Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2900

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
200.155.080/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appartementenrecht. Procedure van buren onderling wegens overtreding van het verbod in het Modelreglement op aanwezigheid van harde vloerbedekking. Uitleg van dat verbod. Geen misbruik van recht. Verbouwing zonder toestemming van de VvE is weliswaar verboden, maar heeft niet tot schade geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.155.080/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/543303/HA ZA 13-625

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2015

inzake

[APPELLANT SUB 1] en

[APPELLANT SUB 2],

beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,

tegen

[GEÏNTIMEERDE SUB 1] en

[GEÏNTIMEERDE SUB 2],

beiden wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. H.H. van Gaal te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 17 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] eisers en [appellanten] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte wijziging eis, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 28 mei 2015 doen bepleiten, [appellanten] door mr. J.A.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam en [geïntimeerden] door mr. Van Gaal voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellanten] hebben bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben in het principale appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarbij de vorderingen van [geïntimeerden] zijn toegewezen en alsnog de desbetreffende vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen en in het incidentele appel tot verwerping van het hoger beroep, een en ander met beslissing - uitvoerbaar bij voorraad - over de proceskosten.

[geïntimeerden] hebben in het principale appel geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep en in het incidentele appel tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij hun vorderingen zijn afgewezen en toewijzing van de desbetreffende vorderingen, zoals in hoger beroep gewijzigd, een en ander met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief I in principaal appel klagen [appellanten] dat de rechtbank de feiten selectief heeft vastgesteld. De grief faalt, omdat het de rechtbank vrij staat alleen die feiten vast te stellen die zij dragend acht voor haar beslissing. Bij zijn eigen beoordeling zal het hof rekening houden met al hetgeen door [appellanten] is aangevoerd.

2.2

De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

a. [geïntimeerden] zijn sinds 21 februari 2008 eigenaar van het appartementsrecht met betrekking tot de woning op de eerste verdieping van het pand gelegen aan het [adres]. [appellanten] zijn sinds 1 juli 2011 eigenaar van het appartementsrecht met betrekking tot de woning gelegen op de derde en vierde verdieping van dat pand.

b. De leveringsakte van [appellanten] van 1 juli 2011 vermeldt, voor zover hier

relevant:

Voormeld appartementsrecht wordt beheerst door het Reglement, zoals vermeld in een akte van splitsing in appartementsrechten op zes december tweeduizend zeven verleden (...), zoals gewijzigd bij akte van wijziging splitsingsreglement op éénentwintig februari tweeduizend acht verleden (...) en het daarin van toepassing verklaarde modelreglement. (...) Koper verklaarde met de inhoud van gemelde reglementen, waarvan hij inmiddels een exemplaar heeft ontvangen, bekend te zijn en zich daaraan bij deze volledig te onderwerpen.

c. Artikel 3 van het Modelreglement 2006 luidt, voor zover hier relevant:

Iedere eigenaar en gebruiker is aansprakelijk (...) voor onredelijke hinder voor zover deze (...) hinder aan hemzelf aan zijn huisgenoten of zijn personeel kan worden toegerekend. Hij is verplicht voor zover dit redelijk is maatregelen te nemen of te dulden die de strekking hebben bedoelde (...) hinder te voorkomen of te beperken.

d. Artikel 22 lid 3 van het Modelreglement 2006 luidt:

De eigenaars en gebruikers mogen zonder toestemming van de vergadering geen veranderingen aanbrengen in de gemeenschappelijke gedeelten of aan gemeenschappelijke zaken, ook als deze zich in privé gedeelten bevinden.

e. Artikel 23 lid 2 van het Modelreglement 2006 houdt in:

In afwijking van het in het eerste lid en het derde lid van artikel 22 bepaalde is de eigenaar die gerechtigd is tot twee of meer direct horizontaal en/of verticaal aan elkaar grenzende privé gedeelten, na verkregen toestemming van het bestuur, bevoegd om de tussen die privé gedeelten aanwezige (gemeenschappelijke) scheidingswand(en), respectievelijk (gemeenschappelijke) vloer(en) geheel of gedeeltelijk te verwijderen (…), mits deze scheidingswand(en) dan wel vloer(en) geen dragen functie heeft/hebben in de constructie van het gebouw.

