Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3071

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
200.155.306-01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort geding. Loonvordering werknemer die zich na arbeidsconflict ziek heeft gemeld. Gegrondheid ziekmelding. Deskundigenonderzoek UWV, waarbij werknemer mede als gevolg van ziekte ongeschikt voor maatgevende arbeid is geoordeeld. Nakoming re-integratieverplichtingen. Geen bevoegdheid werkgever tot opschorting loonbetaling tot aan in arrest genoemde datum. Tussenbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1609
AR-Updates.nl 2015-0848
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.155.306/01

zaaknummer rechtbank (Noord-Holland) : 3099158 / VV EXPL 14-57

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2015

inzake

DETAMO FLEX FORCE B.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

appellante,

advocaat: mr. J.F.M. Verheij te Amsterdam,

tegen

[naam X] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Munk te Wezep.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Detamo en [X] genoemd.

Detamo is bij dagvaarding van 26 augustus 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaandam, hierna ‘de kantonrechter’, van 3 juli 2014, in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als gedaagde en [X] als eiser.

Vervolgens heeft Detamo een memorie van grieven ingediend, met producties. [X] , ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen memorie van antwoord ingediend. Tegen hem is op de voet van het bepaalde in artikel 133, vierde lid, Rv in verbinding met artikel 353, eerste lid, Rv verval verleend van het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Een verzoek om van die beslissing terug te komen is bij rolbeslissing van 1 december 2014 afgewezen.

Voor het indienen van de memorie van antwoord gold een kortere termijn dan volgend uit het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, wegens de toepasselijkheid van een aangepast procesreglement – het zogeheten pilotreglement gerechtshof Amsterdam – dat voorzag in indiening van die memorie binnen één termijn van vier weken, die in beginsel niet werd verlengd. De rolraadsheer heeft aan deze afwijkende termijn de hand gehouden.

Uit de arresten die de Hoge Raad op 17 april 2015 heeft uitgesproken onder nummers ECLI:NL:HR:2015:1064 (NJ 2015/210) en ECLI:NL:HR:2015:1075 volgt dat het verzuim van [X] om binnen de in het pilotreglement bepaalde termijn van antwoord te dienen, niet had moeten leiden tot vervallenverklaring van het recht om dat te doen, maar dat hem een nadere termijn had moeten worden verleend. Het hof ziet hierin aanleiding om terug te komen van de eerder genoemde rolbeslissingen en om [X] alsnog gelegenheid te geven om het genoemde verzuim te herstellen. Hem zal voor dit doel een termijn worden verleend zoals hierna onder 4 te bepalen.

Het belang van partijen bij de gevorderde onmiddellijke voorziening bij voorraad waarover in dit geding moet worden beslist, welk belang meebrengt dat onredelijke vertraging van die beslissing – ook – in hoger beroep zoveel mogelijk moet worden voorkomen, brengt echter mee dat het oordeel over die voorziening niet in zijn geheel zal worden aangehouden tot na het verstrijken van de hierboven bedoelde nadere termijn. Hierna zal daarom over de gevorderde voorziening – binnen het door de grieven ontsloten gebied – worden geoordeeld en beslist voor zover dit mogelijk is zonder dat [X] wordt geschaad als gevolg van de rolbeslissingen waarvan hierbij wordt teruggekomen en, daarmee, als gevolg van het feit dat hij in dit hoger beroep niet van antwoord heeft gediend. Voor het overige zal de beoordeling van het hoger beroep worden aangehouden.

Detamo heeft in de memorie van grieven geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [X] alsnog geheel zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. Zij heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

Ten slotte heeft Detamo arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje ‘De feiten’, 1 tot en met 10, de feiten genoemd die hij tot uitgangspunt heeft genomen.

Detamo klaagt erover – in de memorie van grieven onder 7 tot en met 15 – dat die feiten aanvulling, althans nuancering, behoeven. De hiertoe strekkende klachten miskennen dat een rechterlijk vonnis geen naar volledigheid strevende opgave behoeft te bevatten van al hetgeen tussen partijen in enig opzicht is voorgevallen, maar alleen de feiten waarop de beslissing rust. In de bepaling daarvan is de rechter in beginsel vrij.

