Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:297

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
200.143.654-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onduidelijk conservatoir beslag- eerder gelegd executoriaal beslag- eigenbeslag?- tussenarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.143.654/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: 1415522/HA EXPL 13-240

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2015

inzake

1.[appellant],

wonend te [woonplaats],

2. [appellante]

wonend te [woonplaats]

appellanten,

advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar,

tegen

ABN AMROBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde ,

advocaat: mr. J. Meuleman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna (in mannelijk enkelvoud) [appellant] en de bank genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 24 januari 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 30 oktober 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en de bank als gedaagde.

[appellant] heeft daarna een memorie grieven, met producties, ingediend.

De bank heeft een memorie van antwoord ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

De bank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.9 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het geschil ziet op perikelen rond een beslag. De relevante feiten laten zich, zeer kort, als volgt samenvatten.

3.1.1

Bij kort geding vonnis waren aan [appellant] (een echtpaar) verplichtingen jegens zijn huurder, de Stichting Interactiev Foundation (hierna: Interactiev), opgelegd, op straffe van dwangsommen. Voor vervolgens beweerdelijk verbeurde dwangsommen heeft Interactiev op 13 oktober 2011 derdenbeslag gelegd onder de bank, ten laste van [appellant].

3.1.2

De bank heeft daarop een bedrag van € 13.762,17 van een rekening van [appellant] overgeboekt naar een andere, geblokkeerde rekening bij haar; deze rekening was eveneens op naam van [appellant] gesteld. De bank heeft op 10 november 2011 conform art. 476a Rv aan Interactiev verklaring gedaan omtrent hetgeen zij van [appellant] onder zich had.

3.1.3

[appellant] heeft op 10 november 2011 aan de bevoegde voorzieningenrechter verlof verzocht en verkregen om ten laste van Interactiev conservatoir beslag onder de bank te leggen. De door [appellant] ingeschakelde deurwaarder heeft op 11 november 2011 ter zake een exploot aan de bank betekend. Aan alle wettelijke formaliteiten voor een conservatoir (derden)beslag is voldaan.

3.1.4

De bank heeft het onder 3.1.2 genoemde bedrag (onder aftrek van kosten) van de geblokkeerde rekening overgemaakt naar de deurwaarder van Interactiev, vanwege het onder 3.1.1 genoemde executoriale beslag.

3.1.5

De bank heeft op 8 december 2011 aan [appellant] verklaring gedaan, inhoudende dat Interactiev op 11 november 2011 niets van haar te vorderen had; zij heeft meegedeeld het beslag van [appellant] als afgedaan te beschouwen.

3.2

[appellant] heeft - zakelijk weergegeven - gevorderd dat de bank op de voet van art. 477 lid 1 Rv wordt veroordeeld tot betaling van € 13.762,17 (met rente) aan de beslagleggende deurwaarder van [appellant], alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de bank voor wat betreft het executoriale derdenbeslag van Interactiev geheel heeft gehandeld conform de verplichtingen die voor haar, als derde-beslagene, uit de wet voortvloeien, te weten het doen van verklaring op de voet van artikel 476a Rv en voldoening van de volgens deze verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder op de voet van artikel 477 Rv. De kantonrechter heeft geen aanleiding voor de bank gezien om de betrokken gelden onder zich te houden omdat er, kort samengevat, geen sprake was van een vorderingsrecht van Interactiev op de bank, zodat beslag daarop niet mogelijk was. De kantonrechter was daarnaast van oordeel dat de inhoud van het onder 3.1.3 bedoelde exploot en het bijbehorende rekest voor de bank geen aanleiding behoefden te zijn om de betrokken bedragen veilig te stellen, nu [appellant] heeft nagelaten de hem ten dienste staande middelen om te komen tot schorsing van de beslagexecutie te benutten. Het gesloten wettelijk stelsel stond in de weg aan de door [appellant] gekozen weg.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vijf grieven op.

3.3

Bij de eerste grief, die aan de orde stelt dat een opmerking ten onrechte niet in het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg is opgenomen, heeft [appellant] geen belang omdat inmiddels, in appel, het betreffende punt deel uitmaakt van het partijdebat.

3.4

De tweede en derde grief strekken er, naar het hof begrijpt, in de kern toe, dat de kantonrechter heeft miskend dat de bank, gelet op het beslagrekest met de daarop gegeven beschikking van de voorzieningenrechter en het beslagexploot, het betreffende bedrag onder zich had moeten houden in plaats van dat aan Interactiev door te betalen.