(…)

Van het voornemen tot het verwijderen van dergelijke niet dragende scheidingswand(en) dan wel vloer(en) en in geval van (her)plaatsing, dient het bestuur vooraf door de desbetreffende eigenaar(s) schriftelijk in kennis te worden gesteld.

Het bestuur kan nadere eisen stellen ten aanzien van het verwijderen van de scheidingswand(en) dan wel vloer(en) en het (her)plaatsen ervan voor wat betreft afwerking, kwaliteit en (geluids-)isolatie. (…)

f. Artikel 26 van het Modelreglement 2006 luidt, na wijziging in de splitsingsakte:

1. De vloerbedekking van de privé-gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn (tenminste tapijt op ondertapijt) dat contactgeluiden voor bewoners en of gebruikers niet althans nauwelijks hoorbaar zijn.

Daarom is het niet toegestaan bijvoorbeeld parket, laminaat, linoleum, stenen, tegels

marmer, granito of andere hardachtige vloerbedekking aan te brengen.

Uitzonderingen hierop zijn:

- de toilet en doucheruimte: hier mogen stenen/marmer tegels of granito gelegd worden;

- de keukenruimte: vanwege de uitstekende geluiddempende kwaliteit mag hier uitsluitend Forbo Novilon gelegd worden mits de keukenruimte wordt belopen met zacht schoeisel.

2. Het is niet toegestaan vloerbedekking te lijmen op de ondervloer aangezien de ruimte onder de vloer bereikbaar moet blijven in verband met het aldaar aanwezige leidingwerk. (…)

g. Het door de Vereniging van Eigenaren van het gebouw Hortusplantsoen 14 (hierna: de VvE) op 2 november 2007 vastgestelde Huishoudelijk Reglement bepaalt in artikel 5 lid 2:

Onverminderd het te dier zake reeds in de Akte van Splitsing bepaalde, zijn verbouwingen door het lid/gebruiker aan gemeenschappelijke zaken (waaronder leidingwerk e.d.) en van de privé-gedeelten slechts toegestaan na verkregen schriftelijke toestemming van het bestuur van de vereniging. Het bestuur is gerechtigd vooraf en op kosten van de aanvragen bouwtechnisch advies in te winnen. (…) Indien verbouwingen die zonder voorafgaande toestemming van het bestuur hebben plaatsgevonden, leiden tot kosten voor herstel of het terugbrengen in de oorspronkelijke staat, komen deze kosten voor rekening van het desbetreffende lid.

h. Artikel 3 lid 5 van het Huishoudelijk Reglement luidt:

Behoudens in de toilet- en doucheruimte is het de leden van de appartementen op de 1e, 2e, 3e en 4e etage verboden in de privé-gedeelten harde en/of hardachtige vloerbedekking aan te brengen. Indien tapijt, in rechtstreeks contact met de ondervloer zelf niet voldoende geluidwerend vermogen bezit om loopgeluiden of andere normale woongeluiden te dempen, moet onder genoemd tapijt zogenaamd ondertapijt worden gelegd teneinde een behoorlijke geluidwerende onderlaag te verkrijgen zodat, althans met de opzet dat geluidshinder voor de overige leden uitgesloten is. (…)

De toilet- en doucheruimte: hier mogen stenen/marmer tegels of granito gelegd worden;

De keukenruimte: vanwege de uitstekende geluiddempende kwaliteit mag hier uitsluitend Forbo Novilon gelegd worden mits de keukenruimte wordt belopen met zacht schoeisel.

i. Na levering van hun appartementsrecht zijn [appellanten] gestart met een

verbouwing van het appartement, waarbij onder meer de badkamer is verplaatst en twee toiletten zijn gerealiseerd. Ook is een harde vloer aangebracht. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van de VvE.

j. Bij brief van 21 november 2011 hebben [geïntimeerden] [appellanten] gesommeerd hun appartement te voorzien van zachte vloerbedekking, een plan op te stellen om geluidshinder te beperken en de VvE toestemming te vragen voor de door hen uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden. Bij brief van 12 november 2012 heeft de raadsman van [geïntimeerden] aan (onder anderen) [appellanten] bericht dat [geïntimeerden] geluidsoverlast ondervinden vanuit het appartement van [appellanten]

k. Na het wijzen van het bestreden vonnis hebben [appellanten] in de keukenruimte Forbo Novilon en in de rest van de woning (behalve de wc en de badkamer) tapijt met ondertapijt op de harde vloerbedekking gelegd.

l. Op 11 februari 2015 heeft de Algemene Ledenvergadering van de VvE onder meer besloten de tekst van artikel 26 van het Modelreglement en artikel 3 van het Huishoudelijk Reglement te wijzigen. De wijziging komt erop neer dat iedere vloerbedekking is toegestaan mits daarmee een bepaalde minimale geluidsreductie wordt bereikt. [geïntimeerden] hebben in rechte de vernietiging van dit besluit gevorderd.

