Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2965

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
200.159.513-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Schikking waarbij appellant zich dient te onthouden van bepaalde mededelingen op website op straffe van een boete. Anders dan de eerste rechter oordeelde, heeft appellant de schikking niet geschonden en de boete niet verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.159.513/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/571023 / KG ZA 14-1064 SP/LO

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2015

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats],

advocaat: mr. F.F. Boers te Amsterdam,

appellant,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE SUB 1] ,

gevestigd te [plaats],

advocaat: mr. I.M.F. van Emstede te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE SUB 2]

gevestigd te [plaats],

advocaat: mr. I.M.F. van Emstede te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE SUB 3]

gevestigd te [plaats],

advocaat: mr. R.M.I. van der Straaten te Amersfoort,

geïntimeerden.

Partijen worden hierna [appellant], [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] genoemd, terwijl geïntimeerden gezamenlijk als [geïntimeerden] worden aangeduid.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaardingen van 5 respectievelijk 6 november 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2014, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.

[appellant] heeft bij memorie zeven grieven geformuleerd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vordering van [appellant] alsnog zal toewijzen en [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in reconventie alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in hun vordering althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben bij memorie de grieven van [appellant] bestreden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep, met wettelijke rente en nakosten.

[geïntimeerde sub 3] heeft bij memorie de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep, met wettelijke rente en nakosten.

Ter zitting van het hof van 1 april 2015 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] respectievelijk [geïntimeerde sub 3] door hun voornoemde advocaten; alle advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, voor zover thans nog relevant, om het volgende.

( i) Bij vonnis van 8 augustus 2013, hersteld bij vonnis van 15 oktober 2013, heeft de rechtbank Noord-Holland [appellant] op vordering van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] onder meer geboden zich te onthouden van het doen van misleidende, onjuiste en/of ongefundeerde mededelingen over hen, over hun producten en over de tussen partijen aanhangige rechtszaken. Tevens is [appellant] veroordeeld tekstgedeelten over [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] van zijn website te verwijderen en een rectificatie te plaatsen. Aan de veroordelingen is een dwangsom verbonden van € 500,= per dag, met een maximum van € 20.000,=.

(ii) Partijen zijn vervolgens verwikkeld geraakt in een bodemprocedure over de verschuldigdheid van dwangsommen uit hoofde van bovengenoemd vonnis. In deze bodemprocedure hebben partijen een schikking getroffen, die is vastgelegd in een proces-verbaal van 26 mei 2014 (verder: het proces-verbaal). In het proces-verbaal staat onder meer het volgende:

“(…)

Partijen komen ter beëindiging van dit geschil het volgende overeen.

Partij [appellant] zal aan de gedaagden te weten [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] een bedrag betalen van in totaal € 25.000,00 (vijfentwintig duizend euro) inclusief BTW. Daarvan is inmiddels € 5.000,00 betaald.

Het restant, te weten € 20.000,00 zal worden betaald in maandelijkse termijnen van minimaal € 2.000,00 waarvan de eerste termijn betaald zal worden uiterlijk op 20 juni 2014 en elke volgende termijn uiterlijk op de 20ste van iedere maand. Uiterlijk zes maanden na 20 juni 2014 zal het bedrag van € 20.000,00 geheel zijn voldaan.

(…)

Het beslag blijft liggen totdat voormelde € 20.000,00 volledig is betaald. Daarna zal het beslag binnen 7 dagen op eigen kosten worden opgeheven door mr. Van Emstede.

Binnen 7 dagen na heden zullen de advocaten van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] schriftelijk aan de heer [appellant] kenbaar maken welke mededelingen van de website iqaccu.nl verwijderd dienen te worden. Dit betreft uitsluitend insinuerende, misleidende, ongefundeerde of onjuiste mededelingen die direct betrekking hebben op de bedrijven [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] en de heer [X] persoonlijk. Binnen drie dagen na ontvangst van voormeld schrijven zal de heer [appellant] deze mededelingen van zijn website verwijderen. Uiterlijk binnen drie dagen daarna zullen voormelde advocaten schriftelijk bevestigen dat aan het verzoek tot verwijdering op die datum is voldaan.

Indien partij [appellant] een termijn niet of niet tijdig voldoet, dan wordt tevens het bedrag van de nog niet vervallen termijnen terstond, zonder nadere kennisgeving, opeisbaar.

