige kamer van de rechtbank.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 16 januari 2016 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 16 januari 2016.

3.2.

De ouders verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, – naar het hof begrijpt – de inleidende verzoeken van LJ&R tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] af te wijzen.

3.3.

LJ&R verzoekt de ouders niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het door de ouders verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter beoordeling aan het hof is of de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en of deze gronden nog aanwezig zijn. Voorts is aan de orde de vraag of de gronden voor de verlenging van de machtiging tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en of deze gronden thans nog aanwezig zijn. Nu het inleidend verzoekschrift in deze zaak is ingediend op 18 november 2014, dus vóór 1 januari 2015, is op grond van artikel 28 lid 1 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek op de beoordeling daarvan het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2015.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld, indien hij zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:261 BW (oud) kan de kinderrechter machtiging verlenen tot uithuisplaatsing van een minderjarige, indien dit noodzakelijk is in het belang van diens opvoeding en verzorging of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.2.

De ouders betwisten dat zij niet in staat zijn om [de minderjarige] zelf op te voeden en te verzorgen. Volgens de ouders hebben zij hard gewerkt om de doelen van LJ&R te behalen en wordt ten onrechte teruggrepen op hetgeen in het verleden is gebeurd met betrekking tot de andere kinderen van de moeder. De relatie van de ouders is stabiel, de ouders communiceren goed en zij zijn in staat om problemen te bespreken. Er is geen sprake is van een onveilige thuissituatie voor [de minderjarige] , de woning is netjes, er is ruimte voor [de minderjarige] en ook de financiële situatie van de ouders is stabiel. De ouders zijn van mening dat zij nimmer een eerlijke kans hebben gekregen om te bewijzen dat zij de zorg voor [de minderjarige] aan kunnen en hen is niet de tijd gegund om een en ander op orde te krijgen. Het steekt ouders dat LJ&R geen moment serieus heeft overwogen om [de minderjarige] thuis te plaatsen en te snel na het geven van een schriftelijke aanwijzing heeft geconcludeerd dat de ouders zich hieraan niet hebben gehouden. Het is volgens de ouders dan ook begrijpelijk dat zij de hulpverlening wantrouwen. De ouders menen dat het opvoedbesluit te snel is genomen, dat de kinderrechter dit besluit ten onrechte onderschrijft, dat zij leerbaar zijn en de hulpverlening accepteren en dat zij bereid zijn aan de door LJ&R gestelde doelen te werken. De samenwerking tussen de ouders en de pleegzorgbegeleiding van Parlan verloopt niet goed, er wordt niet oplossingsgericht gedacht door Parlan en Parlan heeft een vooringenomen standpunt, aldus de ouders. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat [de minderjarige] zo snel mogelijk naar huis moet komen, dat zij en de vader nooit ruzie hebben en dat er geen sprake is van spanningen en dat zij het onterecht vindt dat zij haar kinderen niet mag zien. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij en de moeder de situatie zeer betreuren.

4.3.

LJ&R heeft er op gewezen dat er in samenwerking met Parlan een intensief onderzoek is ingezet om te onderzoeken of [de minderjarige] al dan niet kon worden thuisgeplaatst. In het kader van dit onderzoek is ouderbegeleiding en Therapeutische gezinsbehandeling ingezet, is een intensieve omgangsregeling opgestart die is geobserveerd en is een beoordelingsboog opgesteld. Er zijn voorwaarden voor thuisplaatsing opgenomen in een schriftelijke aanwijzing van 29 april 2014. Volgens LJ&R was voor de ouders bij aanvang van de uithuisplaatsing duidelijk wat van hen verwacht werd en aan welke doelen zij moesten werken en is de begeleiding hier ook op afgestemd. LJ&R stelt dat de ouders de hulpverlening niet nodig achtten, uit de begeleide contacten met [de minderjarige] is gebleken dat de ouders de gegeven tips en adviezen vaak niet kunnen toepassen, zij zich afwachtend opstellen, niet in staat zijn [de minderjarige] te troosten en de moeder is snel afgeleid en de vader is onvoorspelbaar. Door de persoonlijk begeleider is geconstateerd dat de er regelmatig spanningen zijn tussen de ouders en dat de moeder onbetrouwbaar is. Volgens LJ&R is de moeder niet in staat gebleken haar kinderen uit andere relaties te beschermen, heeft zij hen ernstig verwaarloosd en kan dit niet los worden gezien van de huidige situatie. De vertegenwoordiger van LJ&R heeft ter zitting verklaard dat de ouders weliswaar op elke afspraak zijn verschenen maar dat zij geen hulpvraag hebben en dat [de minderjarige] een sensitieve band heeft opgebouwd met haar pleegouders (een band die zij niet heeft opgebouwd met de ouders).

