Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2873

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
200.161.848-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling en verrekening na ontbinding partnerschap. Partnerschapsvoorwaarden. Beperkte gemeenschap. Echtelijke woning, verrekening van de kosten van de huishouding en verrekening van overgespaarde inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 juli 2015

Zaaknummer: 200.161.848/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/19/92735 / FA RK 12-1191

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. Y. van Maarwijck te Meppel,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. H.Q.N. Renon te Assen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 21 november 2014 bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikkingen van 29 mei 2013 en 27 augustus 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, met kenmerk C/19/92735 / FA RK 12-1191.

1.3.

Bij beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2014 is de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar dit hof.

1.4.

De man heeft op 13 februari 2015 een verweerschrift in principaal hoger beroep, tevens houdende incidenteel hoger beroep en wijziging van het verzoek ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 30 maart 2015 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 7 mei 2015 nadere stukken ingediend. De man heeft op 7 en 11 mei 2015 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 21 mei 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2007 een geregistreerd partnerschap aangegaan onder het maken van partnerschapsvoorwaarden. Partijen zijn op 19 mei 2011 feitelijk uit elkaar gegaan. Hun geregistreerd partnerschap is op 26 september 2012 ontbonden door inschrijving van de ontbindingsbeschikking van 23 mei 2012 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

In de door partijen op 22 december 2006 overeengekomen partnerschapsvoorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

[…]

Artikel 1

Tussen de geregistreerde partners bestaat een beperkte gemeenschap van goederen,

waartoe behoren:

1. de volle eigendom van de woning met erf en tuin, staande en gelegen te [A] ,

[adres a] [...]

2. de volle eigendom van de woning met erf en tuin, staande en gelegen te [B] ,

[adres b] [...]

en de schuld(en) waarvoor deze registergoederen hypothecair werden of, na het aangaan deze partnerschapsvoorwaarden, worden verbonden.

In geval van realisering van vermogensbestanddelen behorende tot de beperkte gemeenschap van goederen, behoren de opbrengst en/of de wederbelegging daarvan eveneens tot die gemeenschap; hetzelfde geldt voor de schuld(en) onder hypothecair verband van registergoederen die na de inwerkingtreding van de partnerschapsvoorwaarden tot de gemeenschap zijn gaan behoren.

De comparanten sub 1 en 2 zijn ieder voor het één/tweede gedeelte in de hiervoor bedoelde beperkte gemeenschap van goederen gerechtigd.

[…]

Artikel 3

1. Onder netto-inkomen wordt in deze voorwaarden van geregistreerd partnerschap verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belasting, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen.

Premies en koopsommen voor een oudedagsvoorziening en pensioenpremies komen slechts in mindering op het inkomen indien en voorzover de partners zijn overeengekomen deze voorzieningen en pensioenrechten te verrekenen dan wel te verevenen.

[...]

3. Ingeval een partner inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid, dienen de partners, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst of het resultaat voor onttrekking aan de onderneming of hetgeen als onderneming worden aangemerkt in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld.

[...]

4. Onder inkomen worden tevens begrepen de werkelijke inkomsten uit vermogen zoals rente, huur- en pachtopbrengsten en voordelen uit effecten. Deze inkomsten worden verminderd met:

a. de redelijkerwijs daaraan toe te rekenen kosten;

b. de belasting over de rendementsgrondslag, voor zover deze is toe te rekenen aan de vermogensbestanddelen die de voordelen hebben opgeleverd, verminderd met de op die vermogensbestanddelen betrekking hebbende schulden.

[...]

5. [...]

Op het inkomen wordt in mindering gebracht hetgeen een partner aan kosten van levensonderhoud moet uitkeren aan kinderen die niet tot het gezin behoren.

Artikel 4

1. De kosten der gemeenschappelijke huishouding [...] worden door de partners gedragen naar evenredigheid van hun netto-inkomens.

Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de vermogens, naar evenredigheid van die vermogens. Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Het vorderingsrecht van de ene partner jegens de andere ter zake van het dragen in de kosten der huishouding of een belastingschuld, vervalt bij het einde van het derde kalenderjaar volgende op het jaar waarin die kosten zijn voldaan.

Artikel 5

[…]

2. Bestaat tussen de partners een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan geldt het vermoeden dat het goed aan ieder der partners voor de helft toebehoort.

[…]

Artikel 6

Premies van levens- en ongevallenverzekering worden niet beschouwd als kosten der huishouding; deze zijn een persoonlijke schuld van de partner die begunstigde is, en blijven

buiten iedere verrekening.

[...]

Artikel 7

1. De partners zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun netto-inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.

Deze samenvoeging en verdeling vindt niet plaats:

a. over perioden dat er, anders dan in onderling overleg, geen gemeenschappelijke huishouding is;

[…]

2. Voor zover de verrekening niet is uitgevoerd, blijft de verrekeningsvordering in stand. De

verrekening heeft ook betrekking op het saldo van vermogensvermeerdering en vermindering, ontstaan door belegging van niet verrekend gespaard inkomen, naar rato van de eigen investeringen. De vordering tot verrekening moet worden ingesteld binnen drie jaar na de beëindiging of de ontbinding van het geregistreerd partnerschap.