Mocht partij [appellant] nieuwe of dezelfde mededelingen doen op zijn website of via e-mails met een insinuerend, misleidend, ongefundeerd of onjuist karakter dan zal hij terstond een boete verbeuren van € 10.000,00. De betaling van die boete dient dan plaats te vinden door overmaking op voormeld derdenrekeningnummer. (…)”

(iii) Op 5 juni 2014 was op de website van www.iqaccu.nl van [appellant] onder meer het volgende bericht te zien:

“Geachte consument.

OP DEZE PLEK HEEFT EEN ONTLADING-TEST GESTAAN VAN EEN ALLROUND 12-50 AGM ZUIVER LOOD ACCU EN EEN ANDER ONBEKEND PRODUCT. OP DEZE GRAFIEKEN WAS HET CAPACITEITSVERSCHIL AFGEBEELD.

Een klant die al 10 jaar accu producten van [appellant] afneemt, vertelde;

‘MIDDELS DE VRIJHEID VAN MENINGSUITING TE BEPERKEN, DOOR EEN RECHTER, WELKE ZONDER ENIGE TECHNISCHE KENNIS OF INTERESSE VOOR DE PRODUCTEN, IS [appellant] VEROORDEELD TOT EEN BOETE VAN € 25.000,00.

DE AANWEZIGE DESKUNDIGE EXPERT, WERD GEEN ENKELE VRAAG GESTELD. EEN BLAMAGE VOOR DE RECHTSGANG!’

Noot; Deze klant uit de waterport wereld wenst anoniem te blijven.

WILT U MEER INFORMATIE EN/OF HET VONNIS LEZEN, NEEM CONTACT OP.”

(iv) Bij brief van 6 juni 2014 heeft de advocaat van [geïntimeerde sub 3], mede namens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], aan [appellant] medegedeeld dat de mededeling die hij op zijn website heeft geplaatst in strijd is met de schikking die partijen hebben getroffen, zodat [appellant] terstond een boete van € 10.000,= heeft verbeurd. Eveneens heeft zij medegedeeld dat [appellant] daarmee in totaal een bedrag van € 35.000,= is verschuldigd, waarvan € 5.000,= is voldaan; doordat [appellant] de nieuwe mededeling heeft geplaatst is het bedrag van € 30.000,= terstond opeisbaar geworden.

( v) [appellant] heeft daarop de onder (iii) vermelde mededeling verwijderd. Hij heeft geen boete betaald.

(vi) Op 18 en 19 juni 2014 stond op de website van [appellant] de volgende mededeling, gevolgd door het onder (ii) vermelde proces-verbaal van 26 mei 2014:

“NA DRIE JAAR PROCEDEREN, * EEN OORDEEL OVER, PUBLICATIE’S VAN [appellant] OP DEZE SITE, DEZE HADDEN BETREKKING, OP KWALITEIT EN CAPACITEIT VERSCHILLEN VAN ACCU PRODUCTEN, GEPRODUCEERD MET ZUIVERE OF ONZUIVERE LOODPLATEN. [appellant] MAG GEEN UITINGEN MEER PUBLICEREN M.B.T. VERMELDE PARTIJEN EN MOET EEN ‘SCHADEVERGOEDING’ BETALEN! DIT IS DOOR MIJ OVEREENGEKOMEN, OM VERDER PROCEDEREN TE VOORKOMEN, ER IS € 20.000,00 BESLAG GELEGD OP ONROEREND GOED * ER IS DOOR DE RECHTER, GEEN AANWEZIGE DESKUNDIGE GERAADPLEEGD! HIERONDER HET PROCESVERBAAL.”

