Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3070

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
03-11-2015
Zaaknummer
200.154.777-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; schade door funderingsherstel; Werkzaamheden aan fundering van woning, die deel uitmaakt van een bouwkundige eenheid met een naastgelegen woning (twee-onder-een-kap). Eiser, de buurman, spreekt de aannemer aan uit onrechtmatige daad, stellende dat deze door de gekozen aanpak van de werkzaamheden schade heeft toegebracht aan zijn woning/fundering. Eiser stelt zich op het standpunt dat de rechtbank haar (eind)oordeel ten onrechte heeft gebaseerd op het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.154.777/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/193938 / HA ZA 12-322

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2015

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem,

tegen:

1 de vennootschap onder firma

[X] EN ZONEN V.O.F. HEI- EN FUNDATIEWERKEN,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3] ,

wonend te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.A. Visser te Hendrik-Ido-Ambacht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna (ieder in mannelijk enkelvoud) [appellant sub 1] en [X] genoemd.

[appellant sub 1] is bij dagvaarding van 22 augustus 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2014, onder bovengenoemd zaak-/ rolnummer gewezen tussen [appellant sub 1] als eiser en [X] als gedaagde.

Vervolgens heeft [appellant sub 1] een memorie van grieven ingediend.

Bij rolbeslissing is het uitstelverzoek van [X] met betrekking tot het nemen van de memorie van antwoord afgewezen.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 juni 2015 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant sub 1] heeft geconcludeerd dat het hof vonnissen van 13 maart 2013 en 16 juli 2014 (hierna: het tussenvonnis, respectievelijk het eindvonnis) zal vernietigen en – gelet op de appeldagvaarding: uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zal bepalen dat hem een billijke schadevergoeding toekomt voor de schade aan na te melden onroerende zaak, waaronder schade aan de fundering, welke schade kan worden begroot op € 64.000,=, althans, in verband met aftrek van nieuw voor oud, op 50% van dat bedrag, althans op een in redelijkheid te bepalen bedrag, met beslissing over de proceskosten, met inbegrip van de drie deskundigenberichten.

[X] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover [appellant sub 1] in grief 4 erover klaagt dat de rechtbank in dit vonnis niet alle relevante feiten heeft vermeld doet dit aan de juistheid van de daar wel vastgestelde feiten niet af. Dit neemt niet weg dat het hof bij de beoordeling van het geschil aandacht zal besteden aan hetgeen [appellant sub 1] in hoger beroep heeft aangevoerd, voor zover dat voor de beoordeling van belang is. Omdat de door de rechtbank vastgestelde feiten (op zichzelf) niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan. Het gaat daarbij, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

2.2.

[appellant sub 1] is eigenaar van de woning aan de [ adres 1] . Deze vormt een bouwkundige eenheid met de woning aan de [adres 2] aldaar (twee-onder-een-kap), welke laatstgenoemde woning in eigendom toebehoort aan (in mannelijk enkelvoud:) [A] . [A] heeft [X] opdracht gegeven tot het verrichten van funderingsherstel aan zijn woning. [appellant sub 1] heeft ten behoeve van zijn woning een dergelijke opdracht niet gegeven.

2.3.

Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden heeft KakesWaal B.V., in opdracht van [A] , op 8 september 2010 een bouwkundige vooropname verricht met betrekking tot de woning van [appellant sub 1] en daarover een dag later gerapporteerd. In het rapport is opgenomen dat hier en daar, zowel aan de buitengevel als aan de binnenmuren, (haar)scheurvorming is geconstateerd. In de week van 13 september 2010 tot en met 17 september 2010 hebben (als onderdeel van de door [X] te verrichten werkzaamheden) heiwerkzaamheden plaatsgevonden, in eerste instantie met een zogenoemd hoogfrequent heisysteem en bij de laatste drie palen ter plaatse van de buitenzijmuur met een inwendig valblok. [A] wilde niet dat in zijn woning inpandig werd geheid. [appellant sub 1] heeft [X] tijdens de werkzaamheden herhaaldelijk (onder meer schriftelijk) op de hoogte gesteld van zijn zorgen over schade aan zijn woning die hij na heiwerkzaamheden waarnam.

2.4.