3. Indien de op grond van het hiervoor sub 1 bepaalde tot uitkering verplichte partner een bedrijf of beroep uitoefent en het uit te keren bedrag zou moeten worden onttrokken aan het bedrijfs- of beroepsvermogen, zal, voor het geval een dergelijke onttrekking in het belang van

bedoeld bedrijf of beroep niet verantwoord is, de uitkering eerst behoeven plaats te vinden zodra de betrokken partner daartoe anderszins in staat is casu quo de uitkering uit bedoeld vermogen als verantwoord kan worden aangemerkt.

Voor het geval de partners van inzicht verschillen omtrent het in de vorige alinea bepaalde, zal een hen bindende beslissing worden genomen door een door hen in onderling overleg of, indien zij het niet eens kunnen worden, door de kantonrechter van hun gemeenschappelijke woonplaats, casu quo laatste gemeenschappelijke woonplaats te benoemen deskundige. Deze deskundige zal oordelen naar recht en billijkheid, met in aanmerking neming van de bijzondere verhoudingen tussen partners en zonder aan de strikte regels van het recht te zijn gebonden. De deskundige bepaalt voor wiens rekening de door hem gedeclareerde kosten zijn.

[...]

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 27 augustus 2014 is de volgende wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap gelast:

- veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 37.949,- aan de vrouw ter zake van de verkoopopbrengst van de woning te [B] ;

- deelt de woning te [A] , de polis bij Nationale Nederlanden met nummer 3886774 en de polis bij Nationale Nederlanden met nummer 9519505 toe aan de man, onder de gelijktijdige verplichting voor de man om de aan de genoemde woning verbonden hypothecaire schuld met nummer [1] voor zijn rekening te nemen als een eigen schuld; dit alles onder de op de man rustende verplichting om de helft van het saldo van deze vermogensbestanddelen, waarbij voor de woning in aanmerking genomen wordt een waarde van € 800.000,- aan de vrouw te vergoeden.

3.2.

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen voor zover het de onderdelen betreft die zij in het hoger beroep aan het hof voorlegt en alsnog te beslissen met inachtneming van het door de vrouw in deze procedure gestelde.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de vrouw af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij:

primair: de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 27 augustus 2014 te bekrachtigen voor zover daarbij de woning (tegen een waarde van € 800.000,-) met de daarop rustende hypothecaire schuld (van € 900.000,-) aan de man wordt toegedeeld en de vorderingen van de vrouw zijn afgewezen en de beschikking voor het overige te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

  • -

    te bepalen dat de beschikking van het hof ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan de totstandkoming van de akte van verdeling van de beperkte gemeenschap/toedeling van de woning aan de man, althans ter zake een zodanige voorziening te treffen als het hof vermeent te behoren;

  • -

    de vrouw te veroordelen om in het kader van de financiële afwikkeling tussen partijen aan de man te voldoen een bedrag van € 10.212,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een door het hof te bepalen ingangsdatum, althans een door het hof te bepalen bedrag;

  • -

    en voorts, voorwaardelijk, voor het geval dat het hof zou oordelen dat de man enig bedrag aan de vrouw dient te voldoen – ex artikel 1:140 lid 1 BW (en gelet op het bepaalde in de partnerschapsvoorwaarden) te bepalen dat de man de verschuldigde som in termijnen van een jaar mag voldoen, steeds per de 1e januari van het kalenderjaar.

subsidiair en voorwaardelijk: namelijk uitsluitend voor het geval het hof oordeelt dat de woning dient te worden verkocht:

de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 27 augustus 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de man te machtigen de woning aan de [adres a] te [A] te verkopen voor een bedrag van minimaal € 800.000,- in de eerste zes maanden na datum van de onderhavige beschikking en voor de periode daarna voor ten minste € 725.000,- en te bepalen dat de beschikking van het hof ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning;

  • -

    te bepalen dat ieder van partijen voor de helft moet bijdragen in de onderwaarde van de woning en dat partijen ter gelegenheid van de eigendomsoverdracht van de woning met elkaar afrekenen, waarbij in de verrekening voorts de vordering van de man op de vrouw van € 9.393,- ter zake van de afwikkeling van de beperkte gemeenschap dient te worden betrokken, alsmede zijn vorderingen op de vrouw van € 36.365,- ter zake de inboedel en € 4.965,- ter zake van de aan de vrouw geleende bedragen, althans van die bedragen die het hof zal vermenen te behoren.

  • -

    te bepalen dat de vrouw zal dienen bij te dragen in de helft van de kosten die op de verkoop en levering zullen vallen;

  • -

    en voorts – voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof zou oordelen dat de man enig bedrag aan de vrouw dient te voldoen – ex artikel 1:140 lid 1 BW (en gelet op het bepaalde in de partnerschapsvoorwaarden) te bepalen dat de man de verschuldigde som in 5 termijnen van een jaar mag voldoen, steeds per de 1e januari van het kalenderjaar.

3.4.