(vii) Bij brief van 9 juli 2014 heeft ABN AMRO Bank N.V. (verder: ABN Amro), de hypotheeknemer op na te melden onroerende zaak van [appellant], aan [appellant] medegedeeld dat op verzoek van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] executoriaal beslag is gelegd op een aan hem toebehorende onroerende zaak (verder: de onroerende zaak), en dat als ABN Amro niet per ommegaande door de beslagleggers zal worden geïnformeerd dat [appellant] met hen een regeling heeft getroffen, de bank zich genoodzaakt ziet tot algehele opeising van de hypotheekvordering over te gaan.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om ABN Amro en Lindorff Credit Management te berichten dat zij niet tot openbare verkoop van de onroerende zaak wensen over te gaan, en dat [geïntimeerden] wordt gelast de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal te staken en gestaakt te houden, beide op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat hij de bepalingen van de tussen partijen getroffen schikking (van 26 mei 2014) niet heeft overtreden, zodat [geïntimeerden] misbruik van recht maken door het proces-verbaal te executeren. [geïntimeerden] hebben hiertegen verweer gevoerd. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] respectievelijk [geïntimeerde sub 3] hebben in reconventie nagenoeg gelijkluidende vorderingen ingesteld die erop neerkomen, kort gezegd, dat [appellant] wordt gelast – op straffe van verbeurte van een dwangsom of boete – geen insinuerende, misleidende, ongefundeerde en/of onjuiste mededelingen te doen op zijn website of via e-mails of via enig ander medium die betrekking hebben op [geïntimeerden] of [X] in persoon en/of op hun producten en/of op de tussen partijen gevoerde rechtszaken, waaronder dit kort geding. Zij hebben daartoe gesteld, kort gezegd, dat het opleggen van een gebod als gevorderd aan [appellant] – met name met een hogere boete of dwangsom – aangewezen is omdat deze er voortdurend blijk van geeft zich niet aan rechterlijke uitspraken of tussen partijen gemaakte afspraken te houden. [appellant] heeft daartegen verweer gevoerd.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep in conventie overwogen dat kern van het geschil de vraag betreft of [appellant] zich heeft gehouden aan wat tussen partijen is overeengekomen en is vastgelegd in het proces-verbaal. Volgens de voorzieningenrechter is dit niet het geval omdat [appellant] – in zijn onder 3.1 sub (iii) en/of (vi) genoemde berichten – de namen van [geïntimeerden] heeft genoemd en deze berichten bovendien onjuist zijn nu [appellant] daarin vermeldt dat hij door een rechter is veroordeeld tot betaling van een boete, terwijl het om afspraken gaat die partijen zelf hebben gemaakt en in het proces-verbaal zijn vastgelegd; daarbij hebben de mededelingen een insinuerend karakter, nu hij suggereert dat hij ten onrechte is ‘veroordeeld’ en spreekt over kwaliteits- en capaciteitsverschillen en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij met het plaatsen van deze mededelingen een andere bedoeling had dan het in een kwaad daglicht stellen van [geïntimeerden] Daarmee is volgens de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat [appellant] de afspraken als vervat in het proces-verbaal heeft overtreden en de boete van € 10.000,= heeft verbeurd, terwijl de executie door [geïntimeerden] op grond van het proces-verbaal geen misbruik van recht oplevert. In reconventie heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan de afspraken als vervat in het proces-verbaal en dat – nu de daarin vastgelegde schikking betrekking had op verbeurde dwangsommen, in die schikking is overeengekomen dat [appellant] een boete zou verbeuren indien hij opnieuw ‘in de fout’ zou gaan en dit ook is gebeurd – een sterkere prikkel nodig is om [appellant] ertoe te bewegen zich te onthouden van de gewraakte mededelingen. Op grond van al het voorgaande heeft de voorzieningenrechter in conventie de gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellant] veroordeeld in de proceskosten, en in reconventie [appellant] gelast – op straffe van verbeurte van een dwangsom – zich te onthouden van insinuerende, misleidende, ongefundeerde en/of onjuiste mededelingen op zijn website of via e-mails of via enig ander medium die direct betrekking hebben op [geïntimeerden] of [X] in persoon en/of op hun producten en/of op de tussen partijen gevoerde rechtszaken, waaronder dit kort geding, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

De grieven strekken ertoe het vonnis van de voorzieningenrechter geheel aan het oordeel van het hof te onderwerpen en zullen daarom zoveel mogelijk gezamenlijk worden behandeld.

3.5.

De eerste vijf grieven hebben betrekking op de overwegingen en de beslissing van de voorzieningenrechter in conventie. Zij bestrijden derhalve diens oordelen dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan wat tussen partijen is overeengekomen en is vastgelegd in het proces-verbaal, omdat hij in zijn gewraakte berichten de namen van [geïntimeerden] heeft genoemd en deze berichten bovendien onjuist zijn en een insinuerend karakter hebben – zodat voldoende aannemelijk is dat [appellant] de afspraken als vervat in het proces-verbaal heeft overtreden en de boete van € 10.000,= heeft verbeurd –, en dat executie door [geïntimeerden] op grond van het proces-verbaal geen misbruik van recht oplevert. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

3.6.

