Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3081

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
200.159.973-01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen gerechtsdeurwaarders. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders in strijd te hebben gehandeld met artikel 10 van de Verordening door gelijktijdig onder drie banken beslag te leggen, zonder dat zij een gerechtvaardigd vermoeden hadden dat hij, klager, bij die banken een rekening had. De kamer heeft het verzet van klager tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard, de door klager tegen de gerechtsdeurwaarders ingediende klacht gegrond verklaard voor zover die betrekking had op de gelegde bankbeslagen en aan de gerechtsdeurwaarders de maatregel opgelegd van betaling van een geldboete van € 2.500,-. Het hof vernietigt de bestreden beslissing waar het betreft de oplegging van de maatregel aan de gerechtsdeurwaarders, ziet af van het opleggen van een maatregel, en bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Wetsverwijzingen
Gerechtsdeurwaarderswet, geldigheid: 2015-07-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0163
JOR 2016/48 met annotatie van mr. E. Loesberg

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.159.973/01 GDW

nummer eerste aanleg : 373.2014

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 28 juli 2015

inzake

[klager] ,

wonend te [plaatsnaam] ,

appellant,

tegen

1. [gerechtsdeurwaarder 1] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam] ,

2. [gerechtsdeurwaarder 2] ,

waarnemend gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam] ,

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Veenendaal.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 21 november 2014 een beroepschrift – met bijlage – bij

het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 16 september 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:176), verzonden op
23 oktober 2014. Bij die beslissing heeft – naar het hof begrijpt – de kamer het verzet van klager tegen de beschikking van 6 mei 2014 van de voorzitter van de kamer gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard, de door klager tegen geïntimeerden (hierna: de gerechtsdeurwaarders) ingediende klacht gegrond verklaard voor zover die betrekking had op de gelegde bankbeslagen en aan de gerechtsdeurwaarders de maatregel opgelegd van betaling van een geldboete van € 2.500,-.

1.2.

De gerechtsdeurwaarders hebben op 17 december 2014 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 30 april 2015. Klager en de gerechtsdeurwaarders, vergezeld van hun gemachtigde en de klachtfunctionaris van hun kantoor, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op 27 april 2007 heeft de kantonrechter te Nijmegen een vonnis gewezen waarbij klager is veroordeeld tot voldoening van de vordering van [X] , vermeerderd met rente en kosten. Het vonnis is op 22 juni 2007 aan klager betekend.

3.2.2.

De gerechtsdeurwaarders zijn belast met de executie van dat vonnis.

3.2.3.

Een op 27 juni 2007 getroffen betalingsregeling is door klager, behoudens één betaling, niet nagekomen. In 2009 is ten laste van klager beslag gelegd onder de belastingdienst. Hieruit zijn in 2010 betalingen ontvangen. De vordering was hiermee niet geheel voldaan.

3.2.4.

In september 2011 zijn de gerechtsdeurwaarders en klager overeengekomen dat klager een betalingsvoorstel zou doen. De gerechtsdeurwaarders hebben nimmer een voorstel van klager ontvangen. In 2012 en 2013 hebben zij klager op het bij hen bekende adres verschillende malen schriftelijk bericht over de nog openstaande vordering. In augustus 2013 is de gerechtsdeurwaarders uit de Gemeentelijke Basisadministratie (verder: GBA) gebleken dat klager niet meer op dat adres woonachtig was.

3.2.5.

Vervolgens hebben de gerechtsdeurwaarders aan klager bij brief van 20 augustus 2013 (verzonden naar zijn nieuwe adres) verzocht om de vordering binnen drie dagen te voldoen, onder aanzegging van verdere executiemaatregelen bij niet-voldoening. Hierop heeft klager bij e-mail van 25 augustus 2013 gereageerd.

3.2.6.

Op 27 augustus 2013 is ten laste van klager beslag gelegd onder drie verschillende banken, te weten ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V. en SNS Bank N.V. (hierna ieder afzonderlijk te noemen: ABN, ING en SNS). Klager is hierover geïnformeerd bij brief van gelijke datum. Verder zijn de beslagen aan hem betekend bij exploot van 30 augustus 2013.

3.2.7.

