Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2899

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
200.166.448/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wms. De LCG heeft een inhoudelijke uitspraak gedaan op het door de OMR aan deze voorgelegde interpretatiegeschil. De Ondernemingskamer oordeelt dat van een concreet medezeggenschapsgeschil, waarin een uitspraak van de LCG c.q. de Ondernemingskamer nog daadwerkelijke gevolgen zal/kan hebben, geen sprake meer is. Gevolg daarvan is dat de LCG de OMR ten onrechte in haar verzoek heeft ontvangen. De Ondernemingskamer verklaart de OMR daarin alsnog niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wet medezeggenschap op scholen, geldigheid: 2015-07-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0662
AR 2015/1327
ARO 2015/206
JONDR 2015/1024

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.166.448/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 13 juli 2015

inzake

HET COLLEGE VAN BESTUUR VAN STICHTING FIDARDA,

gevestigd te Oude Pekela,

VERZOEKER,

advocaat: mr. W. Lindeboom, kantoorhoudende te Den Haag,

t e g e n

DE OUDERGELEDING VAN DE MEDEZEGGENSCHAPSRAAD

VAN DE ST. ANTONIUSSCHOOL,

gevestigd te Sappemeer,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. W.D. Berkhout, kantoorhoudende te Utrecht.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen zullen hierna Fidarda en de OMR worden genoemd.

1.2

De Landelijke Commissie voor Geschillen Wms (hierna ook: de LCG) heeft bij uitspraak van 10 februari 2015, met nummer 106563, in het door de OMR aan haar voorgelegde geding tussen partijen beslist dat ‘schoolplan’ als genoemd in artikel 21 aanhef en onder b medezeggenschapsreglement en artikel 10 aanhef en onder b van de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: Wms) mede omvat de gehanteerde onderwijsmethoden en ontwikkelingmaterialen.

1.3

Fidarda heeft bij op 10 maart 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen beroepschrift met productie, aangevuld met de nadien toegezonden stukken van de procedure voor de LCG en met een brief met productie (houdende nadere gronden) ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 9 april 2015, de Ondernemingskamer verzocht

1) de OMR alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek aan de LCG van 30 november 2014;

2) althans te verklaren dat de LCG ten onrechte heeft geoordeeld dat de wijziging van een onderwijsmethode op grond van artikel 21, aanhef en onder b van het toepasselijke medezeggenschapsreglement en van artikel 10, aanhef en onder b Wms voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) behoeft;

3) althans te verklaren dat de LCG ten onrechte heeft vastgesteld dat de invoering van een andere rekenmethode op de St. Antoniusschool in Sappemeer de voorafgaande instemming van de MR behoeft;

4) althans te verklaren dat de invoering van een andere onderwijsmethode uitsluitend ter instemming aan de MR dient te worden voorgelegd indien dit gevolgen heeft voor het in het schoolplan geformuleerde onderwijskundig beleid, en de zaak terug te verwijzen naar de LCG teneinde te bepalen of de invoering van Math op de St. Antoniusschool daar aanleiding toe geeft;

5) althans voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer passend acht.

1.4

De OMR heeft bij op 18 mei 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties verzocht het verzoek van Fidarda af te wijzen.

1.5

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 28 mei 2015. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht, waarbij mr. Lindeboom zich heeft bediend van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en partijen op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties in het geding hebben gebracht.

2 De feiten

2.1

Stichting Fidarda is een organisatie voor het primair onderwijs, bestaande uit 20 scholen, waaronder de St. Antoniusschool. De St. Antoniusschool is een rooms-katholieke basisschool te Sappemeer met 287 leerlingen, verdeeld over 12 groepen. De school heeft een schoolplan dat het Ondernemingsplan 2011–2015 (hierna ook: het Ondernemingsplan) wordt genoemd. Ondernemingsplannen worden jaarlijks bijgesteld door middel van zogenoemde schooljaarplannen.

2.2

In bijlage 4 van dit Ondernemingsplan worden de door de St. Antoniusschool gebruikte methodes en materiaal opgesomd. Bij het onderdeel Rekenen-Wiskunde staat bij onder-, midden- en bovenbouw de rekenmethode Pluspunt genoemd.

