Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3108

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
200.157295-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160, geldigheid: 2015-08-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.22

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 juli 2015

Zaaknummers: 200.157.295/ 01 en 200.157.295/ 02

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/537439 FA RK 13-1616 (JG/MD)

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.157.295/ 01 van:

[de man] ,

wonende te [a] ,

appellant,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.T.M. Horst te Maastricht,

(voorheen: mr. R.G.S. Pennino te Maastricht),

en in de zaak met zaaknummer 200.157.295/ 02 van:

[de man] ,

wonende te [a] ,

verzoeker,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [b] ,

verweerster,

advocaat: mr. S.T.M. Horst te Maastricht,

(voorheen: mr. R.G.S. Pennino te Maastricht).

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 8 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 1 oktober 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/537439 FA RK 13-1616 (JG/MD).

Hij heeft daarbij een verzoek ingediend tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking met betrekking tot de zorgregeling en de betalingsverplichting die de man jegens de vrouw heeft.

1.3.

De vrouw heeft op 24 december 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 13 november 2014, 3 december 2014, 14 januari 2015, 23 januari 2015, 30 januari 2015, 12 februari 2015, 16 februari 2015 en 17 februari 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 10 februari 2015, 16 februari 2015 en 19 februari 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaken zijn op 26 februari 2015 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. R.G.S. Pennino;

  • -

    mevrouw G.M. Achterkamp, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinder-bescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.8.

Voorts is, zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting, nog door de man zijn jaaropgave van 2014 aan het hof gezonden.

2 De feiten in beide zaken

2.1.

Partijen zijn [in] 2009 gehuwd. Hun huwelijk is op 16 april 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 maart 2014 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren [naam minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2008. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft bij de man.

2.2.

Bij beschikking van 13 maart 2013 van de rechtbank Amsterdam is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat [de minderjarige] met onmiddellijke ingang aan de man zal worden toevertrouwd en dat de vrouw [de minderjarige] met ingang van het weekend van 22 tot en met 24 maart 2013 eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur bij zich heeft.

Bij beschikking van 11 december 2013 van de rechtbank Amsterdam is de beschikking van 13 maart 2013 aldus gewijzigd dat tussen [de minderjarige] en de vrouw een contactregeling zal gelden (bij wijze van voorlopige voorziening) waarbij partijen de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg moeten volgen.

2.3.

In december 2013 is in samenspraak met partijen door Jeugdbescherming Regio Amsterdam (voorheen: Bureau Jeugdzorg en hierna: JBRA), die op vrijwillige basis bij het gezin betrokken is, een zorgregeling vastgesteld waarbij de vrouw [de minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur bij zich heeft. Daarnaast heeft de vrouw tweemaal per week telefonisch contact met [de minderjarige] , op maandag en donderdag.

2.4.

Bij de echtscheidingsbeschikking is de Raad verzocht onderzoek te verrichten en de rechtbank te adviseren omtrent de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de te bepalen zorgregeling tussen hem en de vrouw. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak omtrent de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw pro forma aangehouden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek.

2.5.

De Raad heeft een onderzoek ingesteld en op 14 mei 2014 een rapport uitgebracht. Op 4 juni 2014 is een herziene versie van het rapport uitgebracht.

Uit dit rapport blijkt onder meer het volgende. In mei 2013 heeft het Medisch Pedagogisch centrum Het Kabouterhuis een psychologisch onderzoek verricht waaruit bleek dat [de minderjarige] de spanningen voelt tussen zijn ouders en dat dit bij hem een loyaliteitsconflict teweeg heeft gebracht. De gezinsmanager van JBRA is van mening dat contact met beide ouders in het belang van [de minderjarige] is, hoewel is gebleken dat de vrouw de zorgregeling sinds januari 2014 nauwelijks nakomt.