De vrouw verzoekt in het incidenteel appel het verzoek af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Partijen hebben tot uitgangspunt gekozen dat de woning aan de [adres a] te [A] (hierna: de woning), waarin de man thans woont hun toebehoort. De rechtbank heeft bij beschikking van 29 mei 2013 een deskundige benoemd en een onderzoek bevolen ter beantwoording van de vraag wat de actuele waarde in vrij opleverbare staat is van de woning. Gedateerd 4 november 2013 heeft de deskundige een taxatierapport uitgebracht en aan de woning een marktwaarde toegekend van € 800.000,-. De rechtbank heeft in de eindbeschikking van 27 augustus 2014 de woning aan de man toegedeeld en bij de toedeling de voornoemde waarde in aanmerking genomen. De eerste grief van de vrouw richtte zich tegen de door de rechtbank aan de woning toegekende waarde, doch ter zitting van het hof heeft de vrouw verklaard dat deze grief als ingetrokken kan worden beschouwd en met de aan de woning toegekende waarde akkoord te kunnen gaan, zodat op de eerste grief niet meer hoeft te worden beslist.

4.2.

Naast de toedeling van de woning aan de man in de eindbeschikking van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank ook de aan de hypotheeknemer verpande polissen bij Nationale Nederlanden met nummers 3886774 en 9519505 aan de man toegedeeld en heeft de rechtbank de man verplicht om de aan de woning verbonden hypothecaire schuld met nummer [1] voor zijn rekening te nemen als zijn eigen schuld, onder de op de man rustende verplichting om de helft van het saldo van deze vermogensbestanddelen aan de vrouw te vergoeden. In haar tweede grief verzet de vrouw zich tegen de toedeling van de verpande polissen aan de man. Het betreft een levensverzekering (de polis met nummer 3886774) en een daaraan verbonden arbeidsongeschiktheidsverzekering (de polis met nummer 9519505). Deze polissen, die de vrouw reeds had afgesloten vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap, zijn ten onrechte aan de man toegedeeld, aldus de vrouw omdat ze tot haar privé vermogen behoren. De man erkent dat de polissen tot het privé vermogen van de vrouw behoren en dat de waarde ervan niet op grond van de partnerschapsvoorwaarden verrekend dient te worden. De man refereert zich dan ook aan het oordeel van het hof. Gelet daarop slaagt grief II. Het hof zal de eindbeschikking van de rechtbank in zoverre vernietigen dat de toedeling van de hiervoor bedoelde polissen ongedaan zal worden gemaakt.

4.3.

In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank heeft verzuimd aan de toedeling van de woning aan de man de voorwaarde te verbinden dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de op de woning rustende hypothecaire geldlening, alsmede dat de man aan de vrouw zal afgeven algehele onvoorwaardelijke vrijwaring ten aanzien van woning, hypotheek en eventuele andere verplichtingen, zonder enig recht op verrekening ten laste van de vrouw.

De hoogte van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bedraagt € 900.000,-. Tussen partijen bestaat geen geschil dat de vrouw moet delen in de helft van de onderwaarde en jegens de bank aansprakelijk is voor de betaling van een bedrag van € 50.000,-.

De man stelt dat hij het niet in zijn macht heeft om de bank te bewegen tot ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Hij verwacht dat de woning bij gedwongen verkoop aanzienlijk minder zal opbrengen dan het bedrag van € 800.000,- waarvoor hij nog steeds bereid is de woning toegedeeld te krijgen. Hij is bereid de vrouw te vrijwaren voor aanspraken ter zake de woning.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft de woning in de eindbeschikking van 27 augustus 2014 aan de man toegedeeld. Tegen deze toedeling heeft noch de vrouw, noch de man een grief ingediend, waarmee de toedeling aan de man op die datum vaststaat en in hoger beroep niet meer aan de orde is. De woning is gebouwd op de grond die in eigendom toebehoorde aan de vrouw en waarop een woning stond waarin de vrouw woonde. Die woning is gesloopt, waarna de woning waarover thans het geschil gaat, is gebouwd op de vrijgekomen grond. Doordat de vrouw thans nog hoofdelijk is verbonden voor de hypothecaire schuld die op de woning rust, is het voor haar op dit moment onmogelijk om een (hypothecaire) geldlening aan te gaan en toekomstplannen te maken en te realiseren, terwijl de man zich financieel kan veroorloven in de woning te blijven wonen. Die situatie acht het hof onwenselijk. Van de man mag worden verlangd dat hij bewerkstelligt dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Het hof zal aan de toedeling van de woning aan de man de voorwaarde verbinden dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldlening. Mocht de bank niet akkoord gaan met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw, dan dient de man de vrouw, gelet op zijn toezegging, te vrijwaren tegen iedere aanspraak van de hypotheeknemer ter zake de onderwaarde, nu het hof, zoals hierna zal blijken, het aandeel van de vrouw in de onderwaarde zal verrekenen met hetgeen de man aan de vrouw is verschuldigd en de vrouw, zou de man haar niet vrijwaren, dan dubbel zou betalen. In zoverre heeft de vrouw succes met haar derde grief.