3 Beoordeling

3.1

In dit geding vorderen [geïntimeerden], kort gezegd, dat [appellanten] wordt bevolen de vloeren van hun woning op de derde en vierde verdieping te voorzien van zachte vloerbedekking, de vloer van de keuken te voorzien van Forbo Novilon, het leidingwerk in de vloeren en wanden van de derde en vierde verdieping zodanig te isoleren dat geluid niet of nauwelijks waarneembaar is en een door [geïntimeerden] aan te wijzen deskundige toegang te verlenen om een en ander te controleren, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. Aan deze vorderingen leggen [geïntimeerden] ten grondslag dat [appellanten] in strijd met het Modelreglement en het Huishoudelijk Reglement hebben gehandeld door zonder toestemming van de VvE te gaan verbouwen en de vloeren van de derde en vierde verdieping te voorzien van harde vloerbedekking. Zij stellen overlast te ondervinden van leefgeluiden en geluiden uit de leidingen in de woning van [appellanten] [appellanten] hebben betwist dat zij in strijd met het Modelreglement en het Huishoudelijk Reglement hebben gehandeld en geluidsoverlast hebben veroorzaakt.

3.2

De rechtbank heeft de vordering tot het vervangen van de vloerbedekking toegewezen, met bepaling van een dwangsom, en de overige vorderingen afgewezen. Zij heeft hiertoe, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat [geïntimeerden] met betrekking tot de vordering tot isolatie van de leidingen niet aan hun stelplicht hebben voldaan en voorts, dat het leggen van een harde vloerbedekking is strijd is met het bepaalde in artikel 26 van het Modelreglement, zoals dat moet worden uitgelegd en derhalve onrechtmatig. [geïntimeerden] maken met hun vordering volgens de rechtbank geen misbruik van recht.

3.3

Grief II in principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] door hun woning te voorzien van harde vloerbedekking in strijd met artikel 26 van het Modelreglement en onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld. [appellanten] betogen in dit verband dat de rechtbank bij de uitleg van artikel 26 een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en ten onrechte heeft nagelaten betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat de aangebrachte geluidwerende voorzieningen voorkomen dat enige geluidsoverlast kan ontstaan. Zij menen voorts dat een enkele overtreding van het Modelreglement nog geen onrechtmatig handelen oplevert. Constitutief vereiste voor het aannemen van een onrechtmatige daad is schade, in dit geval in de vorm van geluidshinder, als gevolg van de gewraakte gedraging, aldus [appellanten]

3.4

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat artikel 26 van het Modelreglement naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd en dat daarbij de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst, doorslaggevend zijn. Evenzeer met juistheid heeft de rechtbank bij die uitleg grote betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de oorspronkelijke tekst van artikel 26, waarin het aanbrengen van een harde vloer was verboden “tenzij dit geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan”, is vervangen door de huidige tekst. Uit die vervanging blijkt dat het verbod in het geldende artikel 26 absoluut bedoeld is. Een relatief verbod zoals door [appellanten] bepleit, dat wil zeggen een verbod dat niet geldt als geen geluidsoverlast wordt veroorzaakt, was immers in het vervangen artikel 26 reeds te vinden.

3.5

Het absolute karakter van het verbod blijkt ook uit de formulering van artikel 3 lid 5 van het Huishoudelijk Reglement, waarin harde of hardachtige vloerbedekking met zoveel woorden is verboden en waarin alleen met betrekking tot tapijt is voorzien in modaliteiten, afhankelijk van de geluidwerendheid.

