Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3137

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
200.164.529-01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsing van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter inzake internationale onderhoudsverplichtingen. Toepasselijkheid Brussel II-bis verordening en Alimentatieverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0255
EB 2015/91

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 21 juli 2015

Zaaknummer: 200.164.529/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/567649/FA RK 14-4688(KK/JP)

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [a] ,

appellant,

advocaat: mr. J.E.C. Verhoeff te 's-Gravenhage,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.S. Boonstra te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 11 februari 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 december 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/567649/FA RK 14-4688(KK/JP).

1.3.

De vrouw heeft op 7 april 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 29 mei 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 8 juni 2015 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

- de advocaat van de man,

- de advocaat van de vrouw.

1.6.

De man en de vrouw zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben van 2003 tot 2012 een relatie gehad. Uit hun relatie is in Italië geboren [naam minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2010. De man heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] heeft de Nederlandse en Italiaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Italiaanse nationaliteit.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het op 26 juni 2014 door de man ingediend verzoek een door hem met ingang van de datum van de beschikking te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van € 492,92 per maand voor het geval zij haar hoofdverblijf in Nederland zal hebben en van € 385,27 per maand voor het geval zij haar hoofdverblijf in Italië zal hebben.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, -naar het hof begrijpt- zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3.3.

De vrouw verzoekt primair de bestreden beschikking te bekrachtigen en subsidiair, in het geval het hof beslist dat het beroep van de man gegrond wordt verklaard, de behandeling van de zaak aan te houden en de vrouw in de gelegenheid te stellen inhoudelijk verweer te voeren tegen de verzoeken van de man tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

De vrouw verzoekt voorts de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor de vraag of de rechtbank zich terecht en op juiste gronden onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van het verzoek van de man tot vaststelling van een door hem te betalen bijdrage voor [de minderjarige] .

4.2.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat bij beschikking van 5 maart 2014 van de rechtbank Amsterdam voor recht is verklaard dat de ouders gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] . Voorts is bij die beschikking bepaald dat [de minderjarige] hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw, is de vrouw toestemming verleend om met [de minderjarige] naar [b] te verhuizen en is een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] vastgesteld. De vrouw had de rechtbank aanvankelijk verzocht tevens een kinderbijdrage voor [de minderjarige] vast te stellen maar heeft dit verzoek gedurende de procedure ingetrokken. De man is tegen voormelde beschikking in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 11 november 2014 van dit hof is - voor zover thans van belang - voormelde beschikking ten aanzien van het gezag, vervangende toestemming tot verhuizing en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bekrachtigd. De man heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld, welke procedure thans nog loopt.

Op 26 juni 2014 heeft de man bij de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage voor [de minderjarige] ingediend, hetgeen heeft geleid tot de bestreden beschikking.

De vrouw verblijft sinds 7 maart 2014 met [de minderjarige] in Italië.

4.3.

De man stelt - onder meer - dat de Nederlandse rechter de bevoegdheid heeft behouden die hem in de eerder door de vrouw aanhangig gemaakte procedure op basis van artikelen 8 en 10 van de EG-Verordening nr. 2201/2003 (hierna: Brussel II-bis) toekwam. De kern van Brussel II-bis als ook van de EG-Verordening nr. 4/2009 (hierna: Alimentatieverordening) is dat waar het gerecht aanvankelijk bevoegdheid heeft uitgesproken, in casu ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid, dit gerecht ook bevoegdheid heeft om over de vaststelling van alimentatie een uitspraak te doen. Artikel 3 onder d Alimentatieverordening geeft een belangrijke aanvulling hierop, namelijk connexiteit tussen de procedure inzake het ouderlijk gezag en de procedure tot vaststelling van kinderalimentatie. Doordat de vrouw haar eerdere verzoek om kinderalimentatie had ingetrokken was de man genoodzaakt een zelfstandig verzoek te doen tot vaststelling kinderalimentatie.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4.4.

