Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3031

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
200.159.964-01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij ten onrechte dwangsommen heeft geïncasseerd. Daarnaast lag de executieopbrengst van de onroerende zaak te X onder de marktwaarde en heeft de gerechtsdeurwaarder in strijd met zijn berichten (een van) de gelegde beslagen niet doorgehaald. De kamer heeft het verzet van klaagster tegen de beschikking van de voorzitter op een onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en de klacht van klaagster tegen de gerechtsdeurwaarder op dat onderdeel ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is, staat geen rechtsmiddel open. De kamer heeft in zijn beslissing het verzet van klaagster alleen ten aanzien van het hiervoor onder 4. sub iii weergegeven klachtonderdeel gegrond verklaard. Het hof zal daarom slechts dat klachtonderdeel aan een beoordeling onderwerpen. Het hof is met de kamer van oordeel dat geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen kan worden vastgesteld en bevestigt de bestreden beslissing ten aanzien van klachtonderdeel 4.iii. Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat ziet op de klachtonderdelen 4.i en 4.ii.

Wetsverwijzingen
Gerechtsdeurwaarderswet 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.159.964/01 GDW

nummer eerste aanleg : 40.2014

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 21 juli 2015

inzake

[klaagster] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

tegen

[gerechtsdeurwaarder] ,

gerechtsdeurwaarder te [woonplaats] ,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 20 november 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 21 oktober 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:204). De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klaagster tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 14 januari 2014 op een onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) op dat onderdeel ongegrond verklaard.

1.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 23 december 2014 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2015. De gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klaagster is, zonder berichtgeving, niet verschenen.

1.4.

Op 12 maart 2015 heeft het hof via PostNL alle door het hof aan klaagster gezonden correspondentie retour ontvangen met daarbij de aantekening “woont hier niet meer!”.

1.5.

In raadkamer is geconstateerd dat klaagster op de dag van verzending van de oproeping, niet in de daartoe bestemde registers stond ingeschreven op het op de oproeping vermelde adres Klaagster was dus door het hof niet op het juiste adres opgeroepen. Het hof heeft vervolgens beslist dat de zaak opnieuw mondeling behandeld zal worden, teneinde klaagster alsnog in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn.

1.6.

Het hof heeft – nadat het voorgaande aan de gerechtsdeurwaarder is meegedeeld – partijen op 13 april 2015 een nieuwe oproeping gezonden voor 25 juni 2015, op welke dag de behandeling van de zaak is heropend en voortgezet. Klaagster is verschenen en heeft het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder is – met berichtgeving – niet verschenen. Hij heeft het hof meegedeeld dat hij zijn standpunt in de stukken en op de zitting van 5 maart 2015 voldoende heeft toegelicht.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de voorzitter in de beschikking van 14 januari 2014 en kamer in de bestreden beslissing hebben vastgesteld. Klaagster heeft tegen de vaststelling van die feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal met dat bezwaar (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op grond van op 7 november 2003 en 22 februari 2004 ten laste van klaagster uitgevaardigde dwangbevelen van het (toenmalige) [X] ), was klaagster een bedrag van € 105.000,- aan verbeurde dwangsommen aan [X] verschuldigd. De gerechtsdeurwaarder heeft deze dwangbevelen op 14 november 2003 en 3 maart 2004 aan klaagster betekend en vervolgens diverse betalingsregelingen met klaagster getroffen.

3.2.2.

In opdracht van [X] heeft de gerechtsdeurwaarder in 2004 de executie van deze dwangbevelen ter hand genomen. Op 12 augustus 2004 en 8 februari 2005 zijn daartoe beslagen gelegd op een tweetal aan klaagster toebehorende onroerende zaken, respectievelijk gelegen aan de [straatnaam] en aan de [straatnaam] te [woonplaats] .

3.2.3.

Op 27 juni 2005 heeft de uitwinning van deze beslagen plaatsgevonden door de openbare (veiling-)verkoop van de onroerende zaak, gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats] . Uit de verkoopopbrengst is de vordering van [X] grotendeels voldaan.

3.2.4.

Bij processen-verbaal van 23 augustus 2005 en 8 september 2005 heeft de gerechtsdeurwaarder de hypotheekbewaarder van het kadaster te [woonplaats] gemachtigd de beide beslagen in de openbare registers door te halen.

3.2.5.