4.4.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De Raad heeft verklaard dat de opvoedvaardigheden van de moeder herhaaldelijk zijn onderzocht en dat de Raad bezig is met een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel maar dat hierover nog geen contact is opgenomen met de ouders.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat aan de zijde van de moeder sprake is van een zeer belaste voorgeschiedenis, dat zij ten aanzien van vier kinderen (uit een andere relatie) is ontheven uit het gezag, dat LJ&R belast is met de voogdij over die kinderen en dat [dochter] onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst. Er zijn als gevolg hiervan al jarenlang verschillende vormen van hulpverlening betrokken (geweest) bij de moeder. De vader was niet op de hoogte van het bestaan van de voorgeschiedenis van de moeder en van haar andere kinderen en is daarmee pas geconfronteerd toen een beschermingsonderzoek werd gestart ter gelegenheid van moeders zwangerschap van [de minderjarige] . Er bestaan zorgen ten aanzien van de thuis- en opvoedsituatie bij de ouders, ten aanzien van de spanningen in hun verhouding alsmede ten aanzien van hun opvoedvaardigheden. [de minderjarige] is naar aanleiding van deze zorgen voor haar geboorte onder toezicht gesteld en zij is direct na haar geboorte uit huis geplaatst en sindsdien woont zij in het netwerkpleeggezin van de zus van de vader.

Ten aanzien van de moeder is gebleken dat zij in augustus 2012 is onderzocht door INTER-PSY en uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat bij de moeder sprake is van een verstandelijke beperking en dat zij door haar kwetsbaarheid en gebrek aan ziekte inzicht structureel ondersteuning en begeleiding nodig heeft op alle levensgebieden. Voor zover de moeder betwist dat zij dit onderzoek zelf heeft ondergaan, heeft zij dit naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Uit de door de ouders overgelegde brief van 30 september 2014 van Amici Psychologen blijkt verder dat de moeder presteert op moeilijk lerend niveau. Uit de brief van 3 september 2014 van Amici Psychologen blijkt dat de vader geen hulpvraag heeft en geen psychische klachten ervaart en dat hij niet onderzocht is omdat er geen psychologische onderzoeken worden uitgevoerd in opdracht van externe opdrachtgevers, maar alleen wanneer dit binnen het behandeltraject van de hulpvraag van de cliënt past en er sprake is van een as I DSM diagnose.

