Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3023

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
200.141.303-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Finale kwijting. Geen bewijs geleverd dat de betekenis van de term ‘finale kwijting’ niet begrepen werd en wil er niet op was gericht finale kwijting te verlenen.Zie ECLI:NL:GHAMS:2014:4805.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.141.303/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/528667/ HA ZA 12-1278

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2015

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. A.R. van Dolder te Heerhugowaard,

tegen

[geïntimeerde],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 18 november 2014 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest heeft [geïntimeerde] op 12 februari 2015 twee getuigen doen horen, waarna [appellant] op diezelfde datum ook twee getuigen heeft doen horen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de gedingstukken gevoegd.

[appellant] heeft een memorie na enquête genomen en nog een productie in het geding gebracht.

[geïntimeerde] heeft eveneens een memorie na enquête genomen en daarin onder meer gereageerd op voornoemde productie.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij tussenvonnis van 17 april 2013 had de rechtbank [geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands geleverd geachte bewijs dat met een betaling van € 1.500,- [geïntimeerde] aan [appellant] finale kwijting had verleend betreffende drie geldleningen van in totaal € 30.000,-. Bij het tussenarrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld tot nadere bewijslevering.

2.2

[geïntimeerde] heeft [A] als getuige doen horen en hij is zelf als getuige gehoord. [appellant] heeft [B] als getuige doen horen en hij is zelf als getuige gehoord.

2.3

[geïntimeerde] heeft onder meer het volgende verklaard. (…) [appellant] heeft mij de overeenkomst getoond in gevouwen vorm bij de eerste vouw. Ik heb tegen meneer [A] gezegd dat [appellant] mij €1500 ging betalen. Ik weet niet meer wanneer dat was. Op een later tijdstip heb ik hem een document getoond, ik laat u dat zien, het is het ABN Amro transactie overzicht. [A] heeft tegen mij gezegd: “er is iets mis. Toen ben ik naar [C] gegaan, de taxichauffeur. Ik heb hem de overeenkomst getoond. Hij heeft mij ook gezegd dat er iets mis was en vervolgens ben ik die zaterdag erop naar mr. De Jong Schouwenburg gegaan. (…)

2.4

[A] heeft onder meer het volgende verklaard. Op uw vraag hoe het kan dat ik mij een jaar vergist heb zeg ik: “Ik houd de tijd niet bij, ik ben gaan getuigen maar ik heb me daarop niet voorbereid”. (…) Wanneer het was dat [geïntimeerde] mij dat document heeft getoond weet ik eigenlijk ook nu niet. Het kan in 2012 zijn geweest maar ook in 2013. (…) In de tempel heeft [geïntimeerde] mij (…) verteld dat hij aan iemand geld heeft geleend en dat die persoon aan hem ging betalen. Een tijdje later kwam ik in zijn winkel en toen liet hij me ook een bericht zien en zei mij: “kijk, hij betaalt”. Ik heb dat bericht bekeken maar volgens mij zat het niet goed en ik heb hem dat gezegd. U vraagt mij waaruit ik dat afleidde. In het bericht stond iets wat niet klopte, iets met “eind”, “je hebt alles betaald”. De term die daarvoor gebruikt werd weet ik niet. (…) Het document wat ik gezien heb was van de ABN Amro. (…)

2.5

[B] heeft onder meer het volgende verklaard. (…) Ik ben op de hoogte gekomen van de leningen tussen [geïntimeerde] en [appellant] . In een café tijdens een kaartavond waar ik was met [appellant] . [geïntimeerde] was daar toen ook en sprak [appellant] aan. Hij zei: “je moet me nog een heleboel geld geven, je moet je leningen betalen”. Dat was in maart of april 2012. [appellant] zei: “volgens mij heb ik alles betaald, ik heb er bewijzen van”. De zaak is toen gesust en [geïntimeerde] is toen weggegaan. [appellant] heeft mij toen uitgelegd dat hij die leningen had, dat die volgens hem betaald waren en volgens [geïntimeerde] niet. Het is vervolgens tot een gesprek gekomen in café [X] op een zaterdagmiddag, ongeveer een week voordat de overeenkomst werd getekend. [geïntimeerde] zat daar, ik zat daar en [appellant] en er was ook een Turkse man bij. Het ging eerst over een bedrag van €6000, daar waren ze over aan het schermen. Later bleef er nog een geschil over een bedrag van €3000 over. Uiteindelijk is besloten het af te maken op €1500. Bij dat gesprek zat ik ook aan tafel. Ik heb me er niet mee bemoeid totdat ze tot elkaar gekomen waren. [appellant] zei mij dat hij dat geld niet kon betalen en ik heb toen aangeboden om die €1500 voor te schieten. Dat was mijn vakantiegeld. Ik heb het aan [appellant] gegeven om het via de bank te betalen. [geïntimeerde] was akkoord met die €1500. Ik heb [appellant] geadviseerd op papier te zetten dat daarmee alles betaald was. [appellant] heeft die overeenkomst opgesteld. Ik heb hem daarbij met sommige zinsneden geholpen. (…) Ik was er ook bij toen die overeenkomst getekend werd in de zaak van [geïntimeerde] aan de [adres] . Na het tekenen is het geld overgemaakt. [geïntimeerde] heeft het contract gelezen en gekeken of alles klopte en of hij het ermee eens was. Hij wilde het nog vieren. (…) Ik vond dat ik [geïntimeerde] goed kon begrijpen, hij spreekt gewoon Nederlands.