Naar aanleiding van een mondelinge aansprakelijkstelling door [appellant sub 1] heeft [X] in oktober 2010 expertisebureau VanderWal & Joosten B.V. ingeschakeld. Het rapport van dit bureau is uitgebracht op 12 oktober 2010, gevolgd door een aanvullend rapport op 7 december 2010.

2.5.

[appellant sub 1] heeft EBCM Nederland B.V. opdracht gegeven tot het verrichten van onderzoek naar de schade aan zijn woning. EBMC heeft een rapport uitgebracht op 10 april 2011. Op 4 juni 2012 heeft zij in opdracht van [appellant sub 1] een heropname verricht en op 7 juni 2012 gerapporteerd.

2.6.

Bij brief van 27 september 2011 heeft [appellant sub 1] [X] aansprakelijk gesteld voor de schade aan zijn woning en gesommeerd tot betaling van schadevergoeding ter grootte van € 77.201,=.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant sub 1] heeft in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [X] door de gekozen aanpak onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat [X] wordt veroordeeld tot betaling van € 64.001,50, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

3.2.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder meer overwogen dat [X] aansprakelijk is voor schade aan de woning van [appellant sub 1] die niet zou zijn ontstaan, indien [X] voor een minder ingrijpende methode zou hebben gekozen. In het eindvonnis heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de inhoud van het schriftelijke bericht van de door haar in deze zaak benoemde deskundige, ir. P. den Nijs (hierna: de deskundige), de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en [X] veroordeeld om [appellant sub 1] een bedrag van € 4.700,= te betalen, bestaande uit € 1.700,= als vergoeding voor de door [appellant sub 1] geleden directe schade (niet zijnde de kosten gemoeid met herstel van de fundering onder zijn woning) en € 3.000,= voor kosten verbonden aan de rapportage van EBMC, te vermeerderen met de wettelijke rente. [appellant sub 1] is belast met de door hem voorgeschoten kosten van het deskundigenbericht, welke zijn vastgesteld op € 8.543,81. De proceskosten zijn (voor het overige) gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant sub 1] met zijn grieven op.

3.4.

De grieven 1 en 4 tot en met 8 zijn in essentie gericht de afwijzing van de vordering tot betaling van schadevergoeding, voor zover deze het toegewezen bedrag van € 1.700,= te boven gaat. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.

[appellant sub 1] heeft aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag gelegd dat [X] door de gekozen aanpak van de funderingswerkzaamheden aan de woning van [A] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat [X] de ten gevolge daarvan aan zijn – [appellant sub 1] – woning toegebrachte schade moet vergoeden, waaronder de kosten van het herstel van de fundering onder zijn woning. [appellant sub 1] heeft ter onderbouwing van zijn vordering onder meer gewezen op de in zijn opdracht opgestelde rapporten van EBMC. [X] heeft het bestaan van causaal verband tussen de werkzaamheden en de gestelde schade betwist en daarbij betoogd dat de gestelde schade aan de woning van [appellant sub 1] in ieder geval zou zijn opgetreden, omdat ook de fundering van die woning niet voldoet. [X] heeft voorts de omvang van de gestelde schade betwist. Hij heeft ter onderbouwing van zijn weren onder meer gewezen op 89 gebreken, gedocumenteerd met 131 foto’s, die KakesWaal bij de vooropname van de woning van [appellant sub 1] heeft geconstateerd en op de twee (in opdracht van zijn verzekeraar) opgemaakte rapporten van VanderWal& Joosten.

3.6.

Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv diende [appellant sub 1] zijn – gemotiveerd betwiste – stellingen te bewijzen. Het verweer van [X] valt, anders dan [appellant sub 1] kennelijk meent, niet aan te merken als een bevrijdend verweer.

3.7.

De rechtbank heeft de door haar benoemde deskundige de vraag voorgelegd of de werkzaamheden die [X] heeft verricht in het kader van het funderingsherstel aan de woning van [A] schade heeft veroorzaakt aan de woning van [appellant sub 1] die niet zou zijn ontstaan indien voor een minder ingrijpende methode van funderingsherstel zou zijn gekozen en of nog verdere schade aan de woning van [appellant sub 1] is te verwachten die is te wijten aan de manier waarop het funderingsherstel is verricht. Daarbij heeft de rechtbank de deskundige verzocht de desbetreffende kosten van herstel te specificeren respectievelijk in te schatten. Ook heeft de rechtbank de deskundige gevraagd in hoeverre bij de specificatie van de kosten van herstel een nieuw-voor-oud voordeel aan de orde is, bezien in het licht van de vooropname, en ten slotte of de deskundige overige opmerkingen heeft die voor de beoordeling van het geschil van belang zouden kunnen zijn.