Over de juistheid van de door de kantonrechter genoemde feiten bestaat – mede gelet op de gedingstukken in eerste aanleg – geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Voor zover Detamo haar grieven mede op andere feiten doet steunen, zal het hof dit bij de beoordeling van het hoger beroep, voor zover daarvoor van belang en met inachtneming van de hierboven onder 1 aangegeven grens, in zijn overwegingen betrekken.

3 Beoordeling

3.1.

[X] is op 5 mei 2008 in dienst getreden van een rechtsvoorgangster van Detamo in de functie van monteur. Hij is sindsdien onafgebroken in loondienst geweest van rechtsvoorgangsters van Detamo en, aansluitend, van Detamo, hierna alle begrepen onder ‘Detamo’. Detamo heeft [X] op enig moment uitgeleend aan Aannemingsbedrijf A. Schuuring B.V. In de onderneming van laatstgenoemde heeft hij werkzaamheden verricht aan het vaste telefoonnetwerk van KPN B.V. In dit verband heeft hij op 21 november 2013 werkzaamheden uitgevoerd in Lelystad. Naar aanleiding daarvan heeft Detamo [X] beticht, kort gezegd, van mogelijke betrokkenheid bij het opzettelijk toebrengen van schade aan een kabelverdeler van KPN B.V. ter plaatse en, in samenhang hiermee, van ernstig plichtsverzuim. Bij brief van 3 december 2013 heeft zij hem op staande voet ontslagen. [X] heeft bij brief van 13 december 2013 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zijn arbeid aangeboden.

3.2.

Detamo heeft bij brief van 14 januari 2014 aan [X] laten weten het ontslag op staande voet in te trekken. Deze heeft zich daarop met terugwerkende kracht tot 25 november 2013 ziek gemeld. Bij brief van 20 maart 2014 heeft Detamo aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna ‘UWV’, toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen op te zeggen wegens, kort gezegd, verwijtbaar plichtsverzuim door [X] bestaande in het niet verrichten van de bedongen arbeid, althans wegens verwijtbaar niet meewerken door [X] aan maatregelen erop gericht om hem passende arbeid te doen verrichten. Bij beslissing van 5 juni 2014 heeft het UWV de gevraagde toestemming geweigerd. Sinds het hem gegeven ontslag op staande voet heeft [X] geen werkzaamheden voor Detamo meer verricht, ook niet nadat dat ontslag was ingetrokken en hij tot werkhervatting was opgeroepen. Op haar beurt heeft Detamo de betaling van het overeengekomen loon stopgezet, volgens [X] vanaf 27 januari 2014 en volgens Detamo vanaf 14 februari 2014.

3.3.

Naar aanleiding van zijn ziekmelding is [X] op 22 januari 2014 en op 3 februari 2014 gezien door een bedrijfsarts, die Detamo hiertoe had ingeschakeld. De bedrijfsarts heeft een arbeidsconflict aanwezig geacht, beperkingen voor werkhervatting een gevolg van dat conflict geoordeeld en aangenomen dat [X] niet als gevolg van ziekte verhinderd was de bedongen arbeid te verrichten. [X] is zich op het standpunt blijven stellen wegens ziekte arbeidsongeschikt te zijn. Op zijn verzoek heeft op 1 mei 2014 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden door een deskundige benoemd door het UWV. Deze verzekeringsarts heeft geoordeeld dat [X] per 1 februari 2014 ongeschikt was ‘voor de maatgevende arbeid mede als gevolg van ziekte en/[of] gebrek.’ De deskundigenverklaring vermeldt in dit verband, onder andere, dat bij [X] sprake was van een aandoening waarvan de behandeling op 1 februari 2014 nog niet was afgerond en dat ‘het langer bestaan van de klachten en beloop van de aandoening een langer bestaand patroon [suggereert], waardoor de ontstane dysbalans in het functioneren plausibel is mede als gevolg van ziekte en een relatie met alleen het arbeidsconflict onwaarschijnlijk maakt.’ De verzekeringsarts concludeert dat het bestaande arbeidsconflict niets eraan afdoet dat per 1 februari 2014 ook sprake was van ziekte en/of gebrek en dat [X] per die datum ‘niet geschikt te achten [is] voor het eigen werk.’

