Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2945

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
200.167.617-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 14 juli 2015

Zaaknummer: 200.167.617/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/577322 / JE RK 14/1612

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. A.A. Ubbergen te Amsterdam,

tegen

Leger des Heils JZ&R,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en LJR genoemd.

1.2.

De moeder is op 3 april 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 januari 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk C/13/577322 / JE RK 14/1612.

1.3.

De moeder heeft op 24 april 2015 nadere stukken ingediend.

1.4.

De zaak is op 8 juni 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de gezinsmanager, namens LJR;

- mevrouw [a], vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

- mevrouw [b], namens De Koppeling;

- mevrouw [c], transcultureel systeemtherapeut;

- de heer [d], mentor bij School2care.

1.6.

Voorafgaand aan de zitting is de na te noemen minderjarige [de minderjarige] afzonderlijk door de voorzitter, in bijzijn van de griffier, gehoord.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de moeder en […] (hierna: de vader) is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 1999. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Uit de moeder zijn eveneens geboren: [kind 1] [in] 1996 en [kind 2]. [kind 1] en [kind 2] hebben ook hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 28 januari 2009 is [de minderjarige] voor het eerst onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk tot 28 januari 2015.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van LJR, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd met ingang van 28 januari 2015 voor de duur van een jaar.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, LJR alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek, dan wel het door haar verzochte af te wijzen, dan wel de duur van de ondertoezichtstelling in te korten.

3.3.

LJR heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Nu het inleidend verzoekschrift van LJR in deze zaak is ingediend op 1 december 2014, dus voor 1 januari 2015, is ingevolge artikel 28 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek op de beoordeling daarvan het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2015. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:254 Burgerlijk Wetboek (oud) kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor de vraag of de gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn.

4.2.

De moeder meent – kort gezegd – dat de gronden voor ondertoezichtstelling ontbreken. LJR en de Raad hebben hiertegen verweer gevoerd.

Op de standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.3.

Het hoger beroep strekt er mede toe fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen. De eerste twee grieven van de moeder inhoudende dat de kinderrechter ten onrechte de beslissing heeft genomen zonder dat de moeder, dan wel haar advocaat, in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren, behoeven daarmee geen verdere bespreking

4.4.

Met betrekking tot de overige grieven van de moeder overweegt het hof als volgt.

Gebleken is dat [de minderjarige] na een periode uit huis geplaatst te zijn geweest in de Koppeling, nu weer enige tijd bij de moeder verblijft. Sinds de thuisplaatsing is de voormalige mentor van [de minderjarige] van de Koppeling in het kader van een pilot nog betrokken gebleven bij het gezin en heeft het gezin een traject gevolgd van transculturele systeemtherapie. Uit het evaluatieverslag van voornoemde therapie over de periode van december 2013 tot en met september 2014 blijkt dat er minder ruzies plaatsvinden tussen [kind 1] en [de minderjarige] en er voorts minder escalaties zijn tussen de moeder en [de minderjarige]. Bovendien heeft [de minderjarige] beter zicht op haar eigen gedrag en kan zij daarover beter praten, aldus het verslag. LJR heeft in dit kader nog naar voren gebracht dat het gezin veel baat heeft gehad bij de transculturele systeemtherapie, dat er sindsdien minder heftige escalaties in het gezin plaatsvinden, dat ruzies sneller worden bijgelegd en dat [de minderjarige] weet wat zij moet doen om tot rust te komen.

Gebleken is voorts dat [de minderjarige] vanwege haar hoge schoolverzuim op 15 september 2014 is veroordeeld tot een taakstraf. [de minderjarige] heeft deze taakstraf uitgevoerd in een bejaardentehuis, hetgeen erg goed is verlopen. [de minderjarige] is hier na uitvoering van haar taakstraf blijven werken.

Hoewel [de minderjarige] zich na de aanvang van het schooljaar 2014/2015 aanvankelijk goed heeft ingezet, is gebleken dat enige tijd later opnieuw sprake was van frequent schoolverzuim. De Raad heeft in dit kader ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zojuist opnieuw een terechtzitting heeft plaatsgevonden bij de rechtbank omtrent het schoolverzuim van [de minderjarige], aangezien [de minderjarige] in de periode van 27 augustus 2014 tot 18 februari 2015 in totaal gedurende 382 uren heeft verzuimd naar school te gaan, alsmede in totaal vijftien keren te laat op school is gekomen. Het hof acht dit feit – wat hiervan de oorzaak ook zij – zorgelijk.

Gebleken is dat thans het plan bestaat om [de minderjarige] aan te melden voor een school bij Lijn 5, alwaar zij zich gedurende enkele maanden kan bewijzen, waarna zij in principe zou kunnen doorstromen naar het ROC om daar een opleiding te volgen. Gebleken is echter dat [de minderjarige] en de moeder reeds tweemaal niet zijn verschenen bij de afspraak voor een intakegesprek bij Lijn 5, als gevolg waarvan de intake nog steeds niet heeft kunnen plaatsvinden en voornoemd plan nog niet kan worden uitgevoerd.

Het hof overweegt dat uit het voorgaande weliswaar blijkt dat zich enige positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan in de situatie van [de minderjarige], doch dat de zorgen omtrent onder meer de schoolgang van [de minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Hulpverlening is derhalve nog steeds noodzakelijk.

De moeder betoogt dat zij de hulp die zij ontvangt van de transcultureel gezinstherapeut, de ambulant hulpverlener van De Koppeling en de mentor van [de minderjarige] van School2Care toereikend acht en ook zonder ondertoezichtstelling zal blijven accepteren. Gebleken is echter dat de moeder en [de minderjarige] niet alleen niet zijn verschenen bij de intakegesprekken van Lijn 5, doch dat het zowel LJR als de Raad in de afgelopen tijd reeds meerdere malen niet is gelukt om met de moeder en [de minderjarige] in contact te komen. Naar het oordeel van het hof valt hierdoor niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre de moeder hulpverlening in een vrijwillig kader zal (blijven) accepteren, zodat het hof de betrokkenheid van LJR nog steeds noodzakelijk acht. De stelling van de moeder dat LJR in het afgelopen jaar onvoldoende heeft toegevoegd, onder meer door de vele wisselingen in de persoon van de gezinsvoogd, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof heeft de gezinsvoogd ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk gemaakt dat de oorzaak daarvan ook voor een deel bij de moeder ligt en heeft de gezinsvoogd daarnaast een afdoende verklaring gegeven voor deze wisselingen.

In het licht van het voorgaande is het hof, met LJR en de Raad, van oordeel dat de gronden voor ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans aanwezig zijn. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2015.