3.6

Aan het voorgaande doet niet af dat artikel 26 van het Modelreglement ertoe strekt geluidshinder zoveel als mogelijk tegen te gaan. Dat doel kan immers worden nagestreefd met verschillende middelen, waarvan een absoluut verbod op harde vloerbedekking er een is. De omstandigheid dat met sommige vormen harde vloerbedekking een geluidwerende werking kan worden bereikt die die van (sommige vormen van) tapijt met ondertapijt overtreft, is op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat het verbod in artikel 26 niet absoluut kan zijn. Er kunnen immers valide redenen zijn om een ongenuanceerd verbod te prefereren boven een genuanceerde toestemmingsregeling. De tekst van artikel 26, mede gelezen in samenhang met artikel 3 lid 5 van het Huishoudelijk Reglement, biedt te weinig aanknopingspunt om daar die nuance ‘in te lezen’. Het hof deelt derhalve de uitleg die de rechtbank aan artikel 26 heeft gegeven.

3.7

[appellanten] zijn als appartementseigenaren en leden van de VvE gebonden aan het bepaalde in artikel 26 van het Modelreglement. Het artikel is bedoeld om de belangen van de (overige) appartementseigenaren te beschermen, zodat [geïntimeerden] zich op de overtreding kunnen beroepen en op grond van artikel 3:296 BW nakoming van die bepaling door [appellanten] kunnen vorderen. Het bestaan van onredelijke geluidshinder is daarvoor, anders dan [appellanten] menen, geen vereiste.

3.8

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief II in principaal appel tevergeefs is voorgedragen.

3.9

Met grief III in principaal appel bestrijden [appellanten] de verwerping door de rechtbank van hun stelling dat [geïntimeerden] zich met hun vordering tot het aanbrengen van zachte vloerbedekking schuldig maken aan misbruik van recht. Zij stellen dat [geïntimeerden] het door hen gestelde verminderde woongenot niet hebben gesubstantieerd, terwijl uit de door [appellanten] overgelegde bewijsstukken blijkt dat de door hen aangebrachte vloer zodanig is geconstrueerd dat geluidshinder wordt tegengegaan en in ieder geval in een hogere mate dan bij het aanbrengen van het voorgeschreven tapijt met ondertapijt het geval zou zijn. [appellanten] concluderen uit een en ander dat [geïntimeerden] geen enkel belang hebben bij hun vorderingen, ook al omdat in de woning van [geïntimeerden] niet wordt gewoond, maar alleen een praktijk wordt uitgeoefend. [appellanten] voeren ten slotte aan dat zij zelf een groot belang hebben bij het leggen van een harde vloerbedekking, omdat [appellant sub 1] lijdt aan een behoorlijk ernstige vorm van huisstofmijtallergie.

3.10

Bij de aanschaf van hun appartement hadden [appellanten] kunnen en behoren te weten dat het leggen van harde vloerbedekking niet zou zijn toegestaan. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen onder 2.2 sub b is vermeld. De omstandigheid dat, naar [appellanten] hebben aangevoerd, (de dochter van) hun rechtsvoorganger ook in strijd met het verbod handelde, kan daaraan niet afdoen. Door desalniettemin het appartement te kopen hebben [appellanten] de problemen over zichzelf afgeroepen. Dit geldt ook voor de problemen met de allergie van [appellant sub 1]. Dat leven in een woning met tapijt volstrekt onmogelijk is voor iemand met de mate van allergie die [appellant sub 1] stelt te hebben - waarvan overigens geen bewijsstukken zijn overgelegd -, is het hof ook niet gebleken.

3.11

Dat [geïntimeerden] hun woning slechts als praktijkruimte zouden gebruiken is door [appellanten] niet aangetoond of voldoende concreet te bewijzen aangeboden. Het hof kan daarvan dan ook niet uitgaan, daargelaten de relevantie van die stelling. Voorts is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] wel degelijk voldoende hebben gesubstantieerd waarin de door hen ervaren geluidsoverlast bestaat: het geluid van hard schoeisel, het schuiven met meubels, dingen die vallen. Ook hebben [geïntimeerden] terecht aangevoerd dat zij een gerechtvaardigd belang erbij hebben eventuele precedenten tegen te gaan.