2.6

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bewijslast van de stelling dat met de betaling van de € 1.500,- die [appellant] op 10 juni 2012 per bank heeft verricht, [geïntimeerde] finale kwijting heeft verleend aan [appellant] betreffende de gehele geldlening, op [appellant] rustte en dat gelet op de onderhandse akte van 10 juni 2012, waarin is opgenomen dat [geïntimeerde] die finale kwijting heeft verleend, dat bewijs voorshands was geleverd.

2.7

[geïntimeerde] , die heeft betoogd dat de tekst van de overeenkomst niet overeenkwam met zijn bedoeling toen hij de overeenkomst tekende en dat hij nooit de wil heeft gehad om finale kwijting te verlenen, is vervolgens terecht in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het voorshands geleverde bewijs. Het hof komt thans tot de beoordeling of hij daarin is geslaagd.

2.8

Omtrent de overeenkomst heeft [geïntimeerde] tijdens de comparitie in eerste aanleg op 27 februari 2013 onder meer gezegd: [appellant] en [B] (het hof begrijpt [B] ) kwamen samen in de winkel. Ze hadden het stuk (productie 3 bij dagvaarding) (het hof begrijpt de overeenkomst) bij zich. Dat stuk hadden Theo en [appellant] van tevoren al gemaakt. Ze hadden de zin waarin staat “tegen finale kwijting” weg gevouwen, dus dat was niet goed leesbaar. Ik wist ook niet wat ‘tegen finale kwijting’ betekende. [B] heeft gezegd dat hij elke maand EUR 1.500 zou overmaken. Ik heb toen gelijk getekend. Ik dacht dat dit een kwitantie was voor deze eenmalige betaling van EUR 1.500. Ik heb het originele stuk. Later heb ik aan klant gevraagd wat er precies stond. Die wees mij erop dat er finale kwijting in stond. Ik heb vervolgens ook een vriend van mij die taxichauffeur is en [appellant] kent omdat ze samen hebben gewerkt in een hotel gevraagd mij uit te leggen wat er in de overeenkomst stond. Die zei ook dat het niet goed was.

Ook in hoger beroep heeft [geïntimeerde] er in volhard dat de overeenkomst, toen deze hem werd voorgehouden, gevouwen was. [appellant] heeft dat betwist. Dat de overeenkomst gevouwen was en dat [geïntimeerde] om die reden geen kennis heeft kunnen nemen van de zinsnede waarin de finale kwijting werd vermeld, is niet aannemelijk geworden. Zowel de rechter in eerste aanleg als de raadsheer-commissaris hebben geconstateerd dat, indien de overeenkomst op de wijze als door [geïntimeerde] aangegeven gevouwen zou zijn, het niet (goed) mogelijk was deze te tekenen op de wijze als is gebeurd. Aangenomen moet dan ook worden dat [geïntimeerde] van de desbetreffende zinsnede heeft kennis genomen en vervolgens zijn handtekening heeft gezet onder de overeenkomst.

