Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2940

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
200.164.056-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheden kantonrechter in zaken van bewind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0270
PFR-Updates.nl 2015-0253

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 14 juli 2015

Zaaknummer: 200.164.056/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/2234330/BM13-1537

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. M. van der Weide te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant wordt hierna ook [x] genoemd.

1.2.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

-[belanghebbende 1], h.o.d.n. Rappórt West Friesland, gevestigd te Heerhugowaard, hierna ook: de (voormalig) bewindvoerder;

-[…], hierna ook: [belanghebbende 2], bijgestaan door mr. C. de Bie- Koopman, advocaat te Alkmaar;

-[…], hierna ook: [belanghebbende 3];

-[…], hierna ook: [belanghebbende 4];

-[…], hierna ook: [belanghebbende 5];

-[…], hierna ook: [belanghebbende 6];

-[…], hierna ook: [belanghebbende 7].

1.3.

[x] is op 29 januari 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 december 2013 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, met kenmerk C/14/2234330/BM 13-1537.

1.4.

[belanghebbende 2] heeft op 11 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Bij brief van 21 mei 2015 heeft mr. de Bie-Koopman verzocht de heer [w] in plaats van [belanghebbende 2] de zitting te laten bijwonen en eventuele vragen te beantwoorden. Mr. van der Weide heeft bij brief van 27 mei 2015 daartegen bezwaar gemaakt. [belanghebbende 6] en [belanghebbende 4] hebben bij brieven, ingekomen op 29 mei 2015, daartegen eveneens bezwaar gemaakt. Het verzoek is door het hof afgewezen.

1.5.

[x] heeft op 28 mei 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 11 juni 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [x], bijgestaan door zijn advocaat;

- [belanghebbende 2], bijgestaan door haar advocaat;

- [belanghebbende 3];

- [belanghebbende 4];

- [belanghebbende 5];

- [belanghebbende 6];

- [belanghebbende 7].

1.8.

[belanghebbende 1] is, met bericht, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

[x] is geboren uit het huwelijk van [naam vader] (hierna ook: de vader) en [naam moeder] (hierna ook: de moeder of de rechthebbende). Verder zijn uit dat huwelijk geboren -voor zover thans relevant- [belanghebbende 2], [belanghebbende 3] en [y]. [y] is overleden en heeft vier erfgenamen, te weten: [belanghebbende 4], [belanghebbende 5], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7]. [x], [belanghebbende 2], [belanghebbende 3] en [y] worden hierna gezamenlijk aangeduid als de kinderen.

De vader is in 2006 overleden. Krachtens het testament van de vader gold een langstlevenden clausule, waarbij – voor zover hier relevant en kort samengevat - was bepaald dat de aan de kinderen uit te keren waarde van hun erfdeel opeisbaar zou zijn wanneer de moeder in een verzorgingstehuis kwam of het vrije beheer over haar vermogen geheel of ten dele zou verliezen. De vaderlijke erfdelen zijn vastgesteld op een totaalbedrag van € 229.040,-.

2.2.

Op 11 februari 2011 heeft de moeder aan [belanghebbende 2] een notariële volmacht verstrekt om -kort gezegd- haar in alle opzichten te vertegenwoordigen en al haar rechten en belangen waar te nemen en uit te oefenen. Bij schriftelijke verklaring van 15 juli 2011 heeft zij deze volmacht herroepen en een volmacht met dezelfde strekking aan [x] verstrekt.

2.3.

Op 20 juli 2011 is door de moeder een verzoek tot onderbewindstelling van haar goederen en instelling van een mentorschap ten behoeve van haarzelf ingediend.

Zij is toen (namens de kantonrechter) gehoord op 6 september 2011. Op 7 september 2011 zijn de kinderen gehoord en op 29 september 2011 wederom de moeder. Het verzoekschrift is blijkens de brief van de rechtbank Alkmaar van 5 oktober 2011 als ingetrokken beschouwd. In deze brief is vermeld dat de kantonrechter is gebleken dat de moeder wilsbekwaam is.

2.4.

In een aangifte schenkbelasting 2011 is vermeld dat de moeder op 25 augustus 2011 een schenking van € 70.000,- aan haar zoon [x] heeft gedaan. Dit bedrag is op 1 september 2011 gestort op rekening van [naam onderneming], de onderneming van [x].

2.5.

Op 1 september 2012 is de moeder verhuisd naar een verzorgingstehuis.

2.6.

Vervolgens zijn bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Alkmaar van 4 september 2012 de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder onder bewind gesteld. Als bewindvoerder is daarbij [belanghebbende 1] benoemd.

2.7.

Op 13 september 2012 heeft de (voormalig) bewindvoerder een e-mail aan [x] gestuurd met de vraag of hij de schenking van de moeder wilde omzetten in een voorschot op de erfenis.

2.8.

De moeder is op 25 juli 2014 overleden.

2.9.

