Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
200.157.950-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Turks-Nederlandse Agentuurovereenkomst die wordt beheerst door Nederlands recht. Beëindiging door principaal. Betaalde ‘commission’ is provisie, geen klantenvergoeding als bedoeld in art. 7:442 BW. Vordering inzake klantenvergoeding terecht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.157.950/01

rolnummer rechtbank Amsterdam : CV 13-5999

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2015

inzake

de vennootschap naar Turks recht

[…] TEKSTIL TURIZM INSAAT SANAYI TICARET Ltd. Sti,

gevestigd te Gürsa/Bursa (Turkijke),

appellante,

advocaat: mr. A.C. de Kanter te Amersfoort,

tegen

[…] INTERNATIONAL TEXTILES B.V.,

gevestigd te Naarden,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 1 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 24 april 2013, 1 april 2014 en 5 augustus 2014, onder bovenvermeld rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord.

Op 27 mei 2015 heeft op verzoek van [appellante] een comparitie van partijen plaatsgehad. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Na afloop van de comparitie is arrest bepaald.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 1 april 2014 onder het kopje Feiten de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellante] klaagt dat de kantonrechter aan de door partijen in hun Engels teksten gebruikte term commission een onjuiste althans onvolledige betekenis heeft gegeven. De betekenis die partijen daaraan hebben gegeven is - aldus [appellante] - niet alleen provisie maar ook goodwill. Op deze klacht zal hierna worden beslist. De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn voor het overige niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Samengevat en aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

( i) [appellante] is fabrikant van textielgoederen. [geïntimeerde] heeft gedurende vijftien jaar tegen beloning bemiddeld bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen [appellante] en afnemers van [appellante] in Nederland. Partijen hebben hun afspraken niet schriftelijk vastgelegd.

(ii) [appellante] heeft bij brief aan [geïntimeerde] van 8 maart 2011 laten weten dat zij een beëindiging van de relatie overweegt. [geïntimeerde] heeft bij brief aan [appellante] van 16 maart 2011 laten weten dat zij geen beëindiging van de relatie wenst en dat zij in geval van beëindiging aanspraak maakt op - voor zover in hoger beroep nog van belang - the Goodwill (…) according to the European Laws (…). Bij e-mailbericht van 16 september 2011 heeft [geïntimeerde] aan haar relaties bericht dat zij de afgelopen twee jaar van intermediair in stof meer en meer is uitgegroeid naar producent van nachtgoed, confectie en huishoudtextiel en dat zij heeft besloten om haar agentuuractiviteiten af te bouwen. Bij brief van 27 september 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] laten weten dat zij erachter is gekomen dat [appellante] al werkt met Thomas Kok als haar nieuwe (non exclusive) agent voor de Nederlandse markt, dat zij daaruit afleidt dat zij ( [appellante] ) de relatie tussen partijen inmiddels definitief heeft beëindigd en dat zij op grond daarvan betaling verlangt van all outstanding commission (over sold fabrics) till end of september 2011 en daarnaast aanspraak maakt op:

- € 168.974,70 goodwill (5% commission over average turnover from the last x 5 years);

- € 84.487,35 compensation for not respecting the legal termination term of x 6 months

--------------

€ 253.462,05

========

(iii) Bij brief van 3 oktober 2011 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven dat zij ( [geïntimeerde] ) will be getting paid for the commission amount you have entitled to. Bij brief van 4 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] daarop geantwoord, kort samengevat, dat het initiatief tot beëindiging van de relatie tussen partijen van [appellante] is uitgegaan, dat de beëindiging grote gevolgen heeft voor haar onderneming en dat zij verwacht dat [appellante] nog met een fatsoenlijk beëindigingsvoorstel komt, bij gebreke waarvan zij de zaak zal overdragen aan haar advocaat.

(iv) Op 21 oktober 2011 heeft een bespreking plaatsgehad tussen partijen. Partijen hebben toen een schriftelijk stuk ondertekend met de aanhef STATEMENT (hierna: het statement) dat inhoudt, voor zover hier van belang, dat de relatie tussen partijen met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, en dat [appellante] will pay the commission amount of (handgeschreven; hof) € 67.073,77 te betalen (handgeschreven; hof) before 7/11/11.

( v) [geïntimeerde] heeft bij e-mail van 28 november 2011 de ontvangst van dat bedrag bevestigd en aanspraak gemaakt op aanvullende betaling door [appellante] ter zake van:

* Balance payment of commission; en

* Payment of good-will,

per saldo € 363.500,-.