2.9

[geïntimeerde] heeft voorts gesteld dat hij de betekenis van de term ‘finale kwijting’ op het moment van ondertekenen niet begreep, zodat zijn wil er niet op was gericht [appellant] finale kwijting te verlenen. Hij heeft in dat verband ook verwezen naar de opmerking van de raadsheer-commissaris in het proces-verbaal van getuigenverhoor dat deze constateerde dat [geïntimeerde] gebrekkig Nederlands sprak. [appellant] heeft echter gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] gebrekkig Nederlands spreekt en niet zou hebben begrepen wat ‘finale kwijting’ is. Hij heeft naar voren gebracht dat tijdens de comparitie in eerste aanleg [geïntimeerde] uitvoerig en zonder tussenkomst van een tolk in het Nederlands heeft verklaard. Bovendien is [geïntimeerde] inmiddels meer dan 15 jaar eigenaar van een wasserette in [plaats] en heeft de getuige [C] verklaard dat hij regelmatig aldaar een uurtje met [geïntimeerde] praat, aldus [appellant] . In het licht van deze betwisting is de stelling van [geïntimeerde] op dit punt onvoldoende onderbouwd en kan aan de constatering van de raadsheer-commissaris op zichzelf gezien niet de conclusie verbonden worden dat [geïntimeerde] op het moment van het ondertekenen van de overeenkomst niet begreep dat hij aan [appellant] finale kwijting verleende. Het kan zeker niet worden uitgesloten dat de beheersing van het Nederlands door [geïntimeerde] beter is dan de indruk die de raadsheer-commissaris daarvan heeft gekregen. Als [geïntimeerde] inderdaad gebrekkig Nederlands spreekt, had het ook voor de hand gelegen dat hij zich op de zitting in eerste aanleg en in tweede aanleg had laten bijstaan door een deskundige tolk. Daarnaast volgt uit de verklaring van [B] dat in café [X] tussen [appellant] en [geïntimeerde] is onderhandeld over een bedrag dat [appellant] nog aan [geïntimeerde] zou moeten betalen. Uit het verslag van die onderhandelingen valt af te leiden dat [geïntimeerde] moet hebben begrepen dat het er om ging (de hoogte van) een laatste betaling door [appellant] vast te stellen. In dat geval ligt het verlenen van finale kwijting ook voor de hand. [B] heeft bovendien verklaard dat hij [geïntimeerde] goed kon begrijpen, dat hij gewoon Nederlands sprak. Aangenomen wordt daarom dat [geïntimeerde] voldoende Nederlands spreekt om te begrijpen dat hij finale kwijting aan [appellant] verleende.

2.10

[geïntimeerde] heeft nog naar voren gebracht dat - kort weergegeven - ook uit de omstandigheid dat hij zijn vrienden [A] en [C] heeft verteld dat [appellant] de leningen zou gaan afbetalen en dat zij hem vervolgens hebben verteld dat dat niet klopte, kan worden afgeleid dat hij niet de bedoeling had [appellant] finale kwijting te verlenen. In eerste aanleg zijn [A] en [C] ter zake als getuige gehoord en in hoger beroep is als gezegd [A] nogmaals als getuige gehoord. Aan de verklaringen van [A] kan onvoldoende betekenis worden gehecht. Hij weet zich niet te herinneren op welk tijdstip hij een schriftelijk stuk dat betrekking had op de regeling tussen [geïntimeerde] en [appellant] heeft gezien. Daarbij komt dat hij in eerste aanleg heeft verklaard dat [geïntimeerde] hem een brief heeft laten lezen die volgens [geïntimeerde] een afbetalingsregeling was, en waarin volgens [A] stond dat de zaak voor iets meer dan € 1.500,- zou zijn afgedaan, terwijl hij in hoger beroep heeft verklaard dat het document dat hij gezien heeft een ABN AMRO transactie-overzicht betrof. Deze verklaringen zijn niet goed met elkaar te rijmen. Ten slotte kan [A] zich de woorden niet herinneren waaruit hij heeft afgeleid dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] kennelijk geen afbetalingsregeling was getroffen. De term ‘finale kwijting’, die op het ABN AMRO transactie-overzicht is vermeld, weet hij in elk geval niet te reproduceren.

2.11

Ook de verklaring van [C] legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal. Weliswaar heeft hij als getuige in eerste aanleg verklaard dat [geïntimeerde] hem heeft verteld dat [appellant] zou gaan terugbetalen en dat [geïntimeerde] geschokt reageerde toen hij hem vertelde dat uit de brief (het hof begrijpt: de overeenkomst) anders bleek, maar deze verklaring is volledig gebaseerd op het gedrag van [geïntimeerde] zelf, terwijl uit de verklaring van [B] , zoals hiervoor weergegeven, kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] geen aanleiding had zo te reageren. [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat de verklaring van [B] tegenstrijdig is met de verklaring van [appellant] zodat daaraan geen gewicht kan worden toegekend. [B] heeft, aldus [geïntimeerde] , immers verklaard dat hij zich met het gesprek tussen [appellant] en [geïntimeerde] in café [X] niet heeft bemoeid totdat ze tot elkaar gekomen waren en [appellant] heeft verklaard dat [geïntimeerde] en [B] zijn overeengekomen dat nog € 1.500,- betaald zou moeten worden. Dat [appellant] en [B] een verschillende perceptie hebben over de bemoeienis van [B] bij de totstandkoming van de overeenkomst brengt echter niet mee dat aan de verklaring van [B] als geheel geen waarde kan worden toegekend. In de kern komt deze immers wat betreft de feitelijke gang van zaken overeen met hetgeen [geïntimeerde] en [appellant] hebben verklaard.

2.12

De conclusie uit het voorgaande is dat [geïntimeerde] niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs en dat de grief, die inhoudt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat het niet de wil van [geïntimeerde] was om finale kwijting aan [appellant] te verlenen, slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 913,17 aan verschotten en € 1.158,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 400,82 aan verschotten en € 4.632,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, R.J.F. Thiessen en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.