Het hof stelt voorop dat de kantonrechter met juistheid heeft beslist dat de omstandigheid dat de bank in verband met het door Interactiev gelegde beslag het saldo van een rekening ten name van [appellant] naar een andere, geblokkeerde, rekening ten name van [appellant] heeft overgeboekt niet meebrengt dat Interactiev ter zake van dat overgeboekte bedrag een vordering verkreeg op de bank. De wettelijke verplichting van een derde tot afdracht is niet een voor beslag vatbare vordering. De ruime mogelijkheden tot derdenbeslag waaraan [appellant] refereert gaan niet zo ver als hij stelt. Het uitgangspunt bij een executoriaal beslag is, dat de schuldeiser zich in beginsel kan verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar, dus ook op vorderingen of op roerende zaken die onder een ander berusten. (Daarom kon Interactiev executoriaal derdenbeslag onder de bank leggen op tegoeden van haar, Interactievs, schuldenaar [appellant] bij die bank, dus op vorderingen van [appellant] op de bank.) De mogelijkheden in de conservatoire fase gaan niet verder. De wettelijke verplichting tot afdracht aan Interactiev die op de bank rust vloeit voort uit haar positie als derde onder wie zich een goed van [appellant] bevindt. Een eigen positie jegens Interactiev heeft de bank daarmee niet; zij is slechts de ander onder wie dit goed –dus deze vordering- berust.

Daarmee is echter nog niet uitgemaakt dat de bank, ondanks het deugdelijk aan haar betekende exploot van [appellant] van 11 november 2011, vervolgens bedoeld bedrag mocht afdragen aan Interactiev.

3.5

In het beslagrekest wordt eerst de achtergrond van het geschil tussen [appellant] en Interactiev geschetst, wordt betwist dat [appellant], zoals Interactiev meent, € 20.000 aan dwangsommen verbeurd zou hebben en wordt melding gemaakt van het op de geblokkeerde rekening storten in verband met het executoriaal beslag. Vervolgens wordt gesteld (onder 9 en 10) en [appellante] zullen (…) een bodemprocedure aanhangig maken om deze praktijken aan de kaak te stellen, betaling van de verschuldigde huur vorderen alsmede nakoming van enkele andere verplichtingen van de Stichting [Interactiev, opm hof] (…) Om te voorkomen dat het geld van [appellant] en [appellante] straks is verdwenen, terwijl [appellant] en [appellante] ervan uitgaan dat zij juist nog het nodige van de Stichting te vorderen hebben, begroten zij hun vordering vooralsnog op het geld waarop beslag is gelegd, te weten € 13.762,17 exclusief rente en kosten. Dit geld staat nog op het geblokkeerde rekeningnummer 42.35.55.960 bij de ABN AMRO Bank.

(…)

Verzoek:

I verlof te verlenen conservatoir beslag te leggen onder (..) ABN Amro Bank op het aldaar geblokkeerde rekeningnummer 42.35.55.960 voor zover het om het bedrag van € 13.762,17 gaat (…). De voorzieningenrechter heeft het verzoek, met een niet ter zake doende uitzondering ,“toegestaan als verzocht”.

3.6

Gelet op de strekking van het beslagrekest heeft [appellant] kennelijk voor ogen gestaan om eigenbeslag te leggen onder de bank ten laste van Interactiev. Hij wilde verhinderen dat de bank zijn geld zou afdragen aan Interactiev omdat [appellant] nog een tegenvordering op Interactiev stelde te hebben. Het hof is van oordeel dat de bank dat als professionele partij heeft moeten begrijpen.

Uit het beslagrekest valt immers redelijkerwijs op te maken dat [appellant] meent dat hij een vordering heeft op Interactiev en dat hij ter zekerheid van verhaal van die vordering beslag wenst te leggen op een vermogensbestanddeel van Interactiev, te weten de vordering van Interactiev op [appellant], waarvoor Interactiev een executoriale titel jegens [appellant] heeft. Omdat Interactiev al aan het executeren was kan worden vastgesteld dat die vordering (in ieder geval) het banksaldo op de geblokkeerde rekening heeft omvat. In feite gaat het dus om conservatoir beslag onder de schuldeiser zelf (eigenbeslag) als bedoeld in art. 724 Rv, waarbij de aanduiding van de geblokkeerde rekening en het saldo moeten worden beschouwd als de omschrijving die art. 724, lid 1 Rv blijkens de tweede zin vereist. Dat dit banksaldo een vordering van [appellant] op de bank betreft, doet daarbij niet ter zake, de omschrijving van het beslagobject is duidelijk. De voorzieningenrechter heeft dan ook verlof verleend.