De zorgregeling dient uit te gaan van wat haalbaar is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] is mede door zijn loyaliteitsconflict kwetsbaar en hij is gebaat bij een veilige omgeving met een duidelijke, voorspelbare structuur. Het is verwarrend voor hem wanneer de vrouw zich niet aan de zorgregeling houdt; [de minderjarige] weet dan niet wat hij van haar kan verwachten en hij raakt teleurgesteld. Regelmatig contact met beide ouders en duidelijke afspraken zonder belast te worden met de strijd en communicatieproblemen van zijn ouders, zijn in het belang van [de minderjarige] . Uit het onderzoek is gebleken dat de huidige regeling niet nagekomen wordt, dus is een vermindering van de zorgregeling in het belang van [de minderjarige] . De Raad is van mening dat vermindering van de huidige zorgregeling (van een weekend per twee weken) naar één keer per maand, waarbij de vrouw [de minderjarige] van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur bij zich heeft, voor iedereen haalbaar is. De Raad acht het tevens wenselijk dat er goede afspraken komen ten aanzien van de belcontacten.

2.6.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.7.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1971. Hij en [de minderjarige] wonen bij de ouders van de man.

Hij ontvangt een uitkering op grond van de Wet en inkomen naar arbeidsvermogen. Blijkens de jaaropgave van 2014 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 26.856,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 104,- per maand.

2.8.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1981. Zij heeft een nieuwe partner, de heer [naam x] (hierna: [x] ). Zij heeft een dochter uit een eerder huwelijk, [naam dochter] , geboren [in] 2006. Deze dochter woont niet bij de vrouw.

Zij ontvangt een Wajong-uitkering. Volgens de betaalspecificatie van oktober 2013 bedroeg haar uitkering € 1.108,- bruto per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 128,- per maand.

3 Het geschil in beide zaken

In de zaak met zaaknummer 200.157.295/ 01

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:

  • -

    bepaald dat de vrouw [de minderjarige] in het kader van een zorgregeling bij zich zal hebben eenmaal per maand van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur, alsmede een van beide kerstdagen in 2014, tussen partijen nader overeen te komen;

  • -

    bepaald dat de man € 210,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, met ingang van de datum van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.2.

De man verzoekt – naar het hof begrijpt – met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

  • -

    te bepalen dat de vrouw [de minderjarige] in het kader van een zorgregeling bij zich zal hebben een zaterdag per maand tussen 10.00 en 16.00 uur, met de bepaling dat de vrouw met [de minderjarige] binnen de gemeente Amsterdam, althans binnen de provincie Noord-Holland blijft;

  • -

    primair: te bepalen dat de man geen partneralimentatie hoeft te betalen dan wel het inleidend verzoek van de vrouw daartoe af te wijzen, omdat de vrouw geen recht heeft op een uitkering tot haar levensonderhoud of geen behoefte daaraan heeft of omdat de man geen draagkracht heeft haar een uitkering te betalen;

  • -

    subsidiair: de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van de beschikking van dit hof een zodanig lager bedrag te bepalen dan de rechtbank heeft gedaan alsmede te bepalen dat de man met hetgeen hij heeft betaald aan zijn verplichtingen heeft voldaan, althans iedere achterstand te beperken tot hetgeen de man heeft betaald, althans te bepalen dat hetgeen de man aan de vrouw teveel heeft betaald door de man mag worden verrekend met de eventueel aanstaande bijdragen.

De man heeft bij brief van 19 januari 2015, ingekomen op 23 januari 2015, alsnog verzocht:

  • -

    hem met het eenhoofdig ouderlijk gezag te belasten;

  • -

    te bepalen dat de vrouw de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dient te betalen van € 250,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, met ingang van 1 januari 2015.

3.3.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

In de zaak met zaaknummer 200.157.295/ 02

3.4.

De man verzoekt de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te schorsen.

3.5.

De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen.

4 Ontvankelijkheid van het hoger beroep (zaaknummer 200.157.295/ 01)

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij heeft verzuimd grieven te formuleren.

Dat verweer slaagt niet. Het beroepschrift dient ingevolge artikel 359 jo. artikel 278 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gronden te bevatten waarop het beroep berust, hetgeen meebrengt dat uit het beroepschrift op voor de wederpartij duidelijk kenbare wijze moet blijken op welke gronden appellant meent dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. Hetgeen de man in zijn beroepschrift heeft vermeld, voldoet aan dat vereiste, zodat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

5 Beoordeling van het hoger beroep (zaaknummer 200.157.295/ 01)

5.1.