2.3

In het schooljaarplan 2014/2015 is de invoering van de rekenmethode Math opgenomen. Math is, anders dan Pluspunt, een digitale rekenmethode, die er onder meer in voorziet dat kinderen, met gebruik van tablets/computers, op eigen niveau en eigen snelheid leren rekenen. Nadat in het schooljaar 2013/2014 in groep 5 van de St. Antoniusschool een pilot met het werken van Math had plaatsgevonden, is het plan voor algehele invoering van de nieuwe rekenmethode binnen de school in het voorjaar 2014 aan de MR en de Ouderadviescommissie gepresenteerd.

2.4

Artikel 21 van het medezeggenschapsreglement van Fidarda luidt onder meer:

Artikel 21 Instemmingbevoegdheid MR

Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van de MR voor de door hem voorgenomen besluiten met betrekking tot:

a. ...

b. Vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan

c. ...

d. ...

e. ...

2.5

Fidarda heeft steeds het standpunt ingenomen dat het besluit tot wijziging van de rekenmethode (van Pluspunt naar Math) niet de instemming van de MR behoeft. De MR is over dit onderwerp intern verdeeld.

2.6

De rekenmethode Math is in het schooljaar 2014/2015 voor de gehele school ingevoerd.

2.7

Bij verzoekschrift van 30 november 2014 heeft de OMR bij de LCG een interpretatiegeschil aanhangig gemaakt. De LCG heeft in haar uitspraak van 10 februari 2015, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Kwaliteitswet, overwogen dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht om de gehanteerde methoden en ontwikkelingsmaterialen op te nemen in het onderwijsprogramma, dat op zijn beurt weer deel uitmaakt van een schoolplan. Aldus staat, zo overwoog de LCG, vast dat de door de school gehanteerde methoden, waaronder de rekenmethode, deel dienen uit te maken van het schoolplan. Het voornemen om over te gaan tot het vervangen van een methode door een andere methode komt daarom neer op een voorgenomen besluit tot wijziging van het schoolplan ten aanzien waarvan de MR instemmingsrecht heeft, zo oordeelde de LCG.

3 De gronden van de beslissing

3.1

Tegen de beslissing van de LCG heeft Fidarda niet alleen inhoudelijke bezwaren aangevoerd, maar ook het formele bezwaar dat de LCG de OMR niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar verzoek, omdat bij de OMR een belang bij het verkrijgen van een bindende interpretatie ontbreekt. De Ondernemingskamer acht dit bezwaar gegrond en overweegt daartoe het volgende.

3.2

De Ondernemingskamer stelt voorop dat ook ten aanzien van het voorleggen van een interpretatiegeschil aan de LCG de eis geldt dat de verzoeker bij een zodanig verzoek een voldoende concreet belang moet hebben (vgl. het bepaalde in artikel 3:303 BW). Zoals Fidarda terecht heeft opgemerkt is het niet de bedoeling dat aan de LCG verzoeken worden gedaan tot het doen van een bindende uitspraak over de interpretatie van de Wms wanneer er helemaal geen geschil (meer) is.

3.3.1

Blijkens de in het geding gebrachte verslagen van de MR-vergaderingen bestond reeds in de vergadering van 13 mei 2014 binnen de MR verschil van mening over de vraag of de invoering van Math al dan niet een wijziging bevat van het onderwijsconcept: de lerarengeleding heeft zich op het standpunt gesteld dat de selectie van methoden een aangelegenheid is van het team samen met de directie. De oudergeleding was verdeeld: twee leden zagen de invoering van Math als een verandering in het op dat moment geldende schoolconcept/schoolvisie en waren zodoende van mening dat de MR ten aanzien van de invoering van Math instemmingsrecht toekomt, terwijl het derde lid van de MR oordeelde dat het gaat om de aanschaf van een nieuwe methode waarin de MR geen rol heeft. In die vergadering is afgesproken dat nader onderzoek naar de rechten van de MR zou plaatsvinden.