Aan de ouders is bij brief van 29 april 2014 een schriftelijke aanwijzing gegeven (deze is door de ouders op 16 mei 2014 ontvangen) waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaraan zij dienen te voldoen alvorens kan worden beoordeeld in hoeverre de ouders gezamenlijk of afzonderlijk een rol kunnen spelen in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . De voorwaarden betreffen onder meer het opvoedkundig handelen door de ouders, de woonsituatie van de ouders en het accepteren door de ouders van de noodzakelijk geachte onderzoeken, hulpverlening en begeleiding en de medewerking van de ouders daaraan. In mei 2014 is Parlan op verzoek van LJ&R gestart met een adviseringstraject tijdens welk traject aan de hand van het maken van een zogeheten beoordelingsboog wordt beoordeeld wat het gewenste toekomstperspectief van een kind is. In dit kader zijn onder meer (tweewekelijks) gesprekken met de ouders gevoerd, huisbezoeken bij de pleegouders afgelegd, is Therapeutische gezinsbehandeling ingezet en de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] geobserveerd. Uit het tussentijds adviesverslag van Parlan van 29 augustus 2014 komt naar voren dat er vanaf de uithuisplaatsing van [de minderjarige] aanvankelijk elke week gedurende een uur onder begeleiding van de gezinsmanager omgang plaatsvond bij de pleegouders thuis. Vanaf 25 maart 2014 werd de omgang ook begeleid door een pleegzorgbegeleider. Gedurende de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] is geconstateerd dat de ouders weliswaar lief en zorgzaam zijn maar dat zij ook afwachtend zijn, geen initiatief nemen, aansturing nodig hebben, de aanwijzingen en tips niet altijd toepassen en de vader soms ook geïrriteerd op [de minderjarige] reageert. Voorts blijkt uit voormeld verslag dat de persoonlijk begeleider van de moeder van Kinderwijs, waar de moeder van juli 2012 tot en met december 2012 met [dochter] begeleid heeft gewoond, op grond van de ervaringen met de begeleiding van de moeder en [dochter] , LJ&R adviseert om [de minderjarige] nooit alleen te laten met de moeder. Uit het verslag komt voorts naar voren dat de ouders een wisselend beeld laten zien van de spanningen in hun relatie en dat zij beiden signalen afgeven dat deze spanningen er wel degelijk zijn. Ten slotte blijkt uit het verslag dat ouders wantrouwend staan tegenover de hulpverlening en dat (nog) niet voldaan is aan de door LJ&R gestelde voorwaarden. De moeder wordt vanwege haar persoonlijke problematiek niet in staat geacht de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen. Ten aanzien van de vader wordt opgemerkt dat hij veel spanningen ervaart door de uithuisplaatsing en voelt dat er veel van hem verwacht wordt; de vraag wordt gesteld of hij in staat zal zijn om de risico factoren die er zijn te compenseren met beschermende factoren. Uit het adviesverslag van 4 december 2014 blijkt dat Parlan LJ&R op 28 november 2014 het eindadvies heeft gegeven om [de minderjarige] niet bij de ouders op te laten groeien. De ouders hebben niet voldaan aan de gestelde voorwaarden en Parlan is van mening dat zij [de minderjarige] niet de opvoeding kunnen bieden die zij nodig heeft. De ouders hebben gedurende het adviestraject te weinig stappen gemaakt en er is onvoldoende zicht gekomen op de ontwikkeling van de vader. Uit het eindadvies blijkt verder dat [de minderjarige] zich aan het hechten is in het pleeggezin en daar een veilige plek heeft.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij zowel met zijn zus (de pleegmoeder) als met zijn vader nauwelijks tot geen contact meer heeft, nadat zij lieten blijken dat [de minderjarige] het beste in een pleeggezin kan opgroeien. Voorts is ter zitting in hoger beroep gebleken dat er thans een keer in de vier weken gedurende een uur begeleide omgang plaatsvindt tussen de ouders en [de minderjarige] op het kantoor van Parlan.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de gronden voor zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de beoordelingsboog een zeer intensief traject is geweest waarin op verschillende wijzen is onderzocht in hoeverre de ouders in staat zijn om voor [de minderjarige] te zorgen. Gebleken is dat de ouders liefdevol en betrokken zijn, maar dat zij over onvoldoende draagkracht en vaardigheden beschikken om [de minderjarige] de verzorging en opvoeding te bieden die zij nodig heeft. Hoewel na de plaatsing van [de minderjarige] in het netwerkpleeggezin sprake was van een intensieve omgangsregeling, is er onvoldoende band ontstaan tussen de ouders en [de minderjarige] , mede als gevolg van het gegeven dat de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken om aan te sluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige] . Aan de zijde van de moeder is bovendien gebleken dat zij als gevolg van haar verstandelijke beperking onvoldoende inzicht heeft in haar eigen functioneren, in haar opvoedingsverantwoordelijkheden en in hetgeen zij als opvoeder aan ondersteuning nodig heeft. Ten aanzien van de vader is gebleken dat hij de hulpverlening wantrouwt en dat hij over onvoldoende inzicht beschikt in de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] en daarmee de belasting die haar opvoeding en verzorging meebrengt onderschat. Ten slotte is van belang dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt en positief is gehecht in het huidige pleeggezin. Het hof is anders dan de ouders van oordeel dat sprake is van een gedegen en zorgvuldig onderzoek en dat de ouders voldoende kansen hebben gekregen om te laten zien dat zij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] aan kunnen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.G.H. Beckers, M.J. Leijdekker en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2015.