3.4.

Bij de beoordeling van het onder 3.2 bedoelde verzoek van Detamo heeft het UWV over de gevraagde ontslagvergunning advies gevraagd aan een arbeidsdeskundige verbonden aan de divisie Sociaal Medische Zaken van het UWV. Het desbetreffende advies is gedateerd 14 mei 2014 en verwijst onder andere naar de hierboven aangehaalde deskundigenverklaring. Het verbindt daaraan niet alleen de gevolgtrekking dat [X] niet geschikt is voor het eigen werk, maar ook dat zijnerzijds geen sprake is van verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie, dat sprake is van zowel ziekte als een arbeidsconflict en dat ‘op termijn herstel voor zijn werk mogelijk [is].’ In de beslissing waarbij het de gevraagde toestemming voor ontslag heeft geweigerd, heeft het UWV het advies van de arbeidsdeskundige als ‘zwaarwegend’ aangemerkt en overwogen dat niet gebleken was van ‘feiten of omstandigheden die afwijking van dit advies zouden doen rechtvaardigen.’ Later, bij e-mail van 19 augustus 2014, nadat Detamo aan het UWV de vraag had gesteld ten aanzien van welke datum de deskundigenverklaring gold waarbij [X] arbeidsongeschikt was bevonden, is namens het UWV meegedeeld dat die verklaring ‘een uitspraak [betreft] die geldt voor de datum in geschil 1 februari 2014’, aangezien de bedrijfsarts van Detamo [X] op die datum niet arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte had geoordeeld en die datum als geschildatum aan het UWV was opgegeven.

3.5.

In een eerder kort geding tussen partijen heeft [X] de veroordeling van Detamo gevorderd tot doorbetaling van loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, met toekenning aan hem van een voorschot daarop van € 5.360,- bruto tot 21 april 2014. Bij vonnis van 1 mei 2014 is die vordering afgewezen omdat, kort gezegd, niet aannemelijk was geworden dat [X] arbeidsongeschikt was als gevolg van ziekte en het wettelijke recht op behoud van loon bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte dus niet op hem van toepassing was. Tegen het genoemde vonnis is geen hoger beroep ingesteld. In het huidige kort geding heeft [X] opnieuw vorderingen ingesteld strekkend tot de veroordeling van Detamo tot doorbetaling van loon, met toekenning van een voorschot zoals zojuist vermeld, alles bij wijze van voorlopige voorziening. Bij het bestreden vonnis van 3 juli 2014 – in het tweede kort geding – zijn de vorderingen toegewezen in zoverre, dat Detamo daarbij bij wijze van voorlopige voorziening is veroordeeld ‘tot betaling van het loon vanaf 27 januari 2014 ad € 1.546,15 bruto per vier weken tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn’, met veroordeling van Detamo in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daartoe leidende overwegingen komt Detamo in hoger beroep op met vijf grieven.

3.6.