Voorop staat dat het inleidend verzoek van de man van 26 juni 2014 dient te worden aangemerkt als een zelfstandig, nieuw verzoek, aangezien het niet ten tijde van de eerder door de vrouw aanhangig gemaakte procedure is ingediend, doch enkele maanden nadat de rechtbank in die eerdere procedure uitspraak had gedaan. Anders dan de man stelt, ziet het hof geen connexiteit tussen de twee procedures. Daartoe wordt overwogen dat het geschilpunt in de onderhavige procedure, te weten vaststelling van een kinderbijdrage, geen onderdeel uitmaakt van de door de rechtbank Amsterdam op 5 maart 2014 genomen beslissing. De omstandigheid dat in de door de vrouw aanhangig gemaakte procedure gelet op het thans lopende cassatieberoep nog niet definitief is beslist, maakt dat niet anders. Meer algemeen zijn in de bepalingen van Brussel II-bis noch in die van de Alimentatieverordening aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van de stelling van de man dat de bevoegdheid die de Nederlandse rechter in de eerdere, door de vrouw aanhangig gemaakte procedure op grond van de artikel 8 en 10 Brussel II-bis toekwam, in de onderhavige procedure behouden blijft. Zodoende dient in de onderhavige procedure aan de hand van de toepasselijke bepalingen van Brussel II-bis en van de Alimentatieverordening apart beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter thans bevoegd is kennis te nemen van het inleidend verzoek van de man.

4.5.

Artikel 3 lid 3 sub e Brussel II-bis sluit zaken betreffende onderhoudsverplichtingen expliciet uit van het toepassingsgebied van die verordening zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak niet op basis van Brussel II-bis kan worden vastgesteld. Anders dan de man stelt, kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet alsnog op grond van artikel 12 Brussel II-bis worden aangenomen, reeds omdat lid 1 sub b van dat artikel vereist dat de bevoegdheid van de aangezochte rechter uitdrukkelijk door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Getuige de proceshouding van de vrouw in de onderhavige procedure en het feit dat partijen gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] zijn belast, is niet aan voormeld vereiste voldaan.

Op 18 juni 2011 is in werking getreden de Alimentatieverordening die van toepassing is op zaken betreffende internationale onderhoudsverplichtingen. In artikel 3 aanhef en onder a en b van die verordening is de hoofdregel vervat, inhoudende dat bevoegd is kennis te nemen van geschillen inzake internationale onderhoudsverplichtingen het gerecht van de gewone verblijfplaats van verweerder of het gerecht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. Het door de man aangehaalde artikel 3 sub d van die verordening bevat weliswaar een aanvulling hierop, doch behelst het vereiste dat het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek moet zijn dat is verbonden met de verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Aangezien - zoals hierboven reeds vermeld - het inleidend verzoek van de man niet in een reeds aanhangige procedure is ingediend, is echter geen sprake van een nevenverzoek.

Gelet op het voorgaande en op het feit dat de vrouw sinds 7 maart 2014 met [de minderjarige] in Italië verblijft, heeft de rechtbank zich naar het oordeel van het hof dan ook terecht onbevoegd verklaard kennis te nemen van het inleidend verzoek van de man van 26 juni 2014 tot vaststelling van een kinderbijdrage.

4.6.

Hetgeen de man voorts nog heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn stelling dat het belang van [de minderjarige] een uitzondering op voormelde hoofdregel rechtvaardigt zoals zijn en haar Nederlandse nationaliteit, het gezamenlijk gezag en haar verbondenheid met haar voormalige woonplaats [a] , maakt het oordeel van het hof niet anders, nu deze feiten - wat er zij van de juistheid daarvan - inherent zijn aan de situatie van partijen en van enige noodzaak tot het maken van een uitzondering niet is gebleken. De ter zitting namens de man uitgesproken vrees dat hij in een voor hem financieel nadeliger Italiaanse procedure tot vaststelling van een kinderbijdrage zal worden betrokken, is daartoe eveneens onvoldoende.

De bestreden beschikking wordt derhalve bekrachtigd.

4.7.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. H.A. van den Berg en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.