Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2849

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
200.149.943-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure ten vervolge op HR 28 oktober 2011, ECLI:NLR:HR:2011:BQ7063. Vaststelling zaakschade. Deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.149.943/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/524140/HA ZA 12-1022

Arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2015

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TMF AIRMARINE B.V.,

gevestigd te Rijnwoude,

appellante in het principaal appel,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. H.M. Punt te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HELLMANN WORLDWIDE LOGISTICS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

1 Het procesverloop

Partijen worden hierna TMF en Hellmann genoemd.

TMF is bij dagvaarding van 8 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2014, onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen TMF als eiseres en Hellmann als gedaagde.

Hierna hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- een memorie van grieven van TMF, met producties;

- een memorie van antwoord van Hellmann, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met producties;

- een memorie van antwoord in incidenteel appel.

Hellman heeft bij akten van 3 juni 2014 en 20 januari 2015 een aantal voorwerpen ter griffie van het hof gedeponeerd.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 januari 2015 doen bepleiten, TMF door mr. Punt voornoemd en kantoorgenoot mr. R.A. Kaatee, en Hellmann door
mr. S.T. Dreesman, advocaat te Rotterdam, beide partijen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Hierna heeft Hellmann een akte na pleidooi genomen.

TMF heeft een antwoordakte na pleidooi genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

TMF heeft geconcludeerd dat het hof - bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest - het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

In het principaal appel heeft Hellmann geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van TMF in haar vorderingen, althans ontzegging van deze vorderingen, met beslissing over de proceskosten.

In het voorwaardelijk incidenteel appel - ingesteld onder de voorwaarde dat één of meerdere van de eerste vijf grieven van TMF slagen - heeft Hellmann geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het de overwegingen in het bestreden vonnis betreft waartegen de grieven in het incidenteel appel zich richten, met beslissing over de proceskosten.

TMF heeft in het voorwaardelijk incidenteel appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis op de punten waartegen de incidentele grieven van Hellmann zich richten, met veroordeling van Hellmann in de kosten van het incidenteel appel.

Beide partijen hebben een bewijsaanbod gedaan.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het deze zaak gewezen vonnis van 12 februari 2014 onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof ook daarvan zal uitgaan.
Aangevuld met feiten die overigens nog zijn komen vast te staan - als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende betwist -, stelt het hof de feiten, voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil, als volgt vast.

2.1

TMF (Trading Marketing Finance) is op 1 april 1988 als eenmanszaak gestart en vervolgens is in december 1993 de onderneming overgedragen aan TMF die tot doel heeft de handel in (elektronische) marine- en vliegtuigonderdelen.

2.2

Hellmann houdt zich onder meer bezig met het verzorgen van douane-, expeditie- en transportwerkzaamheden, inklaring, controle, verpakking en op- en overslag van

goederen.

2.3

Ten behoeve van TMF heeft Hellmann in het verleden de in- en export van de door TMF per luchtvervoer af te leveren goederen en de eventueel daarmee gepaard gaande douane-, expeditie- en transportwerkzaamheden verzorgd.

2.4

Op basis van een aanbod van Hellmann van 15 december 1993 heeft TMF gebruik gemaakt van een douane-entrepot (opslagruimte) van Hellmann voor de opslag van een partij vliegtuigonderdelen (hierna: de partij vliegtuigonderdelen). De partij is op 21 januari 1994 bij Hellmann op Schiphol aangenomen en vervolgens op 25 januari 1994 opgeslagen in het douane-entrepot van Hellmann te Hoofddorp.

2.5

De partij vliegtuigonderdelen was samengesteld op basis van een overeenkomst ('purchase order') die op 10 september 1993 gesloten was tussen TMF en de Duitse vennootschap AlliedSignal Aerospace GmbH (hierna: AlliedSignal). Op grond van de 'purchase order' garandeerde AlliedSignal aan TMF dat zij gedurende een periode van maximaal twee jaar alle in de ‘purchase order’ opgenomen 83 vliegtuigonderdelen zou afnemen voor de daarin genoemde prijzen. TMF zou de desbetreffende goederen in voorraad houden totdat AlliedSignal alle onderdelen had afgenomen. Als de voorraad na twee jaar nog niet geheel door AlliedSignal zou zijn afgenomen, was TMF gerechtigd het restant in één keer aan AlliedSignal te verkopen.