Bij de beoordeling van de grieven, voor zover hierna aan de orde, wordt uitgegaan van de onder 3.1 tot en met 3.4 weergegeven feiten. Uitgangspunt is verder de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure over de kwestie die partijen verdeeld houdt, naar welke uitkomst het hof zich moet richten, zonder dat daarbij ruimte bestaat voor nader onderzoek met betrekking tot de feiten en omstandigheden die in het huidige geding naar voren zijn gebracht. Ten slotte moet ervan worden uitgegaan dat het vonnis van 1 mei 2014 in het eerdere kort geding tussen partijen, in het huidige geding geen bindende kracht heeft, dat [X] naar uit de aard van de gevorderde voorzieningen volgt ook in hoger beroep een voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem ingestelde vorderingen en dat het hem vrijstaat die vorderingen, ook al waren zij reeds onderwerp van het eerdere kort geding, in het huidige geding opnieuw in te stellen. Na het vonnis van 1 mei 2014 zijn nieuwe feiten opgekomen, in het bijzonder de onder 3.2 genoemde beslissing van het UWV en de onder 3.3 aangehaalde deskundigenverklaring, die mede gelet op hetgeen namens [X] bij de pleidooien in eerste aanleg is aangevoerd, mee aan de vorderingen ten grondslag liggen en die meebrengen dat het opnieuw instellen van die vorderingen niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde en evenmin misbruik van procesrecht oplevert. De stelling van Detamo dat [X] niet bereid is geweest met haar een gesprek aan te gaan, leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande brengt tegelijk mee dat grief 1, voor zover Detamo daarmee betoogt dat het [X] niet mag worden toegestaan thans hetzelfde te vorderen als in het eerdere kort geding, tevergeefs is voorgesteld.

3.7.

Uit de onder 3.3 aangehaalde deskundigenverklaring, die een verklaring inhoudt zoals bedoeld in artikel 7:629a BW, blijkt onomstotelijk dat [X] op 1 februari 2014 als gevolg van ziekte verhinderd was de bedongen arbeid te verrichten, dat aan zijn zijde sprake was van een aandoening waarvan de behandeling op die datum nog niet was voltooid en dat in verband met de betrokken aandoening omstandigheden aanwezig waren die wezen op ‘een langer bestaand patroon’. Volgens het onder 3.4 genoemde advies van de arbeidsdeskundige verbonden aan de divisie Sociaal Medische Zaken van het UWV heeft die arbeidsdeskundige op 12 mei 2014, twee weken na het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek, gesproken met de verzekeringsarts die dat onderzoek heeft uitgevoerd en heeft deze toen verklaard: ‘Er is sprake van ziekte en een arbeidsconflict. Gezien de aard van de problematiek is op termijn herstel voor zijn werk mogelijk.’ De arbeidsdeskundige heeft deze conclusie overgenomen. De uitlating dat ‘op termijn herstel (…) mogelijk’ werd geacht, wijst erop dat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige [X] in ieder geval op 12 mei 2014 niet als hersteld beschouwden. Detamo heeft geen nadere deskundigenverklaring zoals bedoeld in artikel 7:629a BW in het geding gebracht en evenmin gesteld dat na het verzekeringsgeneeskundige onderzoek van 1 mei 2014, op een later tijdstip een nieuw onderzoek door een verzekeringsarts benoemd door het UWV heeft plaatsgevonden, laat staan een verzekeringsgeneeskundig onderzoek waaruit naar voren is gekomen dat [X] inmiddels niet meer arbeidsongeschikt is.

3.8.

Evenmin heeft Detamo andere feiten aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat [X] niet langer als gevolg van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten. Dit laatste volgt niet uit de onder 3.4 aangehaalde e-mail van 19 augustus 2014 van het UWV, waarop Detamo zich beroept, aangezien die e-mail uitsluitend bevestigt dat de deskundigenverklaring naar aanleiding van het op 1 mei 2014 uitgevoerde onderzoek betrekking heeft op de toestand van [X] op 1 februari 2014, zoals de verklaring zelf al vermeldt, en die e-mail niets zegt over een mogelijk herstel van [X] later. Ook de herhaalde verwijzingen naar de bevindingen van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts, volgens welke [X] niet arbeidsongeschikt is, kunnen Detamo niet baten. Die bevindingen hebben betrekking op de periode voor 1 mei 2014 en zijn bovendien achterhaald door het andersluidende oordeel van de verzekeringsarts benoemd door het UWV, welk oordeel de rechter bij de beoordeling van vorderingen zoals in dit geding aan de orde, in beginsel tot uitgangspunt strekt. Het voorgaande brengt mee dat het voorshands ervoor moet worden gehouden dat [X] nog steeds arbeidsongeschikt is als gevolg van ziekte. Voor zover Detamo met grief 2 het tegendeel betoogt, faalt de grief.