De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek om hem met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten alsmede zijn verzoek om een door de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] vast te stellen, ingetrokken. Deze verzoeken behoeven derhalve geen bespreking meer.

Ter beoordeling van het hof zijn de zorgregeling en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw.

5.2.

De man betoogt dat een beperktere zorgregeling dan de rechtbank heeft bepaald in het belang van [de minderjarige] is. Sinds partijen in 2012 uit elkaar zijn gegaan, heeft er weinig contact plaatsgevonden tussen de vrouw en [de minderjarige] , omdat de vrouw in het weekend veel optredens heeft als zangeres. Ook is het voorgekomen dat de zorgregeling doorgang vond, maar dat [de minderjarige] de zaterdag doorbracht onder de hoede van [x] of aan de bar van het etablissement waar de vrouw optrad. Na de laatste omgang in juli 2014 is [de minderjarige] in overleg met de huisarts en zijn school onder behandeling gesteld van GGZ jeugdpsychiatrie. Gebleken is dat hij schade heeft opgelopen of een trauma heeft opgedaan door de omgang met de vrouw en daarvoor dient te worden behandeld. De behandelaar heeft verklaard dat [de minderjarige] omgang kan hebben met de vrouw, maar dat de zorgregeling in duur moet worden beperkt. De behandelaar heeft een zorgregeling geadviseerd waarbij [de minderjarige] een zaterdagmiddag per maand bij de vrouw doorbrengt, aldus de man. Hij heeft haar niet bereid gevonden haar advies op schrift te stellen.

Voorts wenst de man dat er een vaste dag in de maand wordt bepaald waarop de zorgregeling zal plaatsvinden, zodat de vrouw haar artiestenagenda daarop kan aanpassen en [de minderjarige] weet waar hij aan toe is.

5.3.

De vrouw heeft erop gewezen dat de rechtbank de zorgregeling heeft bepaald conform het advies van de Raad, welk advies reeds een beperking van de zorgregeling inhoudt. De vrouw is niet bekend met het feit dat [de minderjarige] wordt behandeld door de GGZ en de gestelde behandeling is niet met stukken onderbouwd. Derhalve dient het advies van de Raad nog steeds leidend te zijn. Zij kan voorts instemmen met het bepalen van vaste dagen voor de zorgregeling, met de mogelijkheid om twee of drie keer per jaar daarvan af te wijken, bijvoorbeeld in geval de vrouw ziek is (zij lijdt aan reuma).

5.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard het advies in zijn rapport van 4 juni 2014 te handhaven. De Raad heeft dan ook geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het is van belang dat [de minderjarige] niet wordt betrokken bij de strijd tussen zijn ouders, maar dat hij weet waar hij aan toe is, zoals bijvoorbeeld welk weekend hij bij de vrouw verblijft. Daarbij zal de vrouw het belang van [de minderjarige] voorop moeten stellen en de rest van haar bezigheden om hem heen moeten plannen. Ten slotte is het van belang dat partijen beter met elkaar gaan communiceren en afspraken maken over [de minderjarige] , aldus de Raad.