4.5.

Grief IV van de vrouw gaat over de artikelen 4 en 7 van de partnerschapsvoorwaarden, kort gezegd de verrekening van de kosten van de huishouding en de verrekening van overgespaarde inkomsten gedurende het geregistreerd partnerschap. Grief 3 van de man in incidenteel hoger beroep gaat ook over de verrekening van de kosten van de huishouding, althans de overweging van de rechtbank dat partijen menen dat naast verrekening van overgespaard inkomen ook verrekening van de kosten van de huishouding dient plaats te vinden. Het hof zal voornoemde grieven gezamenlijk behandelen.

4.6.

De vrouw heeft als productie B in hoger beroep een rapport overgelegd van drs. G.B.J. Halsema RB, werkzaam als senior belastingadviseur bij De Jong & Laan, Accountants en Belastingadviseurs te Groningen en gedateerd 7 november 2014. Halsema heeft berekend dat de vrouw een vordering heeft op de man ter zake verrekening van de kosten van de huishouding en de verrekening van overgespaarde inkomsten van in totaal € 397.094,-. De man betwist een en ander gemotiveerd. Hij verwijst naar een advies van K. Hut, registeraccountant, van 12 juni 2013 waarin is berekend dat het vermogen van de man gedurende de hier relevante periode van het geregistreerd partnerschap, 2 januari 2007 tot 19 mei 2011, is afgenomen met een bedrag van € 29.778. De rechtbank heeft in de eindbeschikking van 27 augustus 2014 overwogen dat geen van beide partijen op begrijpelijke wijze gemotiveerd heeft gesteld wat per jaar de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn geweest en dat het niet de taak van de rechtbank is om op grond van de producties ter zake daarvan zelf een conclusie te trekken. Ook schijnt het de rechtbank toe dat enig schriftelijk bewijs van de voldane kosten ontbreekt. De rechtbank heeft in haar eindbeschikking eveneens geoordeeld dat partijen onvoldoende inzicht hebben gegeven in de mate waarin vermogensbestanddelen uit overgespaard inkomen zijn gevormd. De rechtbank heeft de verzoeken van partijen over en weer afgewezen voor zover zij strekken tot verrekening van de overgespaarde inkomens en kosten van de huishouding.

4.7.

De man stelt dat verrekening van de kosten van de huishouding niet meer aan de orde is omdat is gebleken dat de werkelijke omvang van de kosten van de huishouding en de bijdrage van een ieder daarin niet goed meer valt na te gaan en dat het zo is dat in het geval één van partijen minder van zijn/haar inkomen heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe hij/zij op grond van de partnerschapsvoorwaarden gehouden was en dus te veel van het inkomen onder zich heeft gehouden, een en ander zich oplost in de vaststelling van het overgespaarde inkomen dat de partijen per de peildatum (19 mei 2011) dienen te verrekenen. De man vraagt speciale aandacht voor het feit dat de vrouw, die kunstenaar is, tijdens het geregistreerd partnerschap beelden heeft vervaardigd met behulp van te verrekenen inkomsten, gelden die aan de gemeenschappelijke huishouding hadden kunnen worden besteed gelet op de zeer afwijkende wijze van investeren in het produceren van de beelden in de partnerschapsperiode vergeleken met de periode daarvoor. De vrouw betwist het gestelde op dit punt door de man.

4.8.

Het hof zal bij de bespreking van grief IV van de vrouw en grief 3 van de man tevens grief 4 van de man betrekken. In die grief stelt de man dat de rechtbank in de tussenbeschikking van 29 mei 2013 ten onrechte heeft geoordeeld dat onder het begrip ‘werkelijke inkomsten uit vermogen’ in artikel 3 lid 4 van de partnerschapsvoorwaarden de volledige inkomsten uit huuropbrengsten moeten worden verstaan en dat het deel van de huurinkomsten dat bij wijze van verplichte aflossing aan de bank moest worden afgedragen, daarvan niet is uitgezonderd.

4.9.