3.9.

In zijn onder 3.4 genoemde advies heeft de arbeidsdeskundige van het UWV gemotiveerd aangegeven dat er naar zijn mening geen sprake is van verwijtbaar niet meewerken door [X] aan re-integratie. De arbeidsdeskundige heeft juist Detamo verweten dat haar afwijzing van mediation, die de door haar ingeschakelde bedrijfsarts op 20 maart 2014 had voorgesteld en waarom ook [X] had verzocht, als middel om de stagnerende re-integratie vlot te trekken, niet viel te billijken. Zoals onder 3.3 vermeld is [X] op 22 januari 2014 en op 3 februari 2014 verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. Hij heeft geen gevolg gegeven aan oproepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 7 en 21 maart 2014. Hiervoor heeft hij als verklaringen gegeven dat hij op 7 maart 2014 een afspraak had met een cardioloog in verband met hartklachten en op 21 maart 2014 een afspraak met zijn huisarts, welke afspraken hem beletten te verschijnen bij de bedrijfsarts op de tijdstippen waartegen deze hem had opgeroepen. De omstandigheid dat [X] aanvankelijk wel is verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts, de gegeven verklaringen voor zijn latere niet verschijnen, die in dit geding niet onjuist of ongeloofwaardig zijn gebleken, en het hierboven genoemde advies van de arbeidsdeskundige van het UWV, in onderlinge samenhang beschouwd, wettigen de gevolgtrekking dat er geen grond is om aan te nemen dat Detamo na de ziekmelding door [X] , op de voet van het bepaalde in artikel 7:629, derde lid, BW bevoegd was de betaling van diens loon op te schorten. De stelling van Detamo dat [X] heeft nagelaten met haar een gesprek aan te gaan, maakt dat niet anders, in aanmerking genomen dat de arbeidsdeskundige nog op 12 mei 2014 heeft geadviseerd dat geen sprake was van verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie door [X] en Detamo voorts niet afdoende heeft toegelicht waartoe het bedoelde gesprek onder de gegeven omstandigheden had moeten leiden.

3.10.

Detamo heeft in hoger beroep gesteld dat [X] was opgeroepen op 22 juni 2014 opnieuw te verschijnen bij de door haar ingeschakelde bedrijfsarts en dat hij dit
– andermaal – niet heeft gedaan, zonder opgaaf van redenen. Als gevolg van de onder 1 genoemde rolbeslissingen en het daarbij uitgesproken verval van het recht om van antwoord te dienen, heeft [X] zich over die stelling nog niet uitgelaten. Hij zal dit, bij de memorie van antwoord waarvoor hem een nadere termijn zal worden verleend, alsnog kunnen doen. Uit het hierboven overwogene volgt evenwel dat, ook indien de genoemde stelling juist is, Detamo daaraan geen bevoegdheid tot opschorting van de loonbetaling kan ontlenen vóór 22 juni 2014. De gevorderde voorziening tot doorbetaling van loon is daarom in ieder geval tot die datum toewijsbaar. Aangenomen moet worden dat het beroep van Detamo op het bestaan van een bevoegdheid harerzijds tot opschorting van de loonbetaling, waarover zij [X] bij e-mail van 14 februari 2014 en bij brief van 13 maart 2014 had ingelicht, ook betrekking heeft op het beweerde wegblijven bij de bedrijfsarts op 22 juni 2014 en de periode vanaf deze datum. Nu [X] zich nog niet heeft uitgelaten over de desbetreffende stelling van Detamo en die stelling, indien gegrond, gelet op het bepaalde in artikel 7:629, derde lid aanhef en onder d en e, BW de gestelde opschortingsbevoegdheid zou kunnen dragen vanaf laatstgenoemde datum, is de gevorderde voorziening vooralsnog niet toewijsbaar tot een latere datum dan 22 juni 2014. Het ligt op de weg van [X] om zich bij de memorie van antwoord uit te laten over het beweerde wegblijven bij de bedrijfsarts op laatstgenoemde datum en, als hij toen geen gevolg heeft gegeven aan een oproep om bij deze te verschijnen, hiervoor een verklaring te geven. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1, 2 en 3 falen voor zover zij willen betogen dat Detamo vanaf een eerdere datum dan 22 juni 2014 bevoegd is de betaling van het loon van [X] op te schorten. Voor de periode daarna zal het oordeel over die grieven en, daarmee, over de gevorderde voorziening worden aangehouden.