3.8.

Uit het rapport van de deskundige kan worden afgeleid dat hij zijn bericht heeft gebaseerd op (i) de zich in het dossier bevindende rapporten waarvan de inhoud hem de noodzakelijke informatie verschafte over de toestand van voor èn na de werkzaamheden, (ii) een locatiebezoek op 10 december 2013 om zich op de hoogte te stellen van de actuele situatie van de panden en (iii) twee foto’s, verstrekt door [X] , waarop de oude fundering (het hof begrijpt: van de woning van [A] ) tijdens de werkzaamheden is te zien.

3.9.

De deskundige heeft geconstateerd dat alle deskundigen van mening zijn dat de fundering van beide woningen, een houten paalfundering zoals in die regio gebruikelijk, als slecht gekwalificeerd moest worden (het hof begrijpt: voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden door [X] ). Hij schrijft voorts dat uit de dossierinformatie, waaronder nader genoemde informatie uit het rapport van de vooropname, ‘ook door ons’ wordt afgeleid dat de fundering van de gehele constructieve eenheid ‘feitelijk is bezweken’ en geeft daarop de volgende toelichting: ‘Een bezweken fundering wil zeggen dat de fundering niet (meer) in staat is om belasting naar de ondergrond af te voeren zonder te grote verplaatsingen. Er is bij een bezweken fundering geen reserve draagkracht meer aanwezig. Reserve draagkracht die het normaal gesproken mogelijk maakt om, tijdelijke, hogere belasting op palen zonder grote verplaatsingen mogelijk te maken. In de Zaanstreek zijn veel funderingen, om uiteenlopende redenen, bezweken. Bij veel funderingen in de Zaanstreek zien wij overigens dat, ondanks dat de fundering bezweken is, het goed mogelijk is dat zich een tijdelijk evenwicht instelt waarbij ogenschijnlijk geen zakkingen en aanvullende scheurvorming optreedt. Een geringe verstoring van het evenwicht kan echter wel onverwacht grote verplaatsingen tot gevolg hebben.’

3.10.

[appellant sub 1] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte, in navolging van de deskundige, heeft aangenomen dat de fundering van zijn woning zou zijn bezweken voordat het heien begon. De deskundige is de eerste die hiervan rept. Het gaat om een aanname zonder dat daaraan enig onderzoek ten grondslag ligt. Het had bij de door de deskundige gekozen aanpak op zijn weg gelegen om in te gaan op een aantal concrete passages uit de rapporten van EBMC, alvorens de fundering van de woning van [appellant sub 1] als bezweken aan te merken. De staat van de fundering was niet slecht, maar kwetsbaar. [appellant sub 1] had in beginsel nergens last van, het pand verzakte niet, er was geen wijziging in de situatie en de toestand was dus stabiel. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom een functionele fundering die kwetsbaar is, ineens kon bezwijken, aldus nog steeds [appellant sub 1] .

3.11.

Het hof is van oordeel dat deze stellingen niet doeltreffend zijn.

De eerste door [appellant sub 1] in het tweede rapport van EBMC aangewezen passage, inhoudende dat de draagkracht van de palen ‘ternauwernood genoeg [is] voor het casco, en daarom kwetsbaar voor verstoring’ (blz 23), past binnen de betekenis van ‘bezweken fundering’ die de deskundige heeft gehanteerd. In zoverre kon de deskundige zijn voormelde conclusie dus ook baseren op het tweede EBMC-rapport.

Voor het overige wijst [appellant sub 1] op de volgende passages uit het tweede rapport van EBMC:

- een conclusie op bladzijde 25: ‘Beide scenario’s geven aan dat verstoring van de grondlagen, door trillingen, en bij verstoring van de kleef rondom de paal, extra [onderstreping deskundige; hof] zettingen worden verwacht en tot in lengte van jaren kunnen doorgaan’,

- en, onder het kopje ‘Conclusie rapportage’, op bladzijde 42: ‘De woning van nr. [ adres 1] zou, zonder het herstelwerk van nr. [adres 2] , ook een bepaalde zetting ondergaan. Echter, door het funderingsherstelwerk van nr. [adres 2] , zijn naar onze mening en analyse, de zettingen en zettingsverschillen onnodig vergroot en aanmerkelijk versneld en verslechterd’.