Partijen hebben zich jegens elkaar in artikel 7 van de partnerschapsvoorwaarden verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun netto-inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding, waarop artikel 4 van de voorwaarden ziet, in mindering is gebracht. Dat betekent dat per de peildatum (19 mei 2011) vastgesteld dient te worden wat het saldo is van ieders vermogensvermeerdering en – vermindering, ontstaan door belegging van niet verrekend gespaard inkomen, naar rato van de eigen investeringen (artikel 7 lid 2). Halsema heeft in zijn rapport per jaar aan de hand van ieders belastingaangifte uitgerekend wat het netto inkomen van partijen was, hoe hoog volgens hem de kosten van de huishouding jaarlijks waren, wie welk bedrag daarvan heeft bijgedragen en had moeten bijdragen, welk bedrag partijen dan jaarlijks alsnog moeten verrekenen en welk bedrag partijen hebben gespaard. Die methode van saldering per jaar is niet in overeenstemming met hetgeen partijen in hun partnerschapsvoorwaarden zijn overeengekomen. Voor verrekening van het overgespaarde inkomen aan het einde van het geregistreerde partnerschap dient te worden vastgesteld op de peildatum wat het vermogen van ieder van partijen feitelijk is, daarvan dient te worden afgetrokken ieders privé vermogen en dat moet worden vergeleken met dezelfde situatie bij aanvang van het geregistreerd partnerschap. De uitkomst van die rekensom geeft aan of, en zo ja, tot welk bedrag er te verrekenen overgespaard inkomen is geweest. De berekening van Halsema laat in ieder geval zien dat de vrouw, die bij de aanvang van het geregistreerd partnerschap vermogen had, zodanig erop achteruit is gegaan dat zij thans een negatief vermogen heeft en dat zij dus geen overgespaard inkomen heeft te verrekenen, hetgeen door de man niet is weersproken. De berekening van Hut laat zien dat de man weliswaar op de peildatum vermogen heeft, maar dat dat vermogen merendeels bestaat uit onroerende zaken die tot zijn privé vermogen behoren en dat zijn vermogen tijdens het geregistreerd partnerschap is afgenomen met een bedrag van € 29.778,-. Deze berekening is door de vrouw niet, althans onvoldoende betwist en biedt steun voor de stelling van de man dat hij geen overgespaarde inkomsten heeft gehad gedurende het geregistreerd partnerschap die voor verrekening in aanmerking komen. Onder die omstandigheden is de berekening van Halsema te weinig concreet en onderbouwd voor de conclusie dat de man aan het eind van het geregistreerd partnerschap op grond van de partnerschapsvoorwaarden aan de vrouw aan overgespaard inkomen in totaal € 123.733,- dient te betalen.

4.10.

De vierde grief in incidenteel hoger beroep van de man stelt de vraag aan de orde wat moet worden verstaan onder het begrip ‘werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals huuropbrengsten’ in artikel 3 lid 4 van de partnerschapsvoorwaarden. De man bepleit dat slechts het feitelijk beschikbaar inkomen uit verhuur, dus niet de aflossingen, daartoe behoren. Artikel 3 van de partnerschapsvoorwaarden bepaalt wat onder netto-inkomen in de voorwaarden wordt verstaan, namelijk het besteedbaar inkomen na betaling van belasting, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen. Tevens bepaalt dat artikel dat premies en koopsommen voor een oudedagsvoorziening en pensioenpremies slechts in mindering komen op het inkomen indien en voor zover de partners zijn overeengekomen deze voorzieningen en pensioenrechten te verrekenen dan wel te verevenen. De man stelt dat hij een aanzienlijk vermogen had toen partijen de partnerschapsvoorwaarden aangingen en dat hij dat vermogen privé wilde houden met het oog op zijn oude dag en dat het nimmer zijn bedoeling is geweest dat de vrouw aanspraak kon maken op verrekening van vermogensvorming die in de sfeer van het privé vermogen plaatsvond en dat de vrouw dat wist, hetgeen door de vrouw wordt betwist.

Het hof overweegt als volgt. Aflossingen op hypothecaire leningen leiden in beginsel tot wijziging van de samenstelling van het vermogen en zijn dus naar het oordeel van het hof geen kosten die in redelijkheid aan de verhuurde panden zijn toe te rekenen. Dat de man zich tegenover de bank reeds voor het afsluiten van de partnerschapsvoorwaarden heeft verplicht uit zijn netto inkomen aflossingen te doen, doet aan het voorgaande niet af. Indien de man bij het aangaan van de partnerschapsvoorwaarden niet wenste dat de aflossingen die hij deed op hypothecaire geldleningen uit de huuropbrengsten onderdeel uitmaakten van de in de voorwaarden bedoelde werkelijk genoten inkomsten, had hij dat uitdrukkelijk moeten uitzonderen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Voor dit oordeel put het hof ook steun uit de laatste volzin van artikel 3 lid 1 van de partnerschapsvoorwaarden. Daarin staat immers dat inkomsten die worden besteed aan, kortweg, een oudedagsvoorziening tot de overgespaarde inkomsten moeten worden gerekend. De aflossingen waarop de man zich beroept kunnen daarmee op één lijn worden gesteld. De grief van de man faalt dan ook. Voor zover de man in de vierde grief tevens betoogt dat de vrouw een enorme beeldenvoorraad heeft opgebouwd uit overgespaard inkomen en dat de waarde van die beelden eveneens verrekend moet worden, faalt ook dat betoog. De prijzen waarvoor de beelden ten verkoop worden aangeboden, vormen zonder toelichting die ontbreekt, geen bruikbaar aanknopingspunt voor de waarde van de niet verkochte beelden op de peildatum, nog daargelaten dat de man onvoldoende heeft onderbouwd om hoeveel beelden het gaat en wat de werkelijke kosten van de vrouw zijn geweest om de beelden te vervaardigen.

4.11.

