Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:303

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
200.160.652/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek vanwege betrokkenheid bij andere procedures van verzoeker afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer : 200.160.652/01

beslissing van de wrakingskamer van 10 februari 2015

inzake het ter zitting van 20 november 2014 gedane verzoek door

[verzoeker] ,

wonend te Zwijndrecht,

verzoeker.

1 Het geding

Het verzoek tot wraking is door verzoeker mondeling gedaan op 20 november 2014 tijdens de terechtzitting met gesloten deuren van het gerechtshof Den Haag in de zaken met zaaknummers 200.148.151/01 en 200.150.311/01, zoals hij dat eerder heeft aangekondigd in zijn brief van 18 november 2014. Van voornoemde zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat deel uitmaakt van het dossier in de wrakingszaak.

Bij beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag van 1 december 2014 is de wrakingszaak ter verdere behandeling verwezen naar dit hof.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. E.A. Mink, raadsheer in het gerechtshof Den Haag. Mr. Mink heeft niet berust in de wraking. Zij heeft op 17 december 2014 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.

De mondelinge behandeling van het verzoek was bepaald op 13 januari 2015. Op verzoek van verzoeker is de zaak aangehouden. De wrakingskamer heeft het verzoek vervolgens behandeld op 29 januari 2015 te 11:00 uur. Daarbij is verzoeker in persoon verschenen.

2 Beoordeling

2.1.

Het gaat hier, samengevat en voor zover van belang, om het volgende.

2.1.1.

Verzoeker is de vader van [minderjarige], geboren op 22 december 2003 (hierna: de minderjarige). Vanaf de geboorte van de minderjarige had alleen de moeder het gezag. Vanaf 2006 had verzoeker het gezag over de minderjarige. In 2011 is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2011 met zaak-/rekestnummer 384979/JE RK 11-2349 is verzoeker ontheven van het ouderlijk gezag. Bij beschikking van het hof Den Haag van 8 mei 2013 met zaaknummer 200.099.466/01 is deze beschikking bekrachtigd.

2.1.2.

Bij beschikking van 6 maart 2014, verbeterd bij beschikking van 9 april 2014,

heeft de rechtbank Rotterdam de verzoeken van verzoeker tot (primair) herstel van het ouderlijk gezag en wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, althans (subsidiair) tot ontzetting van de met de voogdij belaste stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna: BJZ) en benoeming van de grootmoeder vaderszijde tot voogdes over de minderjarige, althans (meer subsidiair) tot vaststelling van een omgangsregeling en een maandelijkse informatieverplichting voor BJZ, afgewezen.

2.1.3.

Bij beschikking van 6 maart 2014 met zaak-/rekestnummer C/10/439784/FA RK 13-10449 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek van verzoeker tot benoeming van de grootmoeder vaderszijde dan wel een ontwikkelingspsycholoog/orthopedagoog tevens mediator tot bijzonder curator ex artikel 1:250 BW afgewezen.

2.1.4.

Verzoeker is tegen de in 2.1.2. en 2.1.3. genoemde beschikkingen in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag onder bovenvermelde zaaknummers (200.148.151/01 en 200.150.311/01). Op 20 november 2014 zijn deze zaken gezamenlijk behandeld door mr. Obbink-Reijngoud als voorzitter, en mrs. Mink en Kok als leden. Tijdens de zitting heeft verzoeker genoemd hof gewezen op een door hem ingediend verzoekschrift dat is gericht aan mr. Mink en dat (primair) strekt tot onttrekking dan wel verschoning, althans (subsidiair) tot wraking, vanwege - kort gezegd - betrokkenheid van mr. Mink bij de volgende uitspraken van het hof Den Haag:

  1. De beschikking van 8 mei 2013 met zaaknummer 200.117.271/01 waarbij het hof een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012 heeft bekrachtigd en de verzoeken van verzoeker tot het vaststellen van een omgangsregeling, tot het ontzetten van BJZ als voogdes en (primair) tot het belasten van verzoeker met het gezag althans (subsidiair) een andere voorziening daartoe te treffen, alsmede tot het vaststellen van een informatieverplichting voor BJZ, zijn afgewezen.

  2. Het arrest van 15 april 2014 met zaaknummer 200.127.062/01 waarbij een vonnis van de rechtbank Rotterdam met rol-/zaaknummer 402560/HA ZA 12-463 is bekrachtigd en een vordering van verzoeker tot veroordeling van BJZ tot betaling van een schadevergoeding van € 300,00 per dag dat de minderjarige ten onrechte aan de zorg van de vader is onttrokken met rente en kosten, is afgewezen.