3.12

[appellanten] hebben een verklaring overgelegd van een geluidsdeskundige, waarin deze heeft uiteen gezet dat de vloerconstructie die [appellanten] stellen te hebben aangelegd een grotere geluiddempende werking heeft dan sommige vormen van tapijt met ondertapijt en ook dan het voorgeschreven Forbo Novilon, wanneer dat zonder speciale ondervloer wordt gelegd. Daarnaast hebben zij een verklaring overgelegd van hun directe onderbuurman op de tweede verdieping, die inhoudt dat deze sinds de komst van [appellanten] minder geluiden hoort dan voorheen, en met name minder geluiden die via de vloer worden overgedragen, en beslist geen geluidsoverlast ondervindt. Met die verklaringen hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof echter niet voldoende aangetoond dat [geïntimeerden] geen nadeel ondervinden van de keuze van [appellanten] Het feit dat de onderbuurman van [appellanten] geen overlast ondervindt kan zijn veroorzaakt door een mindere gevoeligheid voor geluid of door een andere overdracht van geluiden via het trappenhuis. De verklaring van de deskundige is niet gebaseerd op een eigen waarneming ter plaatse. Verder bewijs is niet voldoende concreet aangeboden.

3.13

Afweging van hetgeen hiervoor is overwogen leidt het hof tot de slotsom dat niet kan worden gezegd dat [geïntimeerden] met hun vordering misbruik van recht maken. Het hof merkt in dit verband nog op dat het geen rekening kan houden met de onder 2.2 sub l. omschreven wijzigingen van het Modelreglement en het Huishoudelijk Reglement, aangezien die nog niet definitief zijn geworden.

3.14

Al met al faalt ook grief III in principaal appel.

3.15

Grief IV in principaal appel heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven van [appellanten]

3.16

Met hun grief in incidenteel appel bestrijden [geïntimeerden] de afwijzing van hun vordering tot het isoleren van de leidingen in het appartement van [appellanten] Die vordering is door de rechtbank afgewezen, omdat niet is gebleken dat [geïntimeerden] van de leidingen van [appellanten] onredelijke hinder ondervinden. Het feit dat [appellanten] hun appartement zonder toestemming van de VvE zijn gaan verbouwen is op zichzelf wel onrechtmatig, maar niet is gesteld of gebleken dat die onrechtmatige daad op zichzelf tot schade (hinder) heeft geleid, zodat de vordering ook op die grond niet voor toewijzing vatbaar is, aldus de rechtbank.

3.17

In de toelichting op hun grief beroepen [geïntimeerden] zich op het bepaalde in artikel 23 lid 2 van het Modelreglement juncto artikel 5 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement, waaruit volgens [geïntimeerden] volgt dat een eigenaar die zonder toestemming heeft gehandeld, onder meer kan worden verplicht om (het leidingwerk in) de vloerconstructie te herstellen dan wel terug te brengen in de oorspronkelijke staat, waarbij nadere eisen kunnen worden gesteld voor wat betreft (geluids-)isolatie. Voor een op artikel 3: 296 BW gegronde vordering tot nakoming van deze artikelen is geen hinder vereist, die overigens wel degelijk wordt ondervonden, aldus [geïntimeerden]

3.18

Artikel 23 lid 2 van het Modelreglement ziet op de situatie dat scheidingswanden of -vloeren tussen appartementen worden verwijderd. Die situatie doet zich hier niet voor. Wat overblijft is de terechte constatering van de rechtbank dat weliswaar [appellanten] door zonder toestemming te gaan verbouwen hebben gehandeld in strijd met artikel 22 lid 3 van het Modelreglement en met artikel 5 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement, maar niet is gesteld of gebleken dat [appellanten] als gevolg van dát onrechtmatige handelen schade hebben geleden. Uit de stellingen van [geïntimeerden] kan niet worden afgeleid dat de VvE, als [appellanten] wel om toestemming voor de verbouwing hadden gevraagd, aan de goedkeuring de voorwaarde zou hebben verbonden dat de leidingen zouden worden geïsoleerd. Daarbij komt dat [appellanten] hebben gesteld dat zij het leidingwerk niet hebben gewijzigd en [geïntimeerden] het tegendeel niet hebben aangetoond of te bewijzen aangeboden.

3.19

Voor zover [geïntimeerden] zich in dit verband nog zouden willen baseren op het verbod van onredelijke hinder (artikel 3 van het Modelreglement) geldt dat tegen hen werkt dat zij die hinder niet hebben aangetoond of voldoende concreet te bewijzen hebben aangeboden en ook niet hebben willen meewerken aan geluidsmetingen in hun appartement.

3.20

Ook de incidentele grief mist derhalve doel.

3.21

Alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] worden verwezen in de kosten van het principale appel en [geïntimeerden] in die van het incidentele appel.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 308,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 1.341,- voor salaris;

verklaart deze laatste proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in incidenteel appel meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, E.M. Polak en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2015.