5.5.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken is gebleken dat [de minderjarige] veel sturing nodig heeft en gebaat is bij rust, regelmaat en een duidelijk voorspelbare structuur. De vast te stellen zorgregeling moet hieraan in het belang van [de minderjarige] zoveel mogelijk tegemoet komen en moet tevens zowel voor [de minderjarige] als ook voor beide ouders haalbaar zijn. Naar het hof begrijpt, vreest de man gezien zijn ervaringen in het verleden dat een zorgregeling van een weekend per maand niet (steeds) zal worden nageleefd door de vrouw, om welke reden hij een verdere beperking van de zorgregeling wenst. Hij heeft in dit verband verwezen naar een verklaring van de behandelaar van [de minderjarige] bij de GGZ. Nu deze verklaring echter niet op schrift staat en de vrouw voorts onbekend is met het verloop van deze behandeling, kan daarvan niet zonder meer worden uitgegaan. Volgens de Raad is een zorgregeling van een weekend per maand ook voor de vrouw haalbaar en de vrouw heeft dat bevestigd. Ook acht het hof van belang dat de Raad ten behoeve van zijn (gedegen) onderzoek onder meer heeft gesproken met JBRA, een klinisch psycholoog van Het Kabouterhuis, de schoolpsycholoog en de huisarts, alsmede met [de minderjarige] zelf. Het hof vertrouwt derhalve op de conclusies van de Raad, ook ten aanzien van de haalbaarheid van de geadviseerde zorgregeling. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw in het belang van [de minderjarige] haar optredens en overige bezigheden in de weekends dusdanig zal plannen dat haar weekend met [de minderjarige] steeds zal kunnen doorgaan. Het hof zal de beschikking waarvan beroep derhalve in zoverre bekrachtigen.

Teneinde duidelijkheid te scheppen voor [de minderjarige] zal het hof bepalen dat de vrouw en [de minderjarige] in beginsel telkens het eerste weekend van de maand omgang hebben, voor het eerst in de eerstvolgende kalendermaand na de datum van deze beschikking. Uiteraard kunnen partijen in onderling overleg een andere regeling afspreken, waarbij zij opgemerkt dat de man als verzorgende ouder van [de minderjarige] zijn toestemming zal moeten verlenen voor een wijziging. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de man enige flexibiliteit zal tonen, indien de omstandigheden daarom vragen. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om een verdere overweging te wijden aan de verlangde mate van flexibiliteit van de man, zoals door de vrouw verzocht.

Het verzoek van de man om te bepalen dat de zorgregeling moet plaatsvinden in de gemeente Amsterdam dan wel in de provincie Noord-Holland zal het hof afwijzen, nu de man dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd.

5.6.

Voorts is aan de orde het verzoek van de man inzake de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw. De man meent dat de vrouw geen recht heeft op een uitkering tot levensonderhoud op grond van het bepaalde in artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW), omdat zij en haar partner samenwonen als waren zij gehuwd. De vrouw is al vóór het einde van 2012 bij [x] ingetrokken, aldus de man.

In de tweede plaats heeft de vrouw geen behoefte aan een uitkering tot haar levensonderhoud, omdat zij naast haar Wajong-uitkering een inkomen genereert uit haar optredens. Ten slotte betoogt de man dat hij geen draagkracht heeft om enige alimentatie aan de vrouw te voldoen.

5.7.

De vrouw heeft het door de man gestelde betwist en daartoe het volgende aangevoerd. [x] is haar manager en tevens haar partner, maar zij woont niet met hem samen. Zij heeft per 1 juli 2014 een kamer bij [x] gehuurd waarvoor zij € 400,- per maand betaalt. Ter ondersteuning van deze stelling heeft zij een huurovereenkomst overgelegd, door de vrouw en [x] ondertekend op 23 juni 2014, en een uitdraai van haar internetbankrekening waarop zes betalingen van de vrouw aan [x] van € 400,- over de periode van 2 juli 2014 tot en met 21 november 2014 zijn vermeld. De vrouw stelt dat zij op zoek is naar een eigen woning. Zij betwist dat zij en [x] elkaar wederzijds verzorgen en een gezamenlijke huishouding voeren.

Zij heeft verder alleen een Wajong-uitkering en genereert geen inkomsten uit optredens. Zij treedt wel op, maar ontvangt slechts sporadisch een onkostenvergoeding van € 50,-.

De man heeft geen (financiële) stukken in geding gebracht ter onderbouwing van zijn gebrek aan draagkracht, aldus de vrouw.

5.8.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleving met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, dient volgens vaste rechtspraak tussen de alimentatiegerechtigde en de nieuwe partner sprake te zijn van een affectieve relatie van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarbij is het uitgangspunt dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd, vanwege de ingrijpende gevolgen die voor de alimentatiegerechtigde aan de toepassing ervan zijn verbonden.

5.9.