In het onderhavige geschil gaat het om de vraag of [appellant] zich heeft gehouden aan de afspraken zoals vervat in het proces-verbaal, en met name of [appellant] de in het proces-verbaal genoemde boete van € 10.000,= heeft verbeurd. De daarvoor cruciale bepaling uit het proces-verbaal luidt als volgt:

“Mocht partij [appellant] nieuwe of dezelfde mededelingen doen op zijn website of via e-mails met een insinuerend, misleidend, ongefundeerd of onjuist karakter dan zal hij terstond een boete verbeuren van € 10.000,00.”

Partijen zijn het erover eens dat de onder 3.1 sub (iii) en (vi) bedoelde berichten nieuwe mededelingen van [appellant] betreffen die op zijn website zijn gepubliceerd. Het hof dient derhalve te onderzoeken of de bedoelde berichten een insinuerend, misleidend, ongefundeerd of onjuist karakter hebben. Daarbij dient deze bepaling uit het proces-verbaal volgens het hof, gelet op de overige inhoud ervan en tegen de achtergrond van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland eerder tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 8 augustus 2013, op grond van de daaruit af te leiden kennelijke strekking van de bepaling in die zin te worden uitgelegd dat het moet gaan om (het voorkomen van) nieuwe mededelingen met het bedoelde karakter die betrekking hebben op [geïntimeerden] of [X] in persoon. Hiervan uitgaande oordeelt het hof omtrent de te beantwoorden hoofdvraag als volgt.

3.7.

Met betrekking tot het eerste bericht (dat van 5 juni 2014) overweegt het hof dat dit niet kan worden gekwalificeerd als insinuerend, misleidend, ongefundeerd of onjuist. [appellant] geeft in dit bericht (naar zijn zeggen: via een derde) te kennen dat hij het (achteraf) niet eens is met, althans spijt heeft van, de bereikte schikking en met de procedurele gang van zaken ter zitting. Voor een willekeurige lezer is overigens slechts duidelijk dat [appellant] kennelijk bij een procedure voor de rechter betrokken is geweest en dat die procedure niet naar zijn tevredenheid is afgelopen. Dat het bericht in technisch-juridisch opzicht niet geheel juist is geformuleerd, maakt niet dat het bericht als onjuist in de zin van de in het proces-verbaal vervatte bepaling moet worden aangemerkt. Voor een willekeurige lezer ervan is daarnaast niet duidelijk dat dit bericht betrekking heeft op een procedure van [appellant] tegen [geïntimeerden] of [X] in persoon. Enigerlei naam wordt in het bericht niet genoemd. Het stond [appellant] bovendien vrij dit bericht aldus te publiceren omdat in het proces-verbaal, anders dan in het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 8 augustus 2013, uitsluitend nieuwe mededelingen met het bedoelde karakter worden genoemd die betrekking hebben op [geïntimeerden] of [X] in persoon en daaronder niet mede worden begrepen (en/of) hun producten en/of de tussen partijen gevoerde rechtszaken. Een en ander gaat evenzeer op met betrekking tot het tweede bericht (dat van 18 en 19 juni 2014). Ook hiervoor geldt dat dit – naar de strekking ervan begrepen – op zichzelf niet onjuist is en evenmin als insinuerend, misleidend of ongefundeerd jegens [geïntimeerden] of [X] in persoon kan worden gekwalificeerd, omdat [appellant] hierin (slechts) zijn mening geeft over de gang van zaken tijdens en de uitkomst van een rechtszaak. Omdat krachtens het proces-verbaal het verbod op het doen van nieuwe mededelingen met het bedoelde karakter niet mede (en/of) betrekking had op producten en met name niet op tussen partijen gevoerde rechtszaken, stond het [appellant] op dat moment bovendien vrij mededelingen daaromtrent te doen en daarbij het proces-verbaal te publiceren. Anders dan [geïntimeerden] hebben betoogd, stond artikel 28 lid 3 Rv daaraan niet in de weg, omdat deze bepaling slechts betrekking heeft op de vraag aan wie afschriften van uitspraken door de griffier van een gerecht mogen worden verstrekt.