  3. Het arrest in kort geding van 1 juli 2014 met zaaknummer 200.140.367/01 waarbij verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 december 2013, met rol-/zaaknummer 433687/KG ZA 13-985. Verzoeker had in hoger beroep (primair) gevorderd dat voor de duur van de onder 2.1.2. genoemde bodemzaak een voorlopige omgangsregeling zou worden vastgesteld. Omdat in die bodemzaak reeds einduitspraak was gedaan is verzoeker, vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Ter zitting heeft de voorzitter meegedeeld dat mr. Mink zich niet zal verschonen. Vervolgens is de zitting geschorst in verband met het (subsidiaire) wrakingsverzoek.

2.2.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat

mr. Mink, vanwege betrokkenheid bij de in 2.1.4. genoemde procedures, niet (meer) in staat is onbevooroordeeld te oordelen over de twee zaken die thans aan de orde zijn, althans dat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat mr. Mink daartoe niet in staat zal zijn.

Ten aanzien van de in 2.1.4. onder 1) genoemde beschikking van 8 mei 2013 heeft verzoeker aangevoerd dat het hof, in de combinatie waarvan mr. Mink deel uit maakte, in die beschikking ten onrechte voorbij is gegaan aan het beroep van verzoeker op de onjuistheid van de aan het verzoek tot ontheffing ten grondslag liggende rapportages en (daarom) ten onrechte de verzoeken heeft afgewezen. Gelet op de inhoud van de beschikking is volgens verzoeker te verwachten dat mr. Mink zijn huidige verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag zal afwijzen.

Ten aanzien van de in 2.1.4. onder 2) bedoelde procedure heeft verzoeker aangevoerd dat de naam van mr. Mink ten onrechte geheim is gehouden toen hij informeerde naar de rechters die zijn zaak behandelden. Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat mr. Mink in strijd met het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM haar eigen handelen in eerdere zaken heeft getoetst, terwijl de procedure nu juist bedoeld was om het handelen van BJZ kritisch door een onpartijdige, deskundige en geïnteresseerde rechter te laten toetsen. Bovendien heeft mr. Mink geweigerd getuigen en deskundigen te horen en heeft zij de bewijslast ten onrechte bij verzoeker gelegd. Verzoeker is bang dat dit in de onderhavige procedure(s) wederom zal gebeuren.

Ten aanzien van het in 2.1.4. onder 3) genoemde arrest heeft verzoeker aangevoerd dat volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens het aan de rechter is zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op “family life” tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken, maar dat dit kennelijk niet tot mr. Mink is doorgedrongen. Verzoeker heeft geen vertrouwen in een rechter die de relevante jurisprudentie niet bijhoudt, aldus verzoeker.

Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat zijn vrees voor partijdigheid van mr. Mink wordt bevestigd door de omstandigheid dat één van de rechters die de in 2.1.1. genoemde beschikking van 8 mei 2013 mede heeft gegeven, in een andere door verzoeker bij de rechtbank Rotterdam aanhangig gemaakte procedure een verschoningsverzoek heeft ingediend, en dat dit verzoek is toegewezen.

Ten slotte heeft verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij overweegt mr. Mink (persoonlijk) aansprakelijk te stellen voor de schade die voortvloeit uit de genoemde - volgens hem - onrechtmatige uitspraken, dat hij overweegt aangifte tegen (onder meer) mr. Mink te doen en dat hij middels een voorlopig getuigenverhoor (onder meer) mr. Mink wil doen horen.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker voorts aangevoerd dat hem formeel gezien wel rechtsmiddelen ten dienste staan tegen de in 2.1.4. genoemde uitspraken, maar dat dit feitelijk niet mogelijk is omdat hij geen advocaat kan vinden die de zaak aan de Hoge Raad wil voorleggen.

2.3.

Mr. Mink heeft, kort gezegd, aangevoerd dat verzoeker in de laatste jaren

meerdere zaken aan het hof Den Haag heeft voorgelegd en dat het, gelet daarop en de samenstelling van het team, onvermijdelijk is dat verzoeker andermaal met dezelfde raadsheer te maken krijgt. Mr. Mink betwist dat zij daardoor partijdig jegens verzoeker zou zijn dan wel die schijn zou hebben gewekt. Daarnaast heeft mr. Mink aangevoerd dat verzoeker het kennelijk niet eens is met beslissingen van het hof, waarvan zij deel heeft uitgemaakt, maar dat hem daartoe echter rechtsmiddelen ten dienste staan. Voorts betwist mr. Mink dat haar naam geheim zou zijn gehouden. Volgens mr. Mink had (de advocaat van) verzoeker kunnen informeren naar de namen van (alle) raadsheren.

2.4.

De wrakingskamer overweegt als volgt.

2.5.

Op grond van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op

verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 37 lid 2 Rv bepaalt dat dit verzoek gemotiveerd dient te geschieden.

2.6.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek is dat de rechter uit

hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.7.