(vi) [appellante] heeft verdere betalingen aan [geïntimeerde] geweigerd stellende dat partijen met het statement een finale regeling hebben getroffen ter zake de financiële afwikkeling van de relatie.

3.2

[geïntimeerde] heeft bij de inleidende dagvaarding de veroordeling gevorderd van [appellante] tot betaling van bedragen voor onbetaald gelaten provisie over de jaren 2007 tot en met 2011 en voor goodwill. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld, kort samengevat, dat het statement aldus moet worden uitgelegd dat daarmee een finale regeling is getroffen aangaande de provisieaanspraken van [geïntimeerde] , maar dat het de aanspraak van [geïntimeerde] op betaling van een klantenvergoeding (goodwill) onverlet laat. Vervolgens is een comparitie van partijen gelast teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de betekenis van het bepaalde in artikel 7:442 BW voor de (omvang van de) aan [geïntimeerde] toekomende klantenvergoeding.

3.3

In het eindvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] ter zake goodwill toegewezen tot een bedrag van € 101.452,08, met rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding. Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust, komt [appellante] met dertien grieven op.

3.4

De grieven strekken allereerst tot betoog dat het statement een finale regeling inhoudt op grond waarvan [appellante] jegens [geïntimeerde] ook wat betreft de goodwill is gekweten.

3.5

Bij de beoordeling neemt het hof tot uitgangspunt dat de rechtsbetrekking tussen partijen - zo is ook niet in geschil - wordt beheerst door Nederlands recht en in het bijzonder door de artikelen 7:428 e.v. BW betreffende de agentuurovereenkomst. Op de voet van artikel 7:442 BW heeft de agent ( [geïntimeerde] ) bij het einde van de agentuurovereenkomst in beginsel recht op betaling door de principaal ( [appellante] ) van een klantenvergoeding. In het licht daarvan rusten op [appellante] de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat zij op grond van het statement van de verplichting tot betaling aan [geïntimeerde] van een klantenvergoeding is gekweten.

3.6

Vooropgesteld wordt dat het bij de uitleg van een schriftelijke afspraak zoals het statement aankomt op de betekenis die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dienaanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). [appellante] beroept zich op de bewoordingen van het statement, in het bijzonder op de daarin gebezigde term commission, waarmee partijen - aldus [appellante] - het oog hebben gehad op provisie en goodwill. [geïntimeerde] bestrijdt die uitleg.

3.7

Raadpleging van Van Dale’s Groot woordenboek Engels-Nederlands leert dat de term commission zich naar het Nederlands laat vertalen als provisie en niet ook als goodwill of klantenvergoeding. De term goodwill komt uit het Engels en heeft in het Nederlands dezelfde betekenis. Raadpleging van het Standaard Nederlands-Turks woordenboek leert dat ook het Turks geen homoniem gebruikt voor de begrippen provisie en goodwill, maar onderscheiden bewoordingen. In het licht daarvan dwingt een tekstuele uitleg van het begrip commission - ook vanuit de optiek dat partijen een verschillende moedertaal hebben - niet tot de door [appellante] bepleite lezing. Ook overigens bevat de tekst van het statement geen aanwijzingen dat partijen daarbij mede het oog hebben gehad op goodwill; er wordt evenmin gerept van finale kwijting of iets in die trant. Het hof concludeert dat het standpunt van [appellante] geen steun vindt in de bewoordingen van het statement. Dat betekent dat het voor het standpunt van [appellante] aankomt op de overige verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen.

3.8

De kantonrechter heeft te dienaanzien in het tussenvonnis van 1 april 2014 overwogen en beslist (rov. 5), dat uit de stukken van partijen niet valt af te leiden hoe het statement tot stand is gekomen, waar en wanneer wie over het statement hebben gesproken en wat in het kader van die besprekingen nog meer aan de orde is gekomen. [appellante] is bij memorie van grieven niet alsnog met een verhandeling gekomen over de totstandkoming van het statement, maar heeft betoogd dat het op de weg had gelegen van [geïntimeerde] een expliciet voorbehoud te maken ten aanzien van de goodwill, bij gebreke waarvan de goodwill geacht moet worden in het statement te zijn verdisconteerd (grief 3). Het hof leidt uit dit betoog af dat in de visie van [appellante] partijen bij de totstandkoming van het statement over en weer niets hebben verklaard over de betekenis, reikwijdte en/of strekking van het statement, en de term commission in het bijzonder. Ook overigens ontbreekt het aan aanwijzingen voor relevante verklaringen en gedragingen van partijen op dat punt. Weliswaar heeft [appellante] bij pleidooi in hoger beroep alsnog gesteld dat partijen bij de totstandkoming van het statement over drie bedragen hebben gesproken ( [geïntimeerde] maakte aanvankelijk ook nog aanspraak op de schadeloosstelling van artikel 7:441 BW), maar aan die stelling wordt op grond van de zogenoemde strenge twee-conclusieregel voorbij gegaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bedoelde stelling redelijkerwijs niet als een voortbouwen op eerder betrokken stellingen kan worden aangemerkt; integendeel, zij is met het hiervoor kort weergegeven betoog in de grieven in strijd. Los daarvan is de stelling betwist en niet concreet te bewijzen aangeboden, zodat niet kan worden vastgesteld dat de stelling waar is.