2.6

In de ‘purchase order’ was de minimale verkoopprijs waarvoor AlliedSignal de

onderdelen van TMF zou afnemen per onderdeel vermeld. Het totaalbedrag waarvoor

AlliedSignal de onderdelen van TMF zou kopen, beliep in 1993 voor de 83 onderdelen tezamen USD 700.986,--. De waarde van de onderdelen op basis van de in 1993 door de Original Equipment Manufacturer (hierna: OEM) gepubliceerde prijzen (de catalogusprijzen) was circa USD 1.180.000,--, derhalve ongeveer 40% meer dan de prijzen waarvoor AlliedSignal de onderdelen van TMF kon kopen.

2.7

Ter uitvoering van de 'purchase order' heeft TMF, na tussenkomst en met medewerking van AlliedSignal, de aan AlliedSignal te leveren vliegtuigonderdelen tussen 7 oktober 1993 en 13 januari 1994 voor een bedrag van USD 468.158,32 gekocht van Turbo Resources International (hierna: Turbo Resources).

2.8

Een gedeelte van de door TMF van Turbo Resources gekochte partij onderdelen is reeds vóór 21 januari 1994 op grond van de 'purchase order’ aan AlliedSignal doorverkocht. De resterende 79 vliegtuigonderdelen - waarvan de met AlliedSignal overeengekomen minimale verkoopprijs USD 558.107,76 bedroeg - zijn op 25 januari 1994 door Hellmann opgeslagen in het douane-entrepot te Hoofddorp.

2.9

Eind 1995 bleek dat AlliedSignal niet langer bereid haar afnameverplichting uit de

‘purchase order’ na te komen, op basis waarvan zij het restant voor USD 387.210,-- van TMF zou moeten afnemen. TMF heeft vervolgens een procedure tegen AlliedSignal aanhangig gemaakt in Frankfurt (hierna: de Duitse procedure). In de Duitse procedure hebben TMF en AlliedSignal op 14 augustus 1996 een vaststellings-overeenkomst gesloten, inhoudende dat AlliedSignal aan TMF een bedrag van

USD 184.739,47 zou betalen en TMF het restant van de vliegtuigonderdelen mocht behouden.

2.10

Nadat TMF op 25 maart 2004 aan Hellmann had verzocht om enkele onderdelen uit het douane-entrepot te verzenden naar de Verenigde Staten, heeft Hellmann bij brieven van 28 april 2004 en 19 mei 2004 aan TMF bericht dat alle opgeslagen vliegtuigonderdelen van TMF per ongeluk op 25 juli 2003 zijn vernietigd.

2.11

TMF heeft een procedure tegen Hellmann aanhangig gemaakt en een verklaring voor recht gevorderd dat Hellmann wanprestatie jegens haar heeft gepleegd en dat Hellmann wordt veroordeeld de dientengevolge door TMF geleden schade te vergoeden. Bij vonnis van 1 november 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering van TMF afgewezen wegens verjaring. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 7 juli 2009 dat vonnis vernietigd en voor recht verklaard dat Hellmann jegens TMF toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen geldende opslagovereenkomst door de aan TMF toebehorende goederen te vernietigen en dat Hellmann gehouden is de daaruit voortvloeiende schade, nader op te maken bij staat, aan TMF te vergoeden. De Hoge Raad heeft bij arrest van 28 oktober 2011 het cassatieberoep van Hellmann verworpen

2.12

TMF had in de periode van 21 januari 1994 tot en met 25 juli 2003 slechts een

gedeelte van de partij vliegtuigonderdelen verkocht. In 1997 heeft TMF een drietal

vliegtuigonderdelen, straalpijpen (‘nozzles’), afkomstig uit de eigen opslag van TMF en voor revisie (‘overhaul’) naar de Verenigde Staten van Amerika getransporteerd, aan de in het douane-entrepot van Hellmann opgeslagen onderdelen toegevoegd.

2.13

In opdracht van Hellmann heeft professor R. Curran (hierna: Curran) de waarde

van de vernietigde onderdelen vastgesteld. In zijn rapport van 31 maart 2011 heeft Curran de waarde bepaald op een bedrag tussen de USD 0,-- en USD 100.000,--.