3.7

Dat eigenbeslag op vorderingen mogelijk is vloeit rechtstreeks voort uit de wet (art. 479h jo. art.724 lid 1 Rv) en wordt door de bank dan ook niet betwist. Het wettelijk systeem staat niet in de weg aan eigenbeslag als hier aan de orde, dat wil zeggen op een vordering die Interactiev op [appellant] heeft en die zich voorlopig heeft geconcretiseerd in een ten behoeve van Interactiev op een geblokkeerde bankrekening ten name van [appellant] geparkeerd bedrag.

Het verweer van de bank komt in wezen erop neer dat enerzijds in het rekest alleen sprake is van niet bestaande beslagmodaliteiten en niet wordt gerefereerd aan art. 724 Rv of het begrip eigenbeslag en dat anderzijds de deurwaarder met zijn exploot (niet eigenbeslag maar) conservatoir derdenbeslag ten laste van Interactiev heeft gelegd, op een rekeningnummer.

3.7.1

Deze verweren kunnen de bank niet baten. Haar kan worden toegegeven dat het beslagexploot verwarrend en/of ongelukkig geformuleerd is, doordat de (standaard)tekst niet is aangepast aan de situatie. Daarbij doelt het hof niet op de door de bank genoemde, in de praktijk alleszins gebruikelijke, tekst dat het beslag meer speciaal op rekeningnummer 42.35.55.960 wordt gelegd; dat daarbij niet het rekeningnummer in beslag wordt genomen (hetgeen niet alleen onmogelijk, maar ook onzinnig is) maar het saldo op de met dat nummer aangeduide rekening (die de administratie vormt van de vordering die de rekeninghouder op de bank heeft), is immers onmiskenbaar.

Waar het hof op doelt is, dat verwarrend is dat in het exploot niet staat geschreven dat dat het hier om een eigenbeslag gaat. Daar staat echter tegenover dat het beslagobject onmiskenbaar een vordering is die [appellant] heeft op de bank, te weten het geparkeerde bedrag van € 13.762,17; dat het beter was geweest om daarbij duidelijk te maken dat het ging om een eigenbeslag doet daaraan niet af.

3.7.2

De bank diende zich, nu zij geconfronteerd werd met een onduidelijk exploot, te verdiepen in de meebetekende beschikking, die was gesteld aan de voet van het beslagrekest. Uit dat rekest had zij, hoewel daarin eigenbeslag (of art. 724 Rv of een dergelijke verwijzing) niet voorkwam, redelijkerwijs moeten opmaken dat dat wel was wat [appellant] beoogde. In ieder geval bracht haar positie als bank, die geconfronteerd werd met een niet geheel duidelijk conservatoir beslag waarvoor rechterlijke toestemming was gegeven en waarvan zij dus moest aannemen dat de verzoeker daarbij belang had, mee dat zij niet mocht handelen zoals zij heeft gedaan, te weten het zonder meer overmaken van het betrokken bedrag naar de deurwaarder van Interactiev. Zij had, met het oog op het voor haar kenbare belang van haar rekeninghouder [appellant], tenminste contact op moeten nemen met de deurwaarder en/of de behandelend advocaat, van wie de namen bleken uit het exploot en het rekest. Intussen had zij het bedrag op de geblokkeerde rekening moeten laten staan.

Aan die verplichting doet niet af dat Interactiev afdracht had kunnen vorderen. Indien immers geldig conservatoir (eigen)beslag was gelegd -hetgeen een reële mogelijkheid was, die de bank dus nader had moeten onderzoeken- had de bank aan die vordering van Interactiev niet behoeven te voldoen.

Door het bedrag zonder nader onderzoek op 17 november 2011 over te maken, heeft de bank onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld.

3.8

In eerste aanleg heeft de bank nog aangevoerd dat [appellant] eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW treft, nu hij ook op andere wijze, bijvoorbeeld door middel van een kort geding, het door hem gewenste resultaat had kunnen bereiken. Dat verweer moet echter stranden op de omstandigheid dat de bank geen contact heeft opgenomen met de advocaat of de deurwaarder (of [appellant] zelf). [appellant] had dus geen reden om aan te nemen dat de door hem gekozen weg van het conservatoir beslag geen effect zou hebben.

3.9

Het hof ziet in het hiervoor overwogene, in aanmerking genomen het door [appellant] geformuleerde petitum, aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten teneinde de zaak met partijen te bespreken en een schikking te beproeven. Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten, tot het hiervoor onder 3.9 omschreven doel zullen verschijnen ten overstaan van mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten daartoe als raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] uiterlijk twee weken na heden schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van 1 maart 2015 tot 1 juni 2015 aan het hof dient te verzoeken een datum te bepalen;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, A.S. Arnold en J. Blokland en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2015.