Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2962

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
200.155.932-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

rijwaring in huurzaak. Geschil over betaling van een gebruiksvergoeding voor gehuurde bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.155.932/01

kenmerk rechtbank Amsterdam : CV 13-4288

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2015

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

tevens geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

tevens appellante in het incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 5 september 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 5 juni 2014 dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens is arrest gevraagd.

[appellante] heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] geheel zal afwijzen en in het incidentele appel tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen, een en ander met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft in het principale appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen en in het incidentele appel tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen en afwijzing van de vordering van [appellante], een en ander met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 30 januari 2014 onder 1.1 en 1.2 feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Op 13 juli 2012 heeft [geïntimeerde] namens de eenmanszaak [X] een

huurovereenkomst gesloten met Woningstichting Rochdale (hierna: Rochdale) met betrekking tot een bedrijfsruimte aan de [adres].

2.2.

[geïntimeerde] heeft van [appellante] een bedrag van € 5.238,32 ontvangen waarmee [geïntimeerde]

de contractueel verschuldigde waarborgsom met betrekking tot het gehuurde aan Rochdale heeft voldaan.

2.3.

Bij brief van 12 oktober 2012 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de

gemachtigde van [appellante] geschreven dat [geïntimeerde] heeft geconstateerd dat [appellante] de door [geïntimeerde] van Rochdale gehuurde bedrijfsruimte in gebruik heeft genomen en daarin zonder betrokkenheid van [geïntimeerde] een pakkettendienst exploiteert, terwijl zij hiervoor geen gebruiksvergoeding betaalt. De gemachtigde van [geïntimeerde] sommeert [appellante] om voor 16 oktober 2012 een openstaande factuur met betrekking tot huur aan de deurwaarder te betalen en om contact op te nemen om aan te geven dat zij bereid is medewerking te verlenen aan het op haar naam schrijven van de huurovereenkomst. De gemachtigde van [geïntimeerde] wijst erop dat indien [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, zij alle kosten zal verhalen op [appellante].

2.4.

Bij brief van 22 oktober 2012 aan de gemachtigde van [appellante] heeft de

gemachtigde van [geïntimeerde] de sommatie tot betaling herhaald.

2.5.

Bij brief van 30 oktober 2012 heeft de gemachtigde van [appellante] het volgende

geschreven aan de gemachtigde van [geïntimeerde]:

“Het feit dat mijn cliënt eigenhandig het bedrijfspand heeft betreden en de sloten heeft vervangen, is een uitvloeisel van het samenwerkingsverband. Mijn cliënte heeft de borg en de kosten met betrekking tot de huur van het bedrijfspand ad € 6.300 betaald. De verhuurder wil haar dit bedrag niet teruggeven en is gehouden dit bedrag van uw cliënte terug te vorderen alvorens zij het pand gaat verlaten en ter beschikking zal stellen aan uw cliënte.

Cliënte kan niet in zien dat zij aansprakelijk gesteld wordt voor schade die uw cliënte en lijdt of zal lijden met betrekking tot de ontruimingsprocedure van het bedrijfspand. Uw cliënte heeft een overeenkomst getekend met de woonstichting met betrekking tot het bedrijfspand [adres] en is gehouden de huur hiervan ook te betalen. Mijn cliënte zal de huurachterstand niet betalen, tenzij uw cliënte het bedrag ad € 6.300 aan haar terug betaald.”

2.6.

Een folder van een door [appellante] gedreven pakkettendienst vermeldt als adres van

de onderneming [adres].

2.7.

In twee op verzoek van [geïntimeerde] opgemaakte verklaringen van een ondernemer en

diens werknemer op het adres [adres] en drie bewoners op de adressen [adres], [adres] en [adres] is vermeld dat [appellante] van het gehuurde gebruik heeft gemaakt in het kader van de exploitatie van haar pakkettendienst.

2.8.

Op 30 oktober 2012 heeft Rochdale [geïntimeerde] gedagvaard. Rochdale heeft daarbij

ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd en ontruiming van het gehuurde. Daarnaast heeft Rochdale betaling van [geïntimeerde] gevorderd van achterstallige huur en gebruiksvergoeding.

2.9.

Op 30 januari 2014 is tussen Rochdale en [geïntimeerde] een eindvonnis gewezen,

waarbij de ontbinding van de huurovereenkomst is uitgesproken en [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en gebruiksvergoeding tot aan de datum van de ontruiming.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] heeft [appellante] in de procedure tussen Rochdale en [geïntimeerde] (zie 2.8 en 2.9)

in vrijwaring opgeroepen. [geïntimeerde] heeft (in conventie) gevorderd dat [appellante] zal worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de procedure tussen haar en Rochdale.

3.2.

[appellante] heeft (in reconventie) gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot

terugbetaling aan [appellante] van een bedrag van € 6.300,00 met rente en kosten.

3.3.