3.9

De conclusie is dat [appellante] niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat partijen met het statement ook wat betreft de goodwill een finale regeling hebben getroffen. De klacht dat [appellante] op dit punt tot bewijslevering moet worden toegelaten, is ongegrond, omdat het bewijsaanbod niet is toegespitst op voldoende specifieke en tijdig betrokken stellingen die, indien bewezen, het standpunt van [appellante] kunnen ondersteunen.

3.10

Het voorgaande betekent dat [appellante] niet door de betaling op grond van het statement van haar verplichting tot betaling van een klantenvergoeding is gekweten. Het daarnaast gevoerde verjaringsverweer (grief 4) faalt omdat het op de verkeerde rechtsopvatting berust dat de vordering is gebaseerd op de artikelen 7:439 en 440 BW. Voor de klantenvergoeding op de voet van art. 7:442 BW geldt een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:307 BW), vermits uiterlijk een jaar na de beëindiging van de relatie aanspraak op de vergoeding is gemaakt (art. 7:442 lid 3 BW); aan dat vereiste is met de eerder aangehaalde brief van [geïntimeerde] aan [appellante] van 28 november 2011 voldaan.

3.11

Daarmee is het de vraag of aan de voorwaarden van art. 7:442 BW voor een klantenvergoeding is voldaan, en zo ja, of er grond is voor (verdere) matiging van de door de kantonrechter toegewezen vergoeding ten bedrage van € 101.452,08. [appellante] heeft om te beginnen tot verweer betoogd dat het [geïntimeerde] is geweest die met haar brief van 27 september 2011 de stekker eruit heeft getrokken, oftewel de relatie heeft beëindigd.

3.12

Ingevolge art. 7:442 lid 4, aanhef en onder b, BW is geen vergoeding verschuldigd indien de relatie is beëindigd door de agent ( [geïntimeerde] ) tenzij (voor zover hier van belang) deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal ( [appellante] ) kunnen worden toegerekend. Als omstandigheden die [appellante] kunnen worden toegerekend, heeft [geïntimeerde] aangevoerd, kort samengevat, dat [appellante] ten tijde van bedoelde brief de relatie feitelijk al zo goed als beëindigd had door in zee te gaan met Tomas Kok als haar nieuwe agent en haar ( [geïntimeerde] ) in het laatste jaar 2011 niet tot nauwelijks te ondersteunen. Dit betoog vindt steun in de correspondentie tussen partijen, in het bijzonder in de eerder aangehaalde brief van [geïntimeerde] aan [appellante] van 27 september 2011. Aan de e-mail van [geïntimeerde] aan haar klanten van 16 september 2011 wordt in dit verband geen betekenis gehecht. Kennelijk was het [geïntimeerde] toen duidelijk dat de relatie met [appellante] geen toekomst meer had en heeft zij om commerciële redenen daaraan op een positief geformuleerde wijze bekendheid willen geven. Al met zijn er voldoende aanwijzingen om de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken aangaande de beëindiging voor juist te houden. Hetgeen [appellante] daartegen heeft ingebracht, weegt daar niet tegen op. De conclusie is dat zich de zojuist bedoelde situatie voordoet dat de beëindiging door [geïntimeerde] - aangenomen dat zij het is geweest die met haar brief van 27 september 2011 uiteindelijk de stekker eruit heeft getrokken - wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die [appellante] kunnen worden toegerekend. Van een verval van het recht van [geïntimeerde] op een klantenvergoeding is dus geen sprake.