Het verloop van het vermogen van partijen gedurende het geregistreerd partnerschap biedt tevens steun voor de conclusie dat partijen evenmin kosten van de huishouding dienen te verrekenen. Het rapport van Halsema geeft weliswaar een overzicht van de jaarlijkse kosten van de huishouding, maar zonder onderliggende bescheiden en onderbouwing kan op grond daarvan niet worden vastgesteld dat de vrouw ter zake een vordering op de man heeft van € 62.917,-. Halsema vermeldt in bijlage 2 bij zijn rapport dat aan de hand van rekeningnummer [2] de huishoudelijke uitgaven zijn bepaald. Vervolgens heeft Halsema de stortingen en onttrekkingen via de eigen (zakelijke) bankrekening van partijen in kaart gebracht en onderzocht hoe die geldelijke bijdragen zich verhouden met hetgeen zij overeenkomstig de partnerschapsvoorwaarden dienden bij te dragen. Welke kosten van de woning Halsema als kosten van de huishouding heeft bestempeld, wordt uit het rapport niet duidelijk. Verder zijn betalingen voor de kinderen van beide partijen uit eerdere relaties, inclusief de voor die kinderen verschuldigde alimentatie, meegenomen als kosten van de huishouding, althans voor dat deel dat is betaald vanaf de gemeenschappelijke rekening, terwijl die kosten weliswaar op de voet van artikel 3 lid 5 van de partnerschapsvoorwaarden een aparte behandeling nodig hebben, maar niet behoren tot de normale kosten van de huishouding. Dit alles maakt dat het rapport onvoldoende houvast biedt voor de conclusie die de vrouw eraan verbindt. Verder is van belang dat artikel 4 lid 1 van de partnerschapsvoorwaarden bepaalt dat voor zover de inkomens ontoereikend zijn om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding te betalen, die kosten ten laste komen van de vermogens van partijen naar evenredigheid van die vermogens. Nu beider vermogens gedurende het geregistreerd partnerschap zijn afgenomen is aannemelijk dat voor de betaling van de kosten van de huishouding de vermogens zijn aangesproken. Uit de stukken en de stellingen komt naar voren dat partijen hun financiën zodanig hebben vermengd dat op basis van de thans voorliggende bescheiden achteraf niet meer kan worden vastgesteld of en zo ja tot welk bedrag kosten van de huishouding verrekend dienen te worden. De vrouw heeft bewijs van haar stellingen aangeboden, maar nu de stellingen van de vrouw onvoldoende houvast bieden, zal het hof aan dat bewijsaanbod voorbijgaan. Grief IV van de vrouw faalt, evenals de grieven 3 en 4 van de man.

4.12.

De rechtbank heeft de man in de eindbeschikking van 27 augustus 2014 veroordeeld aan de vrouw een bedrag te betalen van € 37.949,-, te weten de helft van de opbrengst van de verkoop van een woning te [B] die de man onder zich had. De man grieft niet zozeer tegen het feit dat hij genoemd bedrag aan de vrouw verschuldigd is, maar tegen het feit dat de rechtbank dit bedrag niet heeft verrekend met bedragen die partijen over en weer aan elkaar verschuldigd zijn. Het gaat dan om navolgende bedragen:

  • -

    een door de vrouw aan de man verschuldigd bedrag van € 47.342,-. Dit bedrag stelt de man vanuit privé vermogen geïnvesteerd te hebben in de woning te [A] . Dit bedrag is tussen partijen in geschil;

  • -

    de door de vrouw te betalen onderwaarde in de aan de man toegedeelde woning te [A] , te weten een bedrag van € 50.000,-, niet in geschil;

  • -

    een bedrag van € 90.500,- dat de man van de vrouw heeft geleend, evenmin in geschil;

  • -

    de door de man verschuldigde rente op de lening van € 90.500,-, tussen partijen wel in geschil.

Voor wat betreft het bedrag van € 47.342,- beroept de man zich op bijlage 1 van het rapport van Halsema. Dit bedrag zou de man meer hebben bijgedragen vanuit privé vermogen aan de bouwkosten van de woning te [A] dan de vrouw. De vrouw stelt dat de man in zijn stukken geen goed woord over heeft voor de uitkomst van genoemd rapport en dat de man er thans een bedrag uit licht dat hem goed uitkomt, maar dat dit bedrag in de context van de berekeningen als geheel dient te worden beschouwd. Het hof volgt de vrouw in die stelling en acht het geldverkeer zoals omschreven in het rapport Halsema niet voldoende relevant voor de vaststelling dat de man een vordering op de vrouw heeft tot voornoemd bedrag. In het rapport van Halsema zijn weliswaar bedragen opgesomd die partijen kennelijk uit hun privé vermogen tijdens het geregistreerd partnerschap hebben bijgedragen aan de bouwkosten van de woning, maar of de opsomming compleet is valt zonder onderliggende bescheiden niet vast te stellen. Bovendien is in het rapport geen rekening gehouden met de inbreng van partijen in de beperkte gemeenschap bij het aangaan van het geregistreerd partnerschap en de waarde die aan die inbreng destijds diende te worden toegekend. Alleen al daarom is onvoldoende voor het voetlicht gebracht dat er inderdaad een vordering van de man op de vrouw is. Er is dan ook geen plaats voor verrekening van een bedrag van € 47.342,- zoals door de man verzocht.