In het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat voldoende is

komen vast te staan dat partijen de intentie hadden om het gehuurde samen te gaan gebruiken in het kader van een samenwerkingsovereenkomst, dat [appellante] de bedrijfsruimte buiten [geïntimeerde] om alleen heeft betrokken, dat [appellante] de sloten van de deuren van het gehuurde heeft vervangen zonder [geïntimeerde] daarvan de sleutels te verschaffen, en dat derhalve redelijk is dat [appellante] [geïntimeerde] een gebruiksvergoeding ter hoogte van de huur betaalt. Omdat de ontruiming van het gehuurde volgens de kantonrechter bij adequaat handelen van [geïntimeerde] in het kader van haar schadebeperkingsplicht in ieder geval op 1 januari 2013 voltooid had kunnen zijn, heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] (slechts) deels toegewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] toegewezen tot een bedrag van € 5.238,32. De kantonrechter heeft de proceskosten in conventie en reconventie tussen partijen gecompenseerd en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellante] en [geïntimeerde] op.

In het principale appel

3.4.

In haar grief bestrijdt [appellante] dat tussen haar en [geïntimeerde] een samenwerkings-

overeenkomst bestond. Volgens [appellante] hadden partijen slechts de bedoeling ieder een eigen bedrijfje in het gehuurde op te zetten en heeft zij, [appellante], slechts ongeveer een maand van een gedeelte van het gehuurde gebruik gemaakt. Dit was waarschijnlijk van 1 augustus 2012 tot en met 1 september 2012. Daarnaast stelt [appellante] dat [geïntimeerde] het gehuurde ruim voor 1 januari 2013 had kunnen ontruimen. [appellante] dient daarom niet op te draaien voor de door [geïntimeerde] gevorderde gebruiksvergoeding voor het gehuurde, aldus steeds [appellante].

3.5.

De stelling van [appellante] dat tussen haar en [geïntimeerde] geen samenwerkings-

overeenkomst bestond valt niet te rijmen met de inhoud van de brief van de gemachtigde van [appellante] van 30 oktober 2012. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter, gezien de inhoud van die brief en de door [geïntimeerde] overgelegde folder en verklaringen (zie 2.6 en 2.7), op goede gronden geoordeeld dat tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst bestond en dat [appellante] in strijd daarmee als enige gebruik heeft gemaakt van het gehuurde, op grond waarvan [appellante] een gebruiksvergoeding aan [geïntimeerde] verschuldigd is. De inhoud van genoemde brief van 30 oktober 2012 strookt evenmin met de stelling van [appellante] dat zij slechts een maand van het gehuurde gebruik heeft gemaakt en het gehuurde reeds in september 2012 heeft verlaten. Uit die brief volgt immers dat [appellante] op dat moment - op 30 oktober 2012 - kennelijk nog gebruik maakte van het gehuurde en ook niet van zins was dat gebruik te staken. Het voorgaande geldt eveneens voor de stelling van [appellante] dat het gehuurde in ieder geval al op 1 november 2012 had kunnen worden ontruimd. Ook overigens heeft [appellante] deze stellingen niet althans niet voldoende onderbouwd noch heeft zij ten aanzien daarvan bewijs aangeboden. Dit betekent dat de door [appellante] aangevoerde grief faalt.

In het incidentele appel

3.6.

[geïntimeerde] bestrijdt in haar grief, kort gezegd, de toewijzing van de vordering van

[appellante] tot (terug)betaling door [geïntimeerde] van een bedrag van € 5.238,32. Op de stellingen van partijen zal het hof hierna, voor zover van belang, ingaan.

3.7.

Vast staat dat [geïntimeerde] een bedrag van € 5.238,32 van [appellante] heeft ontvangen,

waarmee [geïntimeerde] de met Rochdale overeengekomen waarborgsom heeft voldaan. Gesteld noch gebleken is dat de betaling van [appellante] een gift was of dat [appellante] op andere wijze te kennen heeft gegeven dat zij geen terugbetaling (meer) wenst. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat zij de huurovereenkomst voor [appellante] is aangegaan (en de betaling van de waarborgsom daarom voor rekening van [appellante] dient te blijven), maar dat blijkt uit niets. De enkele omstandigheid dat alleen [appellante] van het gehuurde gebruik heeft gemaakt, is daartoe onvoldoende. [geïntimeerde] is de huurovereenkomst met Rochdale aangegaan, zodat zij in beginsel gehouden is de overeengekomen waarborgsom te voldoen. Daar komt bij dat - naar moet worden aangenomen - [geïntimeerde] als contractante ook degene is aan wie de waarborgsom bij het einde van de huur dient te worden terugbetaald. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat de waarborgsom niet aan haar ten goede is gekomen, maar deze stelling heeft zij niet concreet onderbouwd. Het hof merkt in dit verband op dat de waarborgsom wellicht door Rochdale is verrekend met de vordering van Rochdale op [geïntimeerde], maar ook dan is de waarborgsom aan [geïntimeerde] ten goede gekomen. Het beroep van [geïntimeerde] op de redelijkheid en billijkheid leidt niet tot een andere conclusie. Dit betekent dat [geïntimeerde] voornoemd bedrag aan [appellante] dient terug te betalen. De grief van [geïntimeerde] faalt eveneens.

Slotsom

3.8.

De slotsom is dat de grieven in het principale en het incidentele appel falen. Het

vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 308,00 aan verschotten en € 632,00 voor salaris;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 316,00 voor salaris;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, J.C.W. Rang en C.M. Aarts en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2015.