3.3.2

In de vergadering van de MR van 3 juni 2014 is geconstateerd dat de directie en een deel van de MR, ten aanzien van de betrokkenheid van de MR bij de invoering van Math, niet tot elkaar zijn gekomen en is besloten de zaak voor te leggen aan de LCG.

3.3.3

In de vergadering van de MR van 26 juni 2014 (de OMR heeft aangevoerd dat het verslag van deze vergadering nog niet is goedgekeurd maar heeft de juistheid van het relevante deel van het verslag als zodanig niet bestreden) is het schooljaarplan 2014/2015, met daarin de invoering van Math, vastgesteld. Voorts is afgesproken dat een tweetal ouders de gang naar de LCG zal maken met het doel helderheid voor de toekomst te verkrijgen ten aanzien van het instemmingsrecht bij verandering van een lesmethode. In het verslag is opgenomen:

De gang naar de Geschillencommissie heeft geen consequentie voor de invoering van Math.”

3.3.4

In het schooljaar 2014/2015 is het rekensysteem Math voor de gehele St. Antoniusschool ingevoerd.

3.3.5

In het Schooljaarverslag MR 2013/2014 d.d. oktober 2014 is omtrent de invoering van Math het volgende te lezen:

In het belang van de voortgang van het reeds ingestoken proces dat door directie en team inhoudelijk ondersteund werd, is afgesproken dat de nieuwe rekenmethode ingevoerd gaat worden onder volledige verantwoordelijkheid van directie en team. Het verschil van mening tussen de directie en een deel van de MR over de rechten van de MR bij de invoering van deze nieuwe methode is niet beslecht.”

3.3.6

Het verzoekschrift van de OMR, waarin het interpretatiegeschil aan de LCG wordt voorgelegd, is op 30 november 2014 ingediend.

3.4.

De in het beroepschrift door Fidarda ingenomen stelling dat tussen partijen niet in geding is dat de uitkomst van het interpretatiegeschil geen consequenties heeft voor de invoering van de rekenmethode Math als zodanig, is door de OMR niet bestreden. De stelling vindt bevestiging in de hiervoor onder 3.3 weergegeven gegevens en ook in hetgeen in de MR-vergadering van 28 april 2015 is besloten: uit hetgeen aan de Ondernemingskamer omtrent die vergadering is bekend gemaakt blijkt dat de invoering in ieder geval tot januari 2016 de instemming heeft van de gehele MR, met dien verstande dat de invoering in januari 2016 zal worden geëvalueerd en dat vervolgens nieuwe besluitvorming binnen de MR zal plaatsvinden.

3.5.

De juistheid van de onder 3.4 weergegeven stelling kan naar het oordeel van de Ondernemingskamer slechts tot de conclusie leiden dat van een concreet medezeggenschapsgeschil, waarin een uitspraak van de LCG c.q. de Ondernemingskamer nog daadwerkelijke gevolgen zal/kan hebben, geen sprake meer is. Gevolg daarvan is dat de LCG de OMR ten onrechte in haar verzoek heeft ontvangen.

3.6.

Aan het vorenstaande doet het bepaalde in artikel 36 lid 4 Wms niet af. Behalve toetsing van de uitspraak van de LCG aan de Wms is het tevens de taak van de Ondernemingskamer toe te zien op de naleving van algemene rechtsbeginselen, zoals het bepaalde in artikel 3:303 BW. Anders dan de OMR heeft aangevoerd is in dezen niet van belang dat voor het aangaan van een interpretatiegeschil geen wettelijke termijn geldt.

3.7.

Dat Fidarda, naar zij stelt, hinder ondervindt van de onderhavige uitspraak van de LCG, maakt dit een en ander niet anders.

3.8.

De Ondernemingskamer zal de tussen partijen gewezen uitspraak van de LCG vernietigen en de OMR alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt de Ondernemingskamer niet toe.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

vernietigt de tussen partijen gewezen uitspraak van de Landelijke Commissie Geschillen Wms van 10 februari 2015, met nummer 106563, en opnieuw rechtdoende:

verklaart de OMR alsnog niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Faber, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr G.J. Visser, raadsheren, en G.A. Cremers en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 13 juli 2015.