Klager heeft zich vervolgens bij de gerechtsdeurwaarders bij een tweetal brieven beklaagd over de gang van zaken. De gerechtsdeurwaarders hebben in hun schriftelijke reacties daarop aan klager onder meer laten weten dat slechts de kosten van één bankbeslag in rekening zijn gebracht. Omdat de bankbeslagen reeds waren gelegd voordat de e-mail van klager van
25 augustus 2013 was beantwoord, zijn deze kosten later gecrediteerd. Verder is klager een overzicht van de opbouw van de vordering verstrekt. Klager en de gerechtsdeurwaarders hebben per e-mail nog gecorrespondeerd.

4 Het standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders in strijd te hebben gehandeld met – naar het hof

begrijpt – artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders (hierna: de Verordening) door gelijktijdig onder drie banken beslag te leggen, zonder dat zij een gerechtvaardigd vermoeden hadden dat hij, klager, bij die banken een rekening had. Door deze handelwijze zijn onnodige kosten gemaakt. Hoewel die kosten later zijn gecrediteerd, is klager wel de bankkosten ad € 105,- verschuldigd geworden aan zijn eigen bank.

5 Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 De beoordeling

Formeel

Algemeen

6.1.

De kamer heeft zich in haar beslissing beperkt tot hetgeen klager in zijn verzetschrift van
18 mei 2014 naar voren heeft gebracht en het verzet gedeeltelijk gegrond verklaard. Uitsluitend tegen de beslissing van de kamer met betrekking tot de klacht over de gelegde bankbeslagen staat hoger beroep open. Het klachtonderdeel dat ziet op de onnodig korte betalingstermijn van drie dagen kan in hoger beroep niet meer aan de orde komen. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook ten aanzien van het klachtonderdeel waar de kamer – gezien de inhoud van het verzetschrift – niet (meer) op is ingegaan (betreffende raadpleging GBA). Terecht heeft klager dan ook alleen bezwaren aangevoerd tegen de beslissing van de kamer over de bankbeslagen. In de weergave van de klacht in deze beslissing onder 4. is met het voorgaande reeds rekening gehouden.

Belang

6.2.

De gerechtsdeurwaarders hebben in hoger beroep primair aangevoerd dat klager geen belang (meer) heeft bij zijn ingestelde hoger beroep, aangezien de vordering waar de onderhavige klacht betrekking op heeft inmiddels via een betalingsregeling is voldaan. De gerechtsdeurwaarders hebben daarbij alle kosten van de bankbeslagen gecrediteerd. De gelegde bankbeslagen hebben bijgedragen aan inning van de vordering, maar hebben zelf de gerechtsdeurwaarders geen omzet opgeleverd.

6.3.

Het hof is, anders dan de gerechtsdeurwaarders, van oordeel dat klager belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep, dat enkel ziet op de hoogte van de door de kamer aan de gerechtsdeurwaarders opgelegde maatregel. Het feit dat de vordering inmiddels is voldaan, staat daar los van.

Inhoudelijk

6.4.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de gerechtsdeurwaarders hebben mogen overgaan tot het (gelijktijdig) leggen van beslag onder verschillende banken ten laste van klager zonder dat zij een gerechtvaardigd vermoeden hadden dat klager bij die banken een rekening aanhield. Onderdeel van deze kwestie is de vraag of het gerechtvaardigd is om ter inning van één vordering meerdere (bank)beslagen te leggen, welke vraag ook aan de orde was in de uitspraak van dit hof van 9 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3735.

6.5.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een dergelijke handelwijze tuchtrechtelijk niet is toegestaan. Dit oordeel berust op het navolgende. Een gerechtsdeurwaarder zal in beginsel alleen beslag mogen leggen als hij het redelijke vermoeden heeft dat het beslag doel zal treffen. Anders worden immers, in strijd met artikel 10 van de Verordening, onnodige kosten gemaakt. Ook is niet bij iedere willekeurige debiteur het vermoeden gerechtvaardigd dat deze bij enige bank over een voor beslaglegging vatbaar tegoed beschikt. Voorts worden banken, wanneer bankbeslag wordt gelegd zonder een redelijk vermoeden van rekeninghouderschap, ten onrechte met werkzaamheden belast. Bovendien kunnen die banken dan kennis nemen van informatie die hun niet aangaat betreffende de niet nagekomen verbintenis waarvoor de debiteur tot betaling is veroordeeld. Het is niet ondenkbaar dat die informatie wordt verzameld en nadien in het nadeel van de debiteur wordt gebruikt. Ten slotte kan het leggen van meer bankbeslagen ertoe leiden dat een debiteur die rekeningen aanhoudt bij meer dan een bank naast de explootkosten ook nog wordt geconfronteerd met de kosten die elke bank in rekening brengt.