Op 22 december 2010 ontving de gerechtsdeurwaarder van de advocaat van klaagster een kadastraal bericht (hypothecair bericht object) waaruit bleek dat het op 12 augustus 2004 door de gerechtsdeurwaarder gelegde beslag nog op de onroerende zaak aan de [straatnaam] te [woonplaats] zou rusten, met het verzoek het beslag alsnog per ommegaande op te heffen.

3.2.6.

Bij proces-verbaal van 23 december 2010 heeft de gerechtsdeurwaarder de hypotheekbewaarder opnieuw gemachtigd het beslag door te halen. Vervolgens is het beslag op de onroerende zaak aan de [straatnaam] te [woonplaats] door de hypotheekbewaarder doorgehaald.

4. Standpunt van klaagster

Blijkens haar inleidend klaagschrift van 1 augustus 2013 verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarder het volgende.

i. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte dwangsommen geïncasseerd.

ii. De executieopbrengst van de onroerende zaak aan de [straatnaam] te [woonplaats] lag onder de marktwaarde.

iii. In strijd met zijn berichten heeft de gerechtsdeurwaarder (een van) de gelegde beslagen niet doorgehaald.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

6.1.

Vooropgesteld wordt dat uit artikel 39 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) - kort weergegeven en voor zover hier van belang - volgt dat de voorzitter van de kamer klachten die naar zijn oordeel kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond dan wel van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen. Tegen een dergelijke beschikking kan verzet kan worden gedaan bij de kamer. Tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is, staat geen rechtsmiddel open.

De kamer heeft in zijn beslissing het verzet van klaagster ten aanzien van de hiervoor onder 4. sub i en ii weergegeven klachtonderdelen ongegrond verklaard. Dit betekent dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep voor zover dat ziet op de onder 4.i en 4.ii vermelde klachtonderdelen.

De kamer heeft in zijn beslissing het verzet van klaagster alleen ten aanzien van het hiervoor onder 4. sub iii weergegeven klachtonderdeel gegrond verklaard. Het hof zal daarom slechts dat klachtonderdeel aan een beoordeling onderwerpen.

6.2.

Het hof neemt als vaststaand aan dat het beslag op de onroerende zaak aan de [straatnaam] niet in 2005 maar eerst in 2010 (na een daartoe strekkend verzoek van de gemachtigde van klaagster) door de hypotheekbewaarder is doorgehaald. De gerechtsdeurwaarder heeft ook erkend dat de doorhaling feitelijk pas in 2010 heeft plaatsgevonden, maar stelt niet te weten waarom de doorhaling niet reeds in 2005 is gerealiseerd nu het proces-verbaal van machtiging tot doorhaling wel degelijk op 8 september 2005 is opgemaakt en door gerechtsdeurwaarder [A] op het kantoor van het kadaster is aangeleverd. Dat een verklaring van de hypotheekbewaarder dat de beslagen waren doorgehaald ontbreekt, doet hieraan (aldus de gerechtsdeurwaarder) niet af. Het proces-verbaal van machtiging tot doorhaling van 8 september 2005 is door de gerechtsdeurwaarder als bijlage 2 bij zijn verweerschrift in hoger beroep in het geding gebracht.

6.3.

De kamer heeft in de bestreden beslissing overwogen dat niet meer valt vast te stellen of het niet doorhalen van het beslag in 2005 aan de gerechtsdeurwaarder valt te verwijten, zodat geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen kan worden vastgesteld. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust en neemt dit oordeel over. Hierbij heeft het hof meegewogen dat het standpunt van de gerechtsdeurwaarder dat hij ervan uit mocht gaan dat het beslag correct was doorgehaald wordt bevestigd door het door hem overgelegde proces-verbaal van machtiging tot doorhaling van 8 september 2005. Dat (een medewerker van) het kadaster tegenover klaagster heeft verklaard voormeld proces-verbaal van doorhaling van 8 september 2005 niet te hebben ontvangen, hetgeen het hof van klaagster aanneemt, doet niet af aan vorenstaand oordeel dat geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder kan worden vastgesteld. Dat proces-verbaal kan immers ook op het kadaster in het ongerede zijn geraakt.

6.4.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.5.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat ziet op de klachtonderdelen 4.i en 4.ii;

- bevestigt de bestreden beslissing ten aanzien van klachtonderdeel 4.iii.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015 door de rolraadsheer.