Niet in geschil is dat de vrouw een affectieve relatie van duurzame aard heeft met [x] , nu zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij sinds anderhalf jaar een relatie heeft met [x] , die tevens haar manager is.

Voorts is komen vast te staan dat de vrouw en [x] feitelijk in dezelfde woning wonen.

De man heeft ter ondersteuning van zijn stelling dat de vrouw en [x] samenleven als waren zij gehuwd, uitdraaien van de Facebookpagina van de vrouw overgelegd, met onder meer de volgende berichten, die – voor zover valt na te gaan – grotendeels dateren uit 2014:

  • -

    “Lekker vroeg uit de veren, brood smeren voor [voornaam x] daarna uit met de hondjes. Dan ga ik toch nog eventjes op de bank een beetje doezelen waarna ik de dagelijkse huishoudelijke taken verricht. Aan het einde van de ochtend ga ik ff heerlijk onder de zonnebank, die ik zo ontzettend lief van mijn allerliefste [voornaam x] heb gekregen en vanmiddag ga ik nog even naar de kapper voor een color checkup.”

  • -

    “Heerlijk om mijn engeltje zo blij te zien met haar nieuwe fiets die ze van papa [voornaam x] heeft gekregen”

  • -

    “Ik vind het fantastisch om hem te verwennen en voor hem te koken. Hij is altijd zo dankbaar en lief. Ik vind dat hij het verdient, want hij heeft me er echt doorheen gesleept de afgelopen weken en hij zorgt nu nog 24/7 voor me. Ik mag en kan nog weinig, dus ik ben erg blij met mijn lieve [voornaam x] .”

  • -

    “Vanmorgen kwam mijn Allerliefste [voornaam x] thuis met een mega bos roze rozen.”

  • -

    “ [voornaam x] en ik hebben vandaag onze outfits voor carnaval aangeschaft, dikke pret hadden we natuurlijk! (…) We zijn intens gezegend, we hebben twee prachtige kinderen [naam dochter] en [de minderjarige] (ook al zie we [de minderjarige] niet vaak in ons hart is hij bij ons) Voor mijn gevoel is [voornaam x] de echte vader van mijn kinderen, want hij voedt ze op en geeft ze de liefde alsof het zijn eigen vlees en bloed is en daar ben ik heel erg blij mee. Dankjewel lieve [voornaam x] , dat je zo goed zorgt voor mij en de kinderen, ik hou van jou! We hebben twee sjnupkes van hondjes. We hebben mega lieve ouders/schoonouders en we hebben elkaar niet te vergeten. Mijn leven is helemaal compleet, ik heb alles wat mijn hartje begeert. 2015 wordt voor ons een fenomenaal jaar, dat weet ik zeker!”

5.10

De vrouw heeft niet betwist dat deze berichten van haar hand zijn. Het hof heeft haar ter zitting een aantal daarvan voorgehouden en om een verklaring daarvoor gevraagd. De vrouw heeft daarop geantwoord dat [x] voor haar heeft gezorgd toen zij veel hulp nodig had in verband met twee ingrijpende operaties die zij ten behoeve van een noodzakelijke gewichts-vermindering heeft ondergaan. Zij heeft er ter zitting nogmaals op gewezen dat zij een kamer huurt bij [x] .

Naar het oordeel van het hof vormen de bovenstaande berichten, in onderlinge samenhang bezien en tevens bezien tegen de achtergrond dat de vrouw en [x] een duurzame affectieve relatie hebben en in dezelfde woning wonen, voldoende aanwijzing dat zij samenwoont met [x] als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Uit de berichten blijkt dat de vrouw ’s morgens brood smeert voor [x] en voor hem kookt. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat de woning over één keuken beschikt. Verder blijkt uit de berichten dat de vrouw huishoudelijke taken verricht en samen met [x] twee honden heeft, die zij uitlaat. [x] zorgt volgens de vrouw niet alleen goed voor haar, maar ook voor haar beide kinderen, die hij mede opvoedt. Hij koopt een zonnebank en rozen voor de vrouw, en een fiets voor haar dochter [naam dochter] , aldus de berichten. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de conclusie dat tussen de vrouw en [x] sprake is van een duurzame affectieve relatie die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De vrouw heeft onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die deze conclusie weerleggen en daarmee de stelling van de man onvoldoende gemotiveerd betwist. De verwijzing naar haar gezondheidssituatie volstaat niet. Verder staat de omstandigheid dat de vrouw met [x] een huurovereenkomst heeft gesloten en hem huur betaalt er niet aan in de weg dat zij met hem samenwoont als ware zij met hem gehuwd. Uit die omstandigheid kan immers evenzeer worden afgeleid dat de vrouw en [x] de kosten van de woning samen delen.