3.13

De berekening van de omvang van de klantenvergoeding verloopt in drie fasen: (i) kwantificeren van de voordelen die de transacties met de door de agent aangebrachte klanten de principaal opleveren (artikel 7:442 lid 1 onder a BW); (ii) beoordelen of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, en met name gelet op de door de agent gederfde provisie (artikel 7:442 lid 1 onder b BW); en (iii) toetsen of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van art. 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat. In de rechtspraak is uitgemaakt (ECLI:NL:HR:2012:BW9865) dat het in fase (i) bedoelde voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende brutoprovisie voor de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met bedoelde klanten kan ontlenen (b) het verloop van het klantenbestand, en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd.

3.14

De kantonrechter heeft in het eindvonnis vastgesteld (rov. 6) dat [geïntimeerde] in het laatste jaar het bedrag van € 101.452,08 aan provisie heeft genoten. Dat bedrag dient het hof tot uitgangspunt als het in fase (i) bedoelde voordeel van de principaal ( [appellante] ). [appellante] heeft voor haar beroep op matiging van dat bedrag aangevoerd, kort gezegd, dat met een groot deel van de door [geïntimeerde] aangebrachte klanten de relatie inmiddels is beëindigd. Bij memorie van grieven heeft zij als productie een overzicht overgelegd waarop per klant de reden van beëindiging is vermeld; het gaat grotendeels om gevallen van bankrupt en quit working. Het hof begrijpt deze toelichting aldus dat [appellante] zich beroept op toepassing van de hiervoor onder (a), althans (b) bedoelde correctiefactoren. [appellante] heeft daarbij echter miskend dat de peildatum voor die factoren de einddatum van de relatie tussen partijen is, met dien verstande dat voor factor (a) geldt wat op dat moment aan duur van het voordeel te verwachten oftewel voorzienbaar was. Zonder toelichting die ontbreekt kan niets worden vastgesteld omtrent de duur van het voordeel dat [appellante] bij beëindiging van de relatie naar verwachting aan de transacties met genoemde klanten kon ontlenen of omtrent het verloop van het klantenbestand. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld of en zo ja in welke mate er grond is voor toepassing van bedoelde correctiefactoren; die factoren moeten daarom buiten toepassing worden gelaten. Ook overigens is het hof niet gebleken van een grond voor matiging. Dat is te minder het geval waar [geïntimeerde] in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat het door de kantonrechter vastgestelde bedrag de provisie is die in het jaar 2011 in de periode januari tot en met september, derhalve alleen in de laatste negen maanden, is genoten. Het beroep op matiging wordt verworpen.

3.15

[appellante] heeft nog geklaagd (grief 10) dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 8.001,66 wegens teveel betaalde - naar het hof begrijpt - provisie en een oninbare vordering op NCN Fashion in verband met het faillissement van deze klant. De kantonrechter heeft beslist dat met het statement wat betreft de nog openstaande provisie een finale regeling is getroffen. [appellante] is daartegen opgekomen stellende dat de finale regeling zich ook uitstrekt over de klantenvergoeding. In het voorgaande is dat standpunt verworpen. Niet valt in te zien - zoals [appellante] in dit verband lijkt te betogen - dat daarmee ook geen sprake meer is van een finale regeling ten aanzien van de nog openstaande provisie. Ook overigens is tegen bedoelde beslissing van de kantonrechter niet voldoende gemotiveerd opgekomen. Die beslissing bindt derhalve het hof. Het beroep op verrekening van het bedrag van € 8.001,66 stuit daarop af. Het beroep op een oninbare vordering op NCN Fashion stuit af op het ontbreken van een genoegzame toelichting. Gesteld noch gebleken is dat in de relatie tussen partijen de oninbaarheid van vorderingen uit transacties met door [geïntimeerde] aangebrachte klanten voor risico van [geïntimeerde] kan worden gebracht. Daarbij komt dat gesteld noch is gebleken dat de oninbaarheid van de vordering, oftewel het faillissement van NCN Fashion, bij beëindiging van de relatie tussen partijen te verwachten oftewel voorzienbaar was. De klacht faalt op beide onderdelen.

3.16

De slotsom is dat er geen grond is voor vernietiging van de bestreden vonnissen van 1 april 2014 en 5 augustus 2014. Die vonnissen zullen derhalve worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod van [appellante] wordt verworpen omdat het aangeboden bewijs niet is betrokken op stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. [appellante] zal in het hoger beroep tegen het vonnis van 24 april 2013 bij gebreke van grieven tegen dat vonnis niet ontvankelijk worden verklaard.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellante] in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 24 april 2013 niet ontvankelijk;

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 1 april 2014 en 5 augustus 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.114,- aan vast recht en € 894,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röel en L.R. van Harinxma thoe Slooten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.