Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3113

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
200.164.822-01 + 02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gronden voor ondercuratelestelling niet aanwezig, gronden voor bewind en mentorschap wel aanwezig.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 378, 431 en 450
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 juli 2015

Zaaknummer: 200.164.822/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 3085692 BM VERZ 14-822 mrc

in de zaak in hoger beroep van:

[x] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.J. van der Staaij te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante is op 16 februari 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 november 2014 van de rechtbank Noord-Holland, Sectie Kanton, locatie Haarlem, met kenmerk 3085692 BM VERZ 14-822 mrc.

1.2.

[naam dochter] (hierna: de dochter) heeft op 7 april 2015 een verweerschrift ingediend.

1.3.

Appellante heeft op 8 juni 2015 nadere stukken ingediend.

1.4.

De zaak is op 18 juni 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- appellante, bijgestaan door haar advocaat;

- de dochter;

- [naam zoon] (hierna: de zoon);

- mevrouw T. Mighelsen (sociaal psychiatrisch verpleegkundige) en mevrouw C. Hemelaar (jurist) namens GGZ inGeest te Haarlem;

- [naam y] , h.o.d.n. [y] Bewindvoering (hierna: [y] ).

1.6.

De advocaat-generaal is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Appellante is geboren [in] 1935. De zoon en de dochter zijn haar kinderen. Appellante woont zelfstandig. Zij ontvangt circa € 1.900,- per maand aan pensioen en AOW-uitkering.

2.2.

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van C. Ullman, psychiater verbonden aan GGZ inGeest, van 10 juli 2014, waarin staat vermeld dat appellante lijdt aan een progressieve hersenaandoening. Derhalve acht de psychiater van GGZ inGeest appellante niet in staat tot het nemen van ingrijpende beslissingen c.q. het behartigen van haar financiële belangen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van GGZ inGeest, appellante onder curatele gesteld wegens haar lichamelijke/geestelijke toestand, met benoeming van [y] tot curator.

3.2.

Appellante verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van GGZ inGeest alsnog af te wijzen en een bewind in te stellen over de goederen die haar (zullen) toebehoren, met benoeming van de zoon tot bewindvoerder.

3.3.

De dochter verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Appellante betoogt dat de wettelijke gronden voor ondercuratelestelling niet aanwezig zijn. Zij erkent dat bij haar beginnende dementie is vastgesteld en dat zij haar financiële belangen niet meer zelf kan behartigen zodat onderbewindstelling noodzakelijk is geworden, maar ondercuratelestelling - ten gevolge waarvan de handelingsbekwaamheid haar wordt ontnomen - is in haar geval een te verstrekkende maatregel. Zij staat onder behandeling van een geriater. Deze arts heeft verklaard dat het naar omstandigheden goed gaat met haar. Appellante herkent zich dan ook niet in hetgeen omtrent haar is verklaard door de psychiater van GGZ inGeest op 10 juli 2014. Als het hof van oordeel is dat appellante ook haar niet-vermogensrechtelijke belangen niet zelf kan behartigen, volstaat naast onderbewindstelling (op termijn) de instelling van een mentorschap.

Appellante wenst dat haar zoon tot bewindvoerder – of indien het hof de gronden voor ondercuratelestelling aanwezig acht: tot curator – wordt benoemd. Al sinds enige tijd regelt hij haar financiën en dat doet hij naar wens. Hij heeft nooit buiten haar medeweten zaken voor zichzelf gekocht met haar geld. Er zijn dan ook geen gegronde redenen om haar uitdrukkelijke voorkeur te passeren. Indien dat toch gebeurt, moet volgens de wet bij voorkeur een kind van de rechthebbende worden benoemd, aldus appellante.

4.2.

De dochter refereert zich aan het oordeel van het hof met betrekking tot de vraag of onderbewindstelling of ondercuratelestelling in geval van haar moeder noodzakelijk is. Ongeacht welke beschermingsmaatregel wordt uitgesproken, acht zij het van belang dat een onafhankelijke persoon of instantie tot curator of bewindvoerder of mentor wordt benoemd en niet haar broer. Hij heeft volgens haar een bedrag van € 4.338,- van appellante besteed aan modelauto’s. Een regelmatige financiële verantwoording ontbreekt bovendien. Appellante heeft geen uitvaartverzekering, maar wel een spaarrekening waarop een aanzienlijk bedrag staat. Mede om te voorkomen dat dit spaarsaldo slinkt, wenst de dochter de benoeming van een onafhankelijke derde.

4.3.

Namens GGZ inGeest is ter zitting in hoger beroep voorop gesteld dat de zoon goed zorgt voor appellante en dat er geen zorgen zijn over het gegeven dat appellante zelfstandig woont. Er zijn echter wel zorgen voor het geval de (gezondheids)situatie van appellante mocht wijzigen. Gezien de familiegeschiedenis van appellante - die wordt gekenmerkt door psychische stoornissen -, de symbiotische relatie tussen appellante en de zoon en het gegeven dat hulpverlening wordt afgehouden, acht GGZ inGeest ondercuratelestelling noodzakelijk met benoeming van een onafhankelijke curator.