De wrakingskamer overweegt dat indien een partij meerdere procedures

bij een kamer van hetzelfde gerecht voert, zoals hier het geval is, veelal niet kan, maar ook niet hoeft te worden vermeden dat eenzelfde rechter andermaal een zaak van die partij beoordeelt. De rechter wordt ook in dat geval, gelet op het hiervoor vermelde uitgangspunt, vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich genoemde uitzonderlijke omstandigheden voordoen. De enkele omstandigheid dat zodanige partij in een andere procedure in het ongelijk is gesteld (mede) door die rechter, is in beginsel niet zo’n uitzonderlijke omstandigheid.

2.8.

Ten aanzien van betrokkenheid van mr. Mink bij de procedure die tot de

beschikking van 8 mei 2013 heeft geleid, overweegt de wrakingskamer voorts het volgende. Die procedure betrof een (het hof begrijpt: op enig moment in 2012 gedaan) verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling en een informatieverplichting voor BJZ. In de hoofdzaak met zaaknummer 200.150.311/01 heeft verzoeker (subsidiair en meer subsidiair) nadien, te weten op 15 december 2013, soortgelijke verzoeken gedaan. Anders dan verzoeker kennelijk betoogt, levert dit op zichzelf onvoldoende grond op voor wraking van de rechter die dit nieuwe verzoek dient te beoordelen en op het eerdere verzoek negatief heeft beslist. De aard van de procedure tot het vaststellen van een omgangsregeling brengt immers met zich dat na verloop van een jaar nadat een beschikking waarin de vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen, een soortgelijk verzoek opnieuw kan worden ingediend. Zo’n verzoek is dan gebaseerd op de feiten en omstandigheden die op dàt moment aan de orde zijn en verschilt dus in zoverre van een soortgelijk verzoek dat eerder in de tijd is gedaan. De enkele omstandigheid dat dit nieuwe verzoek door (onder andere) dezelfde rechter wordt behandeld brengt niet met zich dat deze daarover niet (opnieuw) onpartijdig kan oordelen, of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Voorts heeft het hof Den Haag, in de combinatie met mr. Mink, in bedoelde beschikking geen inhoudelijk oordeel gegeven over de overige verzoeken die in de onderhavige hoofdzaken aan de orde zijn. Dit betekent dat de omstandigheid dat mr. Mink de beschikking van 8 mei 2013 mede heeft gegeven, geen uitzonderlijke omstandigheid oplevert als hiervoor in 2.6. en 2.7. bedoeld.

2.9.

Het in 2.1.4. onder 2) genoemde arrest van 15 april 2014 betreft een vordering

van verzoeker tot betaling van schadevergoeding door BJZ vanwege de - volgens verzoeker - onrechtmatige onttrekking van de minderjarige aan de zorg van verzoeker. In dat arrest is evenmin een inhoudelijk oordeel gegeven omtrent de in de onderhavige hoofdzaken aan de orde zijnde verzoeken, zodat geen sprake is van eenzelfde geschil tussen dezelfde partijen. Ditzelfde geldt voor het arrest van 1 juli 2014 (2.1.4. onder 3), nu verzoeker daarin niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep in kort geding vanwege het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang.

2.10.

De overige klachten van verzoeker in dit verband betreffen inhoudelijke klachten

ten aanzien van de in 2.1.4. genoemde uitspraken. Die klachten kunnen niet tot wraking leiden, reeds omdat in die zaken einduitspraak is gedaan. Indien verzoeker het met die uitspraken niet eens is staat hem de weg open daartegen een rechtsmiddel aan te wenden. De omstandigheid dat verzoeker geen advocaat heeft kunnen vinden om cassatieberoep in te stellen, maakt het voorgaande niet anders en brengt niet mee dat in een wrakingsprocedure over die uitspraken kan worden geklaagd.

2.11.

Ook de omstandigheid dat het verschoningsverzoek van de door verzoeker

bedoelde rechter in het kader van een procedure bij de rechtbank Rotterdam is toegewezen, geeft onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat ook mr. Mink zich had moeten verschonen, althans dat het onderhavige wrakingsverzoek gegrond is.

2.12.

Ten slotte kan de stelling van verzoeker dat hij voornemens is een klacht tegen

mr. Mink in te dienen en aangifte tegen haar te doen alsmede haar te doen oproepen voor een voorlopig getuigenverhoor niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat (nog) niet gebleken is dat van het voorgaande thans sprake is.

2.13.

De slotsom op grond van het vorenstaande is dat niet is gebleken van feiten of

omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van mr. Mink schade zou kunnen lijden. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

3 Beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek tot wraking.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, L.A.J. Dun en R.G. Kemmers en is in aanwezigheid van de griffier mr. J.G.E.Y. Lok door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.