Op 26 februari 2015 hebben [w] en [belanghebbende 2] (beiden executeur-testamentair van de nalatenschap van de moeder) een procedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt en verzocht -kort gezegd- voor recht te verklaren dat de schenking van de moeder aan [x] buitengerechtelijk is vernietigd op grond van een wilsgebrek, dan wel deze rechtshandeling te vernietigen, subsidiair te bepalen dat het bedrag van € 70.000,- onverschuldigd werd betaald, met veroordeling van [x] tot betaling van € 70.000,- met rente aan de boedel.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, naar het hof begrijpt, op verzoek van de (voormalig) bewindvoerder, aan hem machtiging verleend om aan de kinderen uit keren de waarde van het aan elk van hen toekomend erfdeel uit de nalatenschap van de vader, waarbij – eveneens op het daartoe strekkend verzoek van de (voormalig) bewindvoerder – is bevestigd dat de schenking van € 70.000,- van de moeder aan [x] wordt opgenomen als een voorschot op diens erfdeel op de sterfdatum van de vader.

3.2.

[x] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de bewindvoerder om bevestigd te krijgen dat de schenking van € 70.000,-, gedaan aan hem door de moeder, wordt aangemerkt als een voorschot op zijn erfdeel van de vader en daartoe een machtiging te verlenen, alsnog af te wijzen, evenals het verzoek van de bewindvoerder om een machtiging te verkrijgen om de nalatenschap van de vader te verdelen althans aan de erfgenamen te gaan uitkeren.

3.3.

[belanghebbende 2] verzoekt appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, subsidiair het hoger beroep af te wijzen en hem in de kosten van deze procedure te veroordelen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

[belanghebbende 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat [x] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep dient te worden verklaard omdat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

Het hof is van oordeel dat de zaak, gelet op de inhoud en strekking van de door de kantonrechter verleende machtiging, rechtstreeks betrekking heeft op de rechten van appellant, zodat hij als belanghebbende in de zin van de artikelen 358 lid 2 jo 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat het hier een machtigingsprocedure betreft, noch de uitspraak van de Hoge Raad van 11 januari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD4932) staat daaraan onder de gegeven omstandigheden in de weg. Het beroep van [belanghebbende 2] op de niet-ontvankelijkheid van [x] faalt daarmee in zoverre.

4.2.

Voor zover [belanghebbende 2] haar standpunt handhaaft dat appellant ook overigens in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij dat niet tijdig heeft ingediend, overweegt het hof als volgt. Vast staat dat [x] in de procedure in eerste aanleg niet is verschenen. Op grond van het bepaalde in artikel 358 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) diende hij derhalve binnen drie maanden na betekening van de beschikking, of nadat de beschikking hem op andere wijze bekend was geworden, hoger beroep in te stellen. Niet gebleken is dat de bestreden beschikking aan appellant op enig moment is betekend. Nu niet is betwist dat de beschikking hem eerst op 3 november 2014 (op andere wijze) bekend is geworden, is door het indienen van het appelschrift bij fax van 29 januari 2015, welke datum uit de stukken van het dossier blijkt, het hoger beroep tijdig ingesteld.

4.3.

De volgende vraag is echter of appellant ook belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek in hoger beroep, te weten de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de bewindvoerder af te wijzen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:449 Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt het bewind door de dood van de rechthebbende. Ingevolge artikel 1:448 lid 1 onder a BW eindigt de taak van de bewindvoerder bij het einde van het bewind.

De moeder, rechthebbende, is op 25 juli 2014 overleden zodat daarmee ingevolge de hiervoor vermelde artikelen het bewind en de taak van de bewindvoerder per die datum zijn geëindigd. Voorts staat, gelet op de door de belanghebbenden ter zitting gegeven toelichting, vast dat door de bewindvoerder geen uitvoering is gegeven aan de door de kantonrechter gegeven machtiging en dat niet tot uitkering aan de kinderen van het aan elk van hen toekomend erfdeel uit de nalatenschap van de vader is overgegaan. Onder deze omstandigheden is de machtiging van de kantonrechter thans zonder betekenis. De voormalig bewindvoerder kan immers thans geen gevolg meer geven aan de machtiging en heeft geen verdere taak meer in dezen. In die zin is er dan ook voor appellant geen belang meer gelegen in vernietiging van de bestreden beschikking.

4.5.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij toch belang heeft bij de beoordeling van de verleende machtiging omdat door de overige belanghebbenden in de thans aanhangige civiele bodemprocedure daarop een beroep wordt gedaan dan wel daarnaar wordt verwezen, kan ook dat argument niet tot een ander oordeel leiden. Ook indien immers geoordeeld zou worden dat de bestreden beschikking in stand zou moeten blijven, dan nog kunnen de overige belanghebbenden geen rechten aan die beschikking ontlenen. Een oordeel over de vraag of de schenking als voorschot op het aan [x] toekomend erfdeel uit de nalatenschap van de vader dient te worden aangemerkt, met andere woorden of er een verplichting tot inbreng van de waarde van de schenking op [x] rust, komt de kantonrechter immers niet toe, gelet op diens bevoegdheden in zaken van bewindvoering. Appellant heeft gelet op het vorenstaande geen rechtens te respecteren belang bij toewijzing van zijn verzoek. Het hof zal zijn verzoek in hoger beroep derhalve afwijzen.

4.6.

Het hof ziet, gelet op de aard van de procedure, geen aanleiding appellant in de kosten daarvan te veroordelen, zoals door [belanghebbende 2] verzocht. Dat verzoek zal eveneens worden afgewezen.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

wijst af het in hoger beroep verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.N. van de Beek en mr. J. Louwinger-Rijk in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2015.