Het gaat bij deze twee passages dus om conclusies van EBMC en om haar mening en analyse. Niet ter discussie staat dat de deskundige kennis heeft genomen van alle rapporten die zich in het dossier bevinden, waaronder de vooropname van KakesWaal, de in opdracht van [appellant sub 1] opgestelde rapporten van EBMC en de in opdracht van (de verzekeraar van) [X] opgestelde rapporten van VanderWal&Joosten. De omstandigheid dat de deskundige niet expliciet is ingegaan op de door [appellant sub 1] aangehaalde conclusies, mening en analyse van EBMC, betekent niet dat het oordeel van de deskundige dat de fundering ‘feitelijk [was] bezweken’ geen steun vindt in de dossierinformatie in zijn totaliteit waarop de deskundige zich heeft gebaseerd. Dit geldt temeer omdat, zoals gezegd, de eerste door [appellant sub 1] aangewezen passage in het tweede rapport van EBMC past binnen de door de deskundige gehanteerde betekenis van ‘bezweken fundering’. [appellant sub 1] heeft niet nader toegelicht op grond waarvan de deskundige ten onrechte uit de dossierinformatie heeft afgeleid dat alle deskundigen van mening waren dat de fundering van beide woningen (en dus ook van zijn woning) als slecht gekwalificeerd moest worden. Evenmin heeft [appellant sub 1] nader toegelicht waaruit blijkt dat de fundering onder zijn woning niet verzakte en stabiel was. Zijn stelling dat hij in beginsel nergens last van had en de door hem aangehaalde passages uit de rapporten van EBMC zijn onvoldoende om de, naar het oordeel van het hof, deugdelijk gemotiveerde bevindingen en conclusies van de deskundige in twijfel te trekken. Voor zover [appellant sub 1] heeft willen betogen dat zijn schade door de wijze van uitvoeren van de werkzaamheden is versneld/vergroot, heeft te gelden dat uit het deskundigenbericht blijkt dat in geval de fundering wordt geacht te zijn bezweken, in het geheel geen trillingen worden toegestaan. Een andere werkwijze had daarmee niet tot een voor [appellant sub 1] gunstiger resultaat geleid, althans [appellant sub 1] heeft onvoldoende gesteld om tot een dergelijke conclusie te kunnen komen.

3.12.

Volgens [appellant sub 1] heeft de deskundige de werkzaamheden aan de woning van [A] ten onrechte aangemerkt als provisorisch herstel. Hij verbindt hieraan de conclusie dat de deskundige de vraagstelling van de rechtbank heeft verlaten.

3.13.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat de deskundige met het definiëren van de verrichte funderingswerkzaamheden als provisorisch, respectievelijk als een ‘maatregel ter stabilisatie van het meest verzakkende deel van de constructieve eenheid’ het oog heeft op de stand van zaken van de constructieve eenheid als geheel, waarbij de woning van [A] na de werkzaamheden aan de drie buitenmuren van een zakkingsvrije fundering is voorzien en de rest van de constructieve eenheid (de drie buitenmuren van de woning van [appellant sub 1] en de gemeenschappelijke muur) niet. De zienswijze van de deskundige houdt in dat volledig funderingsherstel van de constructieve eenheid noodzakelijk is omdat ‘bij het grootste deel’ daarvan ‘nog steeds een bezweken fundering aanwezig [is] die hersteld zal moeten worden om verdere schade aan het casco te voorkomen’. Het aldus noodzakelijke funderingsherstel aan de woning van [appellant sub 1] , als onderdeel van de constructieve eenheid, is volgens de deskundige niet het gevolg van de werkzaamheden aan de woning van [A] .

3.14.

Anders dan [appellant sub 1] is het hof van oordeel dat de deskundige hiermee niet is getreden buiten de vraagstelling van de rechtbank, die erop was gericht om te achterhalen welke schade door de gekozen aanpak van de funderingswerkzaamheden aan de woning van [A] was ontstaan aan de woning van [appellant sub 1] .

3.15.