De vrouw vordert van de man de geleende som groot € 90.500,- te vermeerderen met overeengekomen rente. De man stelt dat partijen bij het aangaan van de lening van € 90.500,- zijn overeen gekomen dat hij over het geleende geen rente hoefde te betalen, zodat hij slechts het nominaal geleende bedrag aan de vrouw hoeft terug te betalen. De vrouw beroept zich op de artikelen 21 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en stelt dat de overeenkomst van geldlening op schrift staat en zich bij de man in een kluis bevindt en dat de man dat stuk in deze procedure dient over te leggen. De man ontkent in het bezit te zijn van een overeenkomst van geldlening. Nu de vrouw niet heeft aangetoond dat de man in het bezit is van een overeenkomst van geldlening en daarvan evenmin bewijs heeft aangeboden, is er geen aanleiding de man te verplichten de door de vrouw bedoelde overeenkomst over te leggen en kan het hof niet ervan uitgaan dat de man vanaf de datum van geldlening aan de vrouw rente over de lening is verschuldigd, zoals berekend in het rapport van Halsema. De man voert echter geen verweer tegen de stelling van de vrouw dat zij voor het eerst bij brief van 17 november 2011 de lening heeft opgeëist. Hoewel de terugbetaling van de lening buiten de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden staat, zal het hof bij die afwikkeling wel rekening daarmee houden, gelet op de financiële verwevenheid die tussen partijen gedurende het geregistreerd partnerschap is ontstaan en de vrouw niet expliciet bezwaar maakt tegen verrekening. Het hof zal de wettelijke rente over hetgeen de man op grond van de lening aan de vrouw dient te betalen, toewijzen vanaf 25 november 2011.

4.13.

De verschuldigdheid van vorenstaande bedragen ziet er dan als volgt uit:

  • -

    de vrouw is aan de man verschuldigd een bedrag van € 50.000,- ter zake de onderwaarde in de woning;

  • -

    de man is aan de vrouw verschuldigd een bedrag van € 128.449,- te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 90.500,- vanaf 25 november 2011 tot de dag der algehele voldoening.

4.14.

Grief 5 gaat over de gezamenlijke inboedel van partijen. Nadat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan, is de vrouw aanvankelijk in de woning blijven wonen. Na een vonnis in kort geding heeft de vrouw de woning verlaten en is zij elders gaan wonen. De man heeft na het vertrek van de vrouw uit de woning een leeg huis zonder inboedel aangetroffen. Daarvan heeft een deurwaarder rapport opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. De man heeft inmiddels nieuwe inboedel aangeschaft. Ter zitting van het hof heeft hij een bedrag van € 35.000,- genoemd dat hij heeft uitgegeven aan de aanschaf van nieuwe inboedel. In zijn wijzigingsverzoek stelt hij dat hij ter zake de verduisterde inboedel een bedrag van € 36.365,- van de vrouw te vorderen heeft. De vrouw ontkent het door de man gestelde gemotiveerd. Zij stelt dat partijen bij het feitelijk uiteen gaan overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen, dat de man zijn aandeel heeft meegenomen alsmede de inboedelgoederen die aan de man toebehoorden en dat de door haar meegenomen inboedel haar eigendom was, dan wel de aan haar toegedeelde inboedel.

4.15.

Mede gelet op de omstandigheid dat de man niet heeft weersproken dat hij bij het feitelijk uiteengaan (een deel van de) inboedelgoederen heeft meegenomen, evenmin heeft aangetoond welke door de vrouw meegenomen inboedelgoederen gemeenschappelijk zijn en wat de waarde was van deze inboedelgoederen op de peildatum, heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw zijn vordering onvoldoende onderbouwd, zodat het hof deze vordering zal afwijzen. De overboeking door de man vanaf de rekening van zijn advocatenkantoor van € 7.000,- aan de vrouw met de omschrijving ‘bekend 2x’ op 10 november 2005, is tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende voor de conclusie dat de man daarmee aan de vrouw zijn aandeel in een aangekocht bed van het merk Hästens heeft voldaan en dat de waarde van dit bed op de peildatum alsnog verrekend moet worden. De stelling van de man dat de vrouw het verzochte bedrag aan hem dient te vergoeden omdat zij ondanks op de inboedelgoederen rustend maritaal beslag de inboedel uit de woning heeft verwijderd en daarmee in overeenstemming met het bepaalde in artikel 1:135 lid 3 BW haar aandeel in de inboedelgoederen heeft verspeeld, is onjuist. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat onttrekking aan maritaal beslag niet gelijk staat aan onttrekking van inboedelgoederen aan een verdeling, zodat daaraan niet de gevolgtrekking kan worden verbonden die de man daaraan kennelijk verbindt. Zijn vijfde grief loopt daarop stuk.

4.16.

De man maakt aanspraak op betaling door de vrouw van een bedrag van € 4.965,-, samengesteld uit een bedrag van € 3.600,- (bestaande uit een bedrag van € 1.800,- aan hypotheekrente over december 2011 dat hij aan de vrouw overmaakte ter betaling aan de hypotheeknemer, doch dat de vrouw verzuimde door te betalen en voor zichzelf hield, waarna de man alsnog aan de hypotheeknemer een bedrag van € 1.800,- betaalde) en een bedrag van € 1.365,- (de door hem betaalde leasetermijn van een Mercedes Cabrio in juni 2011).