Nu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:160 BW is voldaan, is de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud van de vrouw geëindigd, en wel met ingang van 1 juli 2014, de datum waarop de vrouw volgens de huurovereenkomst op hetzelfde adres woont als [x] . Dat de vrouw al vóór 1 juli 2014 met [x] samenwoonde als waren zij gehuwd, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden. Derhalve ligt ter beoordeling aan het hof nog voor de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw over de periode van 16 april 2014 tot 1 juli 2014. De man heeft subsidiair betoogd dat de vrouw geen behoefte heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud, omdat zij inkomsten genereert uit haar optredens als zangeres. De man heeft deze stelling onderbouwd met onder meer een uitdraai van de website van het bedrijf dat de boekingen van de vrouw regelt, een foto van een optreden van de vrouw en een aantal aankondigingen van optredens van de vrouw. Uit de door hem overgelegde stukken blijkt verder dat zij heeft deelgenomen aan talentenjacht […] die door [tv zender] is uitgezonden en dat zij begin 2015 een muziekalbum heeft uitgebracht.

De vrouw heeft op haar beurt acht zogenoemde Pro deo verklaringen overgelegd over de periode van 3 september 2013 tot en met 16 juni 2014, waaruit blijkt dat zij, op één keer na, geen vergoeding voor haar optredens heeft gekregen. .

5.11.

Niet in geschil is dat de aanvullende behoefte van de vrouw € 251,- netto per maand bedraagt. Voorts staat vast dat de vrouw met regelmaat optreedt als zangeres. Weliswaar blijkt uit de door haar overgelegde verklaringen dat zij in ieder geval voor de betreffende acht optredens niet of nauwelijks een vergoeding heeft ontvangen, maar gezien de door de man overgelegde stukken en de ervaring die de vrouw inmiddels als zangeres heeft opgedaan, acht het hof niet aannemelijk dat de vrouw geen verdiencapaciteit heeft als zangeres. Het had op de weg van de vrouw gelegen om tegenover de gemotiveerde stelling van de man haar betwisting nader te onderbouwen. Mede gelet op de hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw, gaat het hof ervan uit dat de vrouw daarin zelf kan voorzien.

5.12.

Gelet op het voorgaande en nu de man niet heeft verzocht voor recht te verklaren dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw op grond van artikel 1:160 BW is geëindigd, zal het hof ermee volstaan het inleidend verzoek van de vrouw om een uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen, alsnog af te wijzen, ook voor de periode vanaf 1 juli 2014.

5.13.

Gelet op de uitkomst van de onderhavige procedure en het feit dat partijen voormalige echtgenoten zijn, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de man, zoals door de vrouw is verzocht.

6 Beoordeling van het verzoek (zaaknummer 200.157.295/ 02)

De man heeft geen belang meer bij toewijzing van dit verzoek, gelet op hetgeen het hof in de hoofdzaak heeft overwogen en beslist. Het hof zal dat verzoek dan ook afwijzen.

7 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.157.295/ 01

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de daarin bepaalde zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] , met bepaling dat de vrouw en [de minderjarige] telkens het eerste weekend van de maand omgang met elkaar hebben, voor het eerst in de eerstvolgende kalendermaand na de datum van deze beschikking;

vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de daarin bepaalde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het inleidend verzoek van de vrouw tot het bepalen van een uitkering tot haar levensonderhoud;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.157.295/ 02

wijst het schorsingsverzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. M. Wigleven en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.