2.14

TMF heeft de vervangingswaarde van de goederen ten tijde van de vernietiging

door twee deskundigen laten bepalen. De Value Resource Group (hierna: VRG) heeft in haar rapport van 13 april 2012 die waarde bepaald op USD 1.626.000 (omgerekend € 1.416.746,54). De kosten van het rapport van VRG bedragen in totaal

USD 21.088,--. De Collateral Verification (hierna: CV) heeft in haar rapport van 27 juni 2012 de waarde van de vernietigde vliegtuigonderdelen bepaald op USD 1.563.693,92 (omgerekend € 1.362.458,67). De kosten van het rapport van CV bedragen in totaal USD 5.000,--.

3 Beoordeling

3.1

In de onderhavige schadestaatprocedure heeft TMF gevorderd dat Hellmann zal worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.416.746,54, subsidiair € 1.390.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2003. Voorts heeft TMF gevorderd dat Hellmann zal worden veroordeeld in de kosten ter vaststelling van de schade ad USD 26.118,-- (kosten rapportages), alsmede € 2.867,58 aan vertaalkosten, beide posten eveneens met wettelijke rente. Ten slotte heeft TMF buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis een bedrag aan schade toegewezen van, in hoofdsom, € 175.000,--, vermeerderd met wettelijke rente. De gevorderde kosten voor vaststelling van de schade en de vertaalkosten zijn afgewezen, evenals de buitengerechtelijke incassokosten.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen richt zich het hoger beroep van TMF.

Het voorwaardelijk incidenteel appel van Hellmann is gericht tegen enkele van de overwegingen die de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd.

3.2

De grieven in het principaal appel stellen in essentie aan de orde de door de rechtbank uitgevoerde schatting van de schade van TMF, de daarbij door de rechtbank gebruikte methodiek alsmede de hoogte van die schatting aan de hand van de vaststellingsovereenkomst (USD 184.739,47).

3.3

Grief I is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de door partijen overgelegde deskundigenrapportages niet tot uitgangspunt kunnen dienen voor de vaststelling van de hoogte van de schade.
De grief faalt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Hellmann van de rapportages die TMF in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar schade, kan de schade van TMF niet zonder meer worden vastgesteld op basis van die rapportages.

3.4

Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en dat de rechtbank ten onrechte is overgaan tot het schatten van de omvang van de schade.
Deze grief slaagt. Weliswaar heeft de rechter bij schadebegroting de vrijheid om de schade te schatten, indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Dit neemt niet weg dat uitgangspunt is dat de gelaedeerde recht heeft op volledige vergoeding van zijn werkelijke schade. Dit brengt mee dat de rechter zoveel mogelijk moet aansluiten bij de vaststaande feiten. Voorts moet worden getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij objectiveerbare uitgangspunten.

Nu het in het onderhavige geval gaat om zaakschade, is niet te zien waarom het niet mogelijk zou zijn de schade nauwkeurig vast te stellen en - zonder nadere bewijslevering of inschakeling van een deskundige - zou moeten worden overgegaan tot schatting van de schade. Door het (zoveel mogelijk) nauwkeurig vaststellen van de schade wordt meer recht gedaan aan het uitgangspunt, dat TMF in de positie wordt gebracht waarin zij op 25 juli 2003 had verkeerd indien de vliegtuigonderdelen niet waren vernietigd.

3.5

Grief III is gericht tegen het door de rechtbank bij de schatting van de schade gehanteerde uitgangspunt, te weten de verwachtingen die TMF met betrekking tot de waarde van de vliegtuigonderdelen mocht hebben op grond van de in 1996 met AlliedSignal gesloten vaststellingsovereenkomst. Voorts houdt grief IV in dat de rechtbank, met toepassing van dit uitgangspunt, de schade van TMF ten onrechte heeft geschat op het verschil tussen de met AlliedSignal overeengekomen minimale verkoopprijs van USD 387.210,-- en het bedrag van USD 184.739,47 dat TMF in het kader van de vaststellingsovereenkomst van AlliedSignal heeft ontvangen. De rechtbank heeft het verschil afgerond op USD 200.000,--. Ten slotte is grief V gericht tegen de overweging van de rechtbank dat er geen zinnig woord valt te zeggen over het moment waarop de kansen van TMF uiteindelijk ten goede