6.6.

Bijzondere omstandigheden kunnen in een concreet geval met zich brengen dat het leggen van een of meer bankbeslagen zonder dat een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat de debiteur bij die banken een rekening aanhoudt, niettemin toelaatbaar is, als wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit sluit ook aan bij de civiele rechtspraak, waarin voorzieningenrechters onder omstandigheden ook verlof verlenen om conservatoir beslag te leggen onder verschillende banken zonder dat een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat een debiteur daar een rekening aanhoudt (Beslagsyllabus augustus 2014, pagina 29 onder NB 5).

6.7.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de gerechtsdeurwaarders eerst gepoogd hebben de vordering bij klager te innen door middel van betalingsregelingen en een beslag onder de belastingdienst. Voorts hebben zij klager verschillende malen aangeschreven, doch tevergeefs. Informatie over zijn (financiële) situatie heeft klager niet aan de gerechtsdeurwaarders verstrekt, althans dat is het hof niet gebleken. Klager is verhuisd zonder de gerechtsdeurwaarders van zijn nieuwe adres op de hoogte te stellen. Nadat de gerechtsdeurwaarders eind 2012, begin 2013 uit informatie van het UWV hadden vernomen dat klager geen bronnen van inkomsten had, althans dat zijn inkomsten beneden de beslagvrije voet bleven, en klager ook geen gehoor had gegeven aan het in de brief van 20 augustus 2013 gedane verzoek om alsnog binnen een bepaalde termijn tot voldoening van de restantvordering over te gaan, hebben zij beslag gelegd onder ABN, ING en SNS.

6.8.

Het hof heeft geconstateerd dat de gerechtsdeurwaarders vanaf april 2007 tot en met augustus 2013 geen pogingen hebben gedaan beslag te leggen op roerende zaken van klager. Het leggen van een dergelijk beslag had echter naar het oordeel van het hof in dit geval de voorkeur boven het (gelijktijdig) leggen van beslag onder verschillende banken. Het hof overweegt daartoe allereerst dat het, gezien het feit dat de inkomsten van klager beneden de beslagvrije voet bleven, twijfelachtig was of voldoende saldo zou worden aangetroffen om te beslaan. Verder brengt het leggen van beslag onder roerende zaken voor een debiteur minder kosten met zich dan beslaglegging onder verschillende banken. Daarbij komt dat bij het leggen van een beslag op roerende zaken persoonlijk contact plaatsvindt tussen een debiteur en de gerechtsdeurwaarder, waarbij eventuele misverstanden kunnen worden opgehelderd (in dit geval: de nog niet beantwoorde e-mail van 25 augustus 2013) en wellicht een nieuwe betalingsregeling kan worden getroffen.

6.9.

Het vorenstaande in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan de eis van subsidiariteit. Dit betekent dat de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken van het leggen van meer bankbeslagen ten laste van klager en dat de klacht ten aanzien van de drie gelegde bankbeslagen gegrond is.

6.10.

Het hof ziet echter, anders dan de kamer, gelet het zeer langdurige incassotraject en het feit dat klager zich in die jaren meermalen aan betaling heeft onttrokken, geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarders ter zake een maatregel op te leggen.

6.11.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.12.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing waar het betreft de oplegging van de maatregel aan de gerechtsdeurwaarders tot betaling van een geldboete van € 2.500,-;

en, opnieuw beslissende:

- ziet af van het opleggen van een maatregel aan de gerechtsdeurwaarders;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.D.R.M. Boumans en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015 door de rolraadsheer.