3.8.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat beide berichten, zowel afzonderlijk als in onderling verband en samenhang met elkaar beschouwd, niet tot de conclusie (kunnen) leiden dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan de afspraken zoals vervat in het proces-verbaal, en met name niet dat [appellant] de in het proces-verbaal genoemde boete van € 10.000,= heeft verbeurd. Hiervan uitgaande hebben [geïntimeerden] geen rechtens te respecteren belang bij tenuitvoerlegging van het proces-verbaal op die grond en levert dit dus misbruik van bevoegdheid op. Een en ander heeft tot gevolg dat grief I tot en met grief V slagen.

3.9.

De zesde grief heeft betrekking op de overwegingen en de beslissing van de voorzieningenrechter in reconventie. Deze grief bestrijdt derhalve diens eindoordeel dat voldoende grond bestaat [appellant] te gelasten – op straffe van verbeurte van een dwangsom – zich te onthouden van insinuerende, misleidende, ongefundeerde en/of onjuiste mededelingen op zijn website of via e-mails of via enig ander medium die direct betrekking hebben op [geïntimeerden] of [X] in persoon en/of op hun producten en/of op de tussen partijen gevoerde rechtszaken, waaronder dit kort geding. [appellant] heeft op deze grief een uiterst summiere toelichting gegeven, die erop neerkomt dat dit eindoordeel geen stand kan houden omdat hij zich wel degelijk aan de tussen partijen gemaakte afspraken zoals vervat in het proces-verbaal, heeft gehouden. Die enkele omstandigheid is echter onvoldoende om deze grief te doen slagen, gelet op de feiten die betrekking hebben op door [appellant] eerder op zijn website gepubliceerde teksten – en die krachtens het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland eerder tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 8 augustus 2013 vaststaan – alsmede de mededelingen die, naar onweersproken vaststaat, nadien, tot het moment van totstandkoming van het proces-verbaal, door [appellant] op zijn website zijn gepubliceerd (zie productie 2 akte inhoudende eis in reconventie tevens akte overlegging producties zijdens [geïntimeerde sub 3] in eerste aanleg). Uit die feiten maakt het hof de gevolgtrekking dat aannemelijk is dat zonder het in reconventie gegeven bevel sprake zal blijven van dreigend onrechtmatig handelen te dezer zake door [appellant], wat handhaving van een dergelijk bevel rechtvaardigt. Het hof tekent daarbij uitdrukkelijk aan dat het door het hof gehandhaafde bevel van de voorzieningenrechter, anders dan het proces-verbaal, niet alleen berichten betreft die op [geïntimeerden] of [X] in persoon betrekking hebben maar ook (en/of) op hun producten en/of op de tussen partijen gevoerde rechtszaken, waaronder dit kort geding. Het voorgaande betekent dat grief VI tevergeefs is voorgesteld.

3.10.

De laatste grief is afhankelijk van het welslagen van de overige grieven, zodat kan worden geconcludeerd dat grief VII slaagt voor zover deze betrekking heeft op het geding in conventie en faalt voor zover deze het geding in reconventie betreft.

3.11.

De slotsom luidt dat het hoger beroep ten dele slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal in conventie worden vernietigd en in reconventie worden bekrachtigd. De vordering van [appellant] in conventie zal alsnog worden toegewezen. [geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in conventie, terwijl de veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het reconventionele geding in stand blijft. Het hof ziet in de uitkomst van de procedure in appel – beide partijen worden ten dele in het ongelijk gesteld – aanleiding de proceskosten van het geding in hoger beroep te compenseren als hierna in het dictum bepaald.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen, en, in zoverre opnieuw recht doende:

a. averoordeelt [geïntimeerden] – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,= in geval van niet (behoorlijke) nakoming – om binnen 24 uur na betekening van dit arrest ABN Amro en Lindorff Credit Management B.V. te berichten dat zij niet tot openbare verkoop wensen over te gaan van de onroerende zaak, en

bbeveelt [geïntimeerden] – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,= in geval van niet (behoorlijke) nakoming – de executie van (de grosse van) het proces-verbaal te staken en gestaakt te houden;

bekrachtigt dit vonnis voor zover in reconventie gewezen;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 688,02 aan verschotten en € 816,= aan salaris advocaat;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, J.E. Molenaar en D. Kingma, en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2015 door de rolraadsheer.