3.11.

Bij de pleidooien in eerste aanleg heeft Detamo aangevoerd dat het loon van [X] , anders dan door deze in de inleidende dagvaarding gesteld, € 1.546,15 bruto per vier weken bedraagt. Naar blijkt uit het van de pleidooien opgemaakte proces-verbaal is vervolgens namens [X] de juistheid van dat bedrag erkend. In hoger beroep voert Detamo aan dat bij de beoordeling van de vorderingen van [X] moet worden uitgegaan van een lager verschuldigd loon, namelijk € 1.391,53 bruto per vier weken, te weten 90% van € 1.546,15. Het rechtsmiddel van hoger beroep strekt mede ertoe om aan partijen de gelegenheid te geven onjuistheden bij de behandeling in eerste aanleg te herstellen. Nu Detamo in eerste aanleg heeft aangevoerd dat het loon van [X] € 1.546,15 bruto per vier weken bedraagt en het thans door haar genoemde bedrag zich daarmee niet laat rijmen, mocht van haar worden verwacht dat zij had toegelicht dat het in eerste aanleg opgegeven loon een onjuistheid betrof, die zij in hoger beroep wenst te herstellen. Hierbij had zij tevens moeten aangeven op welke grond of gronden het eerder genoemde bedrag moet worden gewijzigd. Een zodanige toelichting ontbreekt. Weliswaar stelt Detamo thans dat het juiste loon van [X] in geval van ziekte € 1.391,53 bruto per vier weken bedraagt en verwijst zij in dit verband naar een door haar overgelegde bepaling in de collectieve arbeidsovereenkomst voor uitzendkrachten, maar zij heeft niet toegelicht dat zij aan die bepaling bij het door haar in eerste aanleg opgegeven loon is voorbijgegaan en evenmin dat de desbetreffende bepaling op de arbeidsovereenkomst tussen partijen van toepassing is. Dit laatste blijkt niet uit de in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst en kan, zonder toelichting en nu [X] het door Detamo in eerste aanleg genoemde bedrag als juist heeft erkend, niet voetstoots worden aangenomen. Uit het voorgaande volgt dat grief 5, waarmee Detamo betoogt dat moet worden uitgegaan van het hierboven genoemde lagere loon, faalt.

3.12.

De slotsom uit het bovenstaande is dat tot daarover bij het in deze zaak te wijzen eindarrest definitief zal zijn beslist, de gevorderde voorziening moet worden verleend tot en met 22 juni 2014 en dat de loonvordering van [X] dus – in ieder geval – in zoverre toewijsbaar is. Hierna zal worden bepaald dat het dictum van het bestreden vonnis in deze zin moet worden gelezen. Aan [X] zal een nadere termijn worden verleend voor het indienen van een memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing – ook over grief 4, waarmee Detamo opkomt tegen haar veroordeling in de kosten van het geding in eerste aanleg – zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat tot in deze zaak een eindarrest zal zijn uitgesproken, in het dictum van het vonnis waarvan beroep – onder het kopje ‘De beslissing’, eerste liggend streepje – in plaats van de zinsnede ‘tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn’, moet worden gelezen: ‘tot en met 22 juni 2014’;

verleent [X] een nadere termijn voor het indienen van een memorie van antwoord en verwijst de zaak voor dit doel naar de rolzitting van 18 augustus 2015;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, H.T. van der Meer en W.H.F.M. Cortenraad en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.