De rechtbank heeft gelet op de inhoud van het deskundigenbericht terecht overwogen dat de door [appellant sub 1] gevorderde schadevergoeding voor zover deze ziet op de kosten van funderingsherstel aan zijn woning, bij gebreke van causaal verband, niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de noodzaak van dat herstel is gelegen in de conditie van die fundering en niet in de door [X] uitgevoerde werkzaamheden. Daaraan doet niet af dat EBMC, zoals [appellant sub 1] heeft betoogd, ‘uitgebreid [heeft] gemotiveerd waarom het onverstandig was en is het buurpand te fixeren en op te krikken en tegelijkertijd het buurpand los te laten staan op de houten palen’.

3.16.

De slotsom van een en ander is dat de grieven 1 en 4 tot en met 8 falen.

3.17.

Met grief 3 keert [appellant sub 1] zich tegen het niet volledig vergoeden van de kosten die zijn gemoeid met het opmaken van de beide rapporten door EBMC.

3.18.

De rechtbank heeft € 3.000,= van de ter zake gevorderde kosten van € 4.701,50 (€ 2.201,50 onderscheidenlijk € 2.500,=) toegewezen, omdat de conclusies van het eerste rapport ook in het tweede rapport zijn vermeld en dat daarom de kosten van deze tweede rapportage niet zonder meer redelijk voorkomen. [appellant sub 1] heeft in hoger beroep slechts gesteld dat dit onterecht is omdat EBMC een opgave heeft gegeven van de door haar bestede tijd en omdat veel rekenwerk is gedaan naar de werkelijke kosten om de schade op te vangen. Aldus heeft [appellant sub 1] geen concrete aanknopingspunten gegeven om te kunnen oordelen dat het door de deskundige in rekening gebrachte bedrag, voor zover dat een bedrag van € 3.000,= te boven gaat, kan worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De grief faalt.

3.19.

Grief 2 betreft het oordeel van de rechtbank dat de kosten van het door de rechtbank gelaste deskundigenbericht volledig door [appellant sub 1] moeten worden gedragen en

grief 9 is gericht tegen de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg.

3.20.

Partijen zijn in eerste aanleg over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. De compensatie van proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, is dan ook gerechtvaardigd. Dat betekent dat grief 9 faalt. Grief 2 slaagt daarentegen, omdat het over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld zijn van partijen ook rechtvaardigt dat de kosten verbonden aan het deskundigenbericht, als onderdeel van de proceskosten, door partijen ieder voor de helft worden gedragen en niet alleen door [appellant sub 1] . [X] heeft niet bestreden dat [appellant sub 1] de door de rechtbank op € 8.543,81 vastgestelde deskundigenkosten volledig heeft voldaan (voorgeschoten).

3.21.

[appellant sub 1] heeft bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep nog aangevoerd dat de kosten van het deskundigenbericht niet worden gerechtvaardigd door de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden. Aan dit betoog wordt voorbijgegaan, reeds omdat hij dit niet eerder heeft aangevoerd, terwijl hij daarvoor wel de gelegenheid heeft gehad.

3.22.

Partijen hebben in eerste aanleg, noch in hoger beroep stellingen betrokken die tot een andere beoordeling van het geschil kunnen leiden. Voor zover [appellant sub 1] heeft verzocht in hoger beroep een nieuw deskundigenbericht te gelasten, is daarvoor geen grond, omdat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de zienswijze van de door de rechtbank benoemde deskundige. Deze zienswijze komt het hof overtuigend voor.

3.23.

De slotsom is dat het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de deskundigenkosten van € 8.543,81 ten laste blijven van [appellant sub 1] . [X] zal alsnog worden veroordeeld tot betaling van de helft van die kosten, te weten een bedrag van € 4.271,90. Voor het overige worden de bestreden vonnissen bekrachtigd. Nu partijen in hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, worden de kosten van het hoger beroep gecompenseerd als na te melden.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden eindvonnis, voor zover daarbij is bepaald dat de deskundigenkosten van € 8.543,81 ten laste blijven van [appellant sub 1] ;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat partijen de deskundigenkosten van € 8.543,81 ieder voor de helft dienen te dragen en veroordeelt [X] tot betaling aan [appellant sub 1] van een bedrag van € 4.271,90;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest met betrekking tot de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, C. Uriot en M.A.J.G. Janssen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.