Kennelijk spraken partijen na het feitelijk uiteengaan af dat zij ieder de helft van de hypotheekrente voor de woning zouden betalen en dat de man zijn aandeel aan de vrouw zou betalen, waarna de vrouw de hypotheeknemer (de bank) zou betalen, althans deze gang van zaken kan worden afgeleid uit de overgelegde bescheiden en is door de vrouw niet weersproken. Evenmin heeft de vrouw weersproken dat zij een door de man aan haar gestort bedrag van € 1.800,- aan hypotheekrente voor zichzelf heeft behouden, dat zij ook haar aandeel in de hypotheekrente over december 2011 niet aan de hypotheeknemer betaalde en dat de man daarna alsnog de totale hypotheekrente over december 2011 direct aan de bank voldeed. Dat maakt, dat gelet op de tussen partijen bestaande afspraak het verzoek van de man tot een bedrag van € 3.600,- zal worden toegewezen.

4.17.

Anders ligt dat bij het verzochte bedrag van € 1.365,-. De man heeft een grootboek bladzijde overgelegd waaruit blijkt dat hij op 28 juni 2006 blijkens de omschrijving ‘kosten mercedes voor Jozephine’ betaalde tot genoemd bedrag. Zonder nadere grondslag die ontbreekt en zonder schuldigerkenning door de vrouw, is voor toewijzing van dit bedrag geen plaats, zodat dit bedrag niet zal worden toegewezen.

4.18.

De conclusie is dat de beschikking van 27 augustus 2014 niet in stand kan blijven. Het hof zal deze beschikking grotendeels vernietigen uit overwegingen van doelmatigheid met uitzondering van de toedeling aan de man van de woning te [A] onder de gelijktijdige verplichting voor de man om de aan genoemde woning verbonden hypothecaire schuld met nummer [1] voor zijn rekening te nemen als een eigen schuld, en als volgt beslissen:

- de man zal worden veroordeeld ervoor zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypotheekschuld die op de woning rust en de man dient de vrouw te vrijwaren dat zij bij eventuele verkoop van de woning behoeft bij te dragen aan de onderwaarde van de woning;

- de man zal worden veroordeeld aan de vrouw een bedrag te betalen van € 37.949,- ter zake van de verkoopopbrengst van de woning te [B] ;

- de man zal worden veroordeeld aan de vrouw ter zake geldlening een bedrag te betalen van € 90.500,- te vermeerderen met rente;

- de vrouw zal worden veroordeeld aan de man een bedrag te betalen van € 50.000,- ter zake de hypotheekschuld op de woning te [A] ;

- de vrouw zal worden veroordeeld aan de man een bedrag te betalen van € 3.600,-.

Het hof ziet geen aanleiding te bepalen dat de man het door hem verschuldigde in termijnen zal kunnen voldoen. De man verwijst naar de partnerschapsvoorwaarden en verzoekt het door hem verschuldigde in vijf termijnen van een jaar te mogen voldoen. In de partnerschapsvoorwaarden is slechts bepaald dat indien het uit te keren bedrag zou moeten worden onttrokken aan het bedrijfs- of beroepsvermogen van de man en, voor het geval een dergelijke onttrekking in het belang van bedoeld bedrijf of beroep niet verantwoord is, de uitkering eerst zal behoeven plaats te vinden zodra de betrokken partner daartoe anderszins in staat is casu quo de uitkering uit bedoeld vermogen als verantwoord kan worden aangemerkt. De man die privé vermogen bezit, heeft niet, althans onvoldoende aangetoond, dat hij niet in staat is het aan de vrouw verschuldigde uit zijn privé vermogen te voldoen en dat het uit te keren bedrag dient te worden onttrokken aan zijn bedrijfsvermogen. Ook is er ontoereikende grond om de man op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 BW toe te staan te executeren.

4.19.

De door partijen gedane bewijsaanbiedingen passeert het hof ook overigens als niet ter zake dienend, dan wel onvoldoende concreet en/of onderbouwd.

4.20.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de bestreden beschikking van 27 augustus 2014 met uitzondering van de toedeling van de woning te [A] aan de man en de verplichting voor de man om de op de woning rustende hypothecaire schuld met nummer [1] voor zijn rekening te nemen als een eigen schuld en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 90.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 90.500,- vanaf 25 november 2011 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 37.949,-;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 50.000,-;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.600,-;

bepaalt dat de man ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de op de woning aan de [adres a] te [A] rustende hypothecaire geldlening;

bepaalt dat de man de vrouw dient te vrijwaren ter zake de op voornoemde woning bij eventuele verkoop resterende restschuld;

deelt de polissen bij Nationale Nederlanden met de nummers 3886774 en 9519505 toe aan de vrouw;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking van 29 mei 2013 voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. G.B.C.M. van der Reep en mr. G.J. Driessen - Poortvliet in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.