Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3010

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
23-003939-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor overtreding van artikel 6 WVW 1994 onder invloed van alcohol en doorrijden na de aanrijding – De rechtbank volstond (naast een rijontzegging) met oplegging van een taakstraf. Het hof is het niet met de rechtbank eens dat met oplegging van gevangenisstraf geen redelijk doel is gediend. Bij de strafoplegging moet ook rekening gehouden worden met strafdoelen als generale preventie, vergelding, normbevestiging en herstel van de rechtsorde. Mede gelet op de gevolgen voor het slachtoffer is oplegging van gevangenisstraf aangewezen. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft het hof gelet op LOVS-oriëntatiepunten voor verkeersmisdrijven. Het hof komt, naast een rijontzegging, tot oplegging van een gevangenisstraf van 4 maanden. Omstandigheden in de persoon van de verdachte maken dat de het hof afwijkt van de relatief forse eis van het openbaar ministerie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-003939-14

Datum uitspraak: 22 juli 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-671018-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 29 december 2012 in de gemeente Amsterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Cornelis Krusemanstraat, zich zodanig, te weten, roekeloos, althans zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer])

zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een scheur in de schedel en/of een gebroken kuitbeen en/of een gebroken schouderblad en/of een of meer gebroken rib(ben) en/of een gebroken sleutelbeen en/of een schedelbasis fractuur, in elk geval zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Cornelis Krusemanstraat, komende uit de richting van de Lairessestraat en gaande in de richting van de Amstelveenseweg/het Haarlemmermeercircuit,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl het wegdek nat was en/of

- terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte heeft gereden over de Cornelis Crusemanstraat met een snelheid tussen de 69 en 92 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van

50 kilometer per uur, in elk geval met een voor een veilig verkeer ter plaatse te hoge snelheid,

verdachte is een voor hem rijdende fietser (voornoemde [slachtoffer]) genaderd en heeft zich er niet, althans onvoldoende van vergewist of hij deze fietser op een veilig wijze kon passeren,

verdachte is met (nagenoeg) onverminderde snelheid en/of zonder, althans zonder voldoende - naar links - uit te wijken richting die fietser gereden en/of vervolgens tegen de achterkant van die fiets aangereden of gebotst, waarna die fietser ([slachtoffer]) op de door verdachte bestuurde auto is terechtgekomen en vervolgens op het wegdek is gevallen, waardoor voornoemde [slachtoffer] bovengenoemd letsel heeft bekomen,

terwijl hij bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8 tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, bleek het alcoholgehalte van verdachtes adem 700 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 29 december 2012 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Cornelis Krusemanstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Cornelis Krusemanstraat, komende uit de richting van de Lairessestraat en gaande in de richting van de Amstelveenseweg/het Haarlemmermeercircuit,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl het wegdek nat was en/of

- terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte heeft gereden over de Cornelis Krusemanstraat met een snelheid tussen de 69 en 92 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een voor een veilig verkeer ter plaatse te hoge snelheid,

verdachte is een voor hem rijdende fietser (voornoemde [slachtoffer]) genaderd en heeft zich er niet, althans onvoldoende van vergewist of hij deze fietser op een veilig wijze kon passeren, verdachte is met (nagenoeg) onverminderde snelheid en/of zonder, althans zonder voldoende - naar links - uit te wijken richting die fietser gereden en/of vervolgens tegen de achterkant van die fiets aangereden of gebotst, waarna die fietser ([slachtoffer]) op de door verdachte bestuurde auto is terechtgekomen en vervolgens op het wegdek is gevallen;

2.
hij op of omstreeks 29 december 2012 in de gemeente Amsterdam en/of te Maarssen (gemeente Stichtse Vecht), in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (een personenauto, merk Peugeot, type 106 en voorzien van het kenteken [kentekennummer]), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 700 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.
hij op of omstreeks 29 december 2012 in de gemeente Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Cornelis Krusemanstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten naam [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht en die [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:
hij op 29 december 2012 in de gemeente Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Cornelis Krusemanstraat, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en een gebroken kuitbeen en een gebroken schouderblad en gebroken ribben en een gebroken sleutelbeen werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Cornelis Krusemanstraat, komende uit de richting van de De Lairessestraat en gaande in de richting van de Amstelveenseweg/het Haarlemmermeercircuit,

- terwijl het donker was en

- terwijl het wegdek nat was en

- terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte heeft gereden over de Cornelis Crusemanstraat met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur,

verdachte is een voor hem rijdende fietser, voornoemde [slachtoffer], genaderd en is zonder voldoende - naar links - uit te wijken richting die fietser gereden en vervolgens tegen de achterkant van die fiets aangereden, waarna die fietser, [slachtoffer], op de door verdachte bestuurde auto is terechtgekomen en vervolgens op het wegdek is gevallen, waardoor voornoemde [slachtoffer] bovengenoemd letsel heeft bekomen,

terwijl bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 het alcoholgehalte van verdachtes adem 700 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.
hij op 29 december 2012 in Nederland, als bestuurder van een voertuig, een personenauto, merk Peugeot, type 106 en voorzien van het kenteken [kentekennummer], dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 700 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.
hij op 29 december 2012 in de gemeente Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Cornelis Krusemanstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht.

Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van deze wet.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 2 oktober 2014 voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden en tot de rijontzegging die ook door de rechtbank is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersdelict. Na het bezoeken van een feest heeft hij de keus gemaakt een auto te gaan besturen, terwijl hij, naar uit het resultaat van de ademanalyse kan worden afgeleid, tenminste drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken en hij zich – naar eigen zeggen – niet nuchter voelde. Vervolgens heeft hij in die staat op de Cornelis Krusemanstraat te Amsterdam gereden met een snelheid die hoger was dan ter plaatse was toegestaan. Daar heeft hij met zijn auto een fietser aangereden. Nadat door hem ook nog een wisselkast van de trambaan uit de grond was gereden, is hij met zijn auto tot stilstand gekomen. Vervolgens is hij uitgestapt en heeft hij een blik op het slachtoffer geworpen. Hierna is hij terug naar zijn auto gelopen en heeft hij zijn weg huiswaarts vervolgd. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van grove miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en heeft hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht.

Uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring en de door hem overgelegde stukken komt naar voren dat het slachtoffer enkele maanden in een ziekenhuis heeft moeten verblijven en aansluitend een langdurig en moeizaam revalidatieproces is gestart. Hij kampt thans - twee en een half jaar na het ongeval - nog altijd met forse lichamelijke en cognitieve beperkingen en hoewel hij alles op alles zet om weer volledig te herstellen, moet ernstig worden gevreesd dat hij zijn verdere leven met die beperkingen van doen zal hebben.

Het hof heeft gelet op de straffen die ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 plegen te worden opgelegd in gevallen waarin sprake is van een grove verkeersfout, zwaar lichamelijk letsel en alcoholgebruik waarbij het ademalcoholgehalte meer dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht bedraagt. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin een gevangenisstraf van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaar worden genoemd. Het hof zal deze straffen tot uitgangspunt nemen.

Gelet op het voorgaande is in dit geval - ter bescherming van de verkeersveiligheid - als bijkomende straf oplegging van rijontzegging van evengenoemde duur, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd, zonder meer passend en geboden, ook al heeft de verdachte verklaard nooit meer een auto te zullen besturen. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in overweging dat de verdachte ten tijde van het feit zijn rijbewijs kwijt was waardoor hij dat niet op de daartoe strekkende vordering aan de justitiële autoriteiten kon overdragen, terwijl hij nadien een nieuw rijbewijs heeft aangevraagd maar heeft nagelaten alsnog aan de eerderbedoelde vordering te voldoen.

Ten aanzien van de op te leggen hoofdstraf wordt voorts het volgende overwogen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat met oplegging van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf vanwege de specifieke situatie van de verdachte geen redelijk doel is gediend. De raadsvrouw heeft zich bij dit oordeel aangesloten.

Anders dan de rechtbank en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf onvoldoende recht doet aan de laakbaarheid van de gedragingen van de verdachte, de gevolgen voor het slachtoffer en overige omstandigheden van het geval. Daarbij heeft in het bijzonder nog meegewogen de omstandigheid dat de verdachte kort na het ongeval - in nog altijd fors benevelde toestand - opnieuw de weg op is gegaan, terwijl de voorruit van zijn auto dermate was beschadigd dat hij met zijn hoofd half uit het zijraam moest hangen om zicht op de weg te kunnen houden. Op die wijze heeft hij (minimaal) een half uur gereden voordat hij langs de A2 bij de afslag Maarssen door de politie tot stoppen is gebracht. Dat daarbij niet andere weggebruikers het slachtoffer van het rijgedrag van de verdachte zijn geworden, is een zeer gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden gesteld dat met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak geen redelijk doel is gediend. Het hof zal immers ook strafdoelen als generale preventie, vergelding, normbevestiging en herstel van de rechtsorde in aanmerking dienen te nemen. In dit geval brengen vooral de twee eerstgenoemde strafdoelen, gelet op het hiervoor overwogene, met zich dat niet anders kan worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Bij het bepalen van de duur daarvan heeft het hof in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met het volgende.

Het hof heeft - anders dan de advocaat-generaal - op grond van het dossier en hetgeen verder op de zitting is verhandeld de indruk gekregen dat de verdachte oprecht berouw heeft van zijn fouten, hoewel hij daar op de terechtzitting wellicht verbaal moeilijk uiting aan heeft kunnen geven. Verder is niet buiten twijfel komen vast te staan dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten teneinde (koste wat kost) zijn verantwoordelijkheid voor de gevolgen van die fouten te ontlopen noch dat hij zich - in de termen van de advocaat-generaal - berekenend heeft opgesteld. Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat de verdachte de gevolgen van zijn handelen nooit heeft gewild en dat het moeten ondergaan van een vrijheidsstraf voor de verdachte, die verder een geregeld leven lijkt te leiden, voor hem ingrijpend zal zijn. Tot slot heeft meegewogen dat sinds het ongeval inmiddels de nodige tijd is verstreken en de verdachte zich, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juni 2015, niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten.

Om deze redenen zal het hof afwijken van de - tamelijk fors te noemen - eis van de advocaat-generaal.

Alles overziende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.M. van Woensel en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. L. Voet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 juli 2015.

mr. R.A.F. Gerding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....]

[....][....][....]

[....][....][....]

[....][....][....]

[....]

[....][....][....]

[....]

[....][....]

[....][....][....][....]

[....]