4.4.

De zoon heeft ter zitting in hoger beroep herhaald dat hij bewindvoerder wil en kan zijn over de goederen die (zullen) toebehoren aan appellante. Hij heeft erkend dat hij in het verleden aankopen heeft gedaan met geld van zijn moeder, maar dat is met toestemming van zijn moeder gebeurd en de zoon zal dat niet meer doen. Hij heeft ontkend dat hij hulpverleners en anderen buiten de deur houdt.

4.5.

[y] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de communicatie tussen haar en de zoon, die altijd bij haar tweemaandelijkse gesprekken met appellante aanwezig is, weliswaar niet steeds optimaal verloopt, maar dat de financiële situatie van appellante gezond is en dat er geen betalingsachterstanden zijn. [y] heeft zich tevens bereid verklaard om tot bewindvoerder ten behoeve van appellante te worden benoemd.

4.6.

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- of drugsmisbruik, en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de kantonrechter, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand dan wel verkwisting of het hebben van problematische schulden, een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

4.7.

Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat de gronden voor ondercuratelestelling thans niet aanwezig zijn. Weliswaar is bij appellante (beginnende) dementie geconstateerd, maar niet gebleken is dat deze stoornis thans dusdanig ernstig is dat een voldoende behartiging van de belangen van appellante niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd. Appellante heeft verzocht een bewind in te stellen over haar goederen. Het hof zal dit verzoek toewijzen, nu de gronden voor een bewind zich wel voordoen.

4.8.

Naast de instelling van bewind ziet het hof aanleiding om ambtshalve, op de voet van artikel 1:451 lid 3 BW, een mentorschap ten behoeve van appellante in te stellen. Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW kan een mentorschap worden ingesteld indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Zowel GGZ inGeest als de dochter heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij niet (meer) worden binnengelaten bij appellante. Ook de specialist ouderengeneeskunde van GGZ inGeest en de vertrouwenspersoon van appellante bij haar kerk worden volgens hen niet binnengelaten. Hoewel niet gebleken is dat geen enkele hulpverlener meer wordt binnengelaten bij appellante (zo is door GGZ inGeest verklaard dat de Thuiszorg nog steeds bij appellante komt), acht het hof reeds het enkele gegeven dat een aantal mensen door appellante wordt geweerd zodanig zorgelijk dat dit het oordeel rechtvaardigt dat appellante als gevolg van haar geestelijke toestand duurzaam wordt bemoeilijkt haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

4.9.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord wie tot bewindvoerder en tot mentor dient c.q. dienen te worden benoemd.

Zowel bij de benoeming van een bewindvoerder als van een mentor wordt, ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW juncto 1:452 lid 3 BW, de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende gevolgd, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Appellante heeft de uitdrukkelijke voorkeur uitgesproken dat de zoon haar bewindvoerder wordt. Voorts is de zoon als kind en vertrouwenspersoon van appellante ingevolge lid 4 van voormelde wetsartikelen de wettelijk te prefereren bewindvoerder/mentor. Het hof acht de gebleken verstoorde verstandhouding tussen de zoon en de dochter echter van dien aard dat deze in de weg staat aan benoeming van de zoon tot bewindvoerder dan wel mentor. Het is niet in het belang van appellante dat tussen haar kinderen een conflictueuze verhouding bestaat. Nu [y] een goede werkrelatie lijkt te hebben met appellante, zal het hof haar benoemen tot bewindvoerder.

Aangezien [y] zich reeds bereid had verklaard tot curator te worden benoemd en zij zich ter zitting in hoger beroep bereid heeft verklaard tot bewindvoerder te worden benoemd, gaat het hof ervan uit dat [y] tevens bereid is tot mentor ten behoeve van appellante te worden benoemd. Het hof zal [y] tevens in die hoedanigheid benoemen.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek van GGZ inGeest tot ondercuratelestelling van [x] alsnog af;

bepaalt dat de vernietiging van de uitspraak tot ondercuratelestelling binnen tien dagen na heden vanwege de griffier bekend wordt gemaakt in de Staatscourant;

verstaat dat de inmiddels door de curator of met haar toestemming verrichte rechtshandelingen voor appellante verbindend blijven;

stelt de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [x] onder bewind;

benoemt tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [x] :

[naam y]

h.o.d.n. [y] Bewindvoering

[adres]

[plaatsnaam] ;

stelt een mentorschap in ten behoeve van [x] ;

benoemt tot mentor:

[naam y]

h.o.d.n. [y] Bewindvoering

[adres]

[plaatsnaam]

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat de griffier van dit hof een kopie van deze beschikking zal zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, Sectie Kanton, locatie Haarlem ter aantekening in het Centraal Curatele en Bewind Register.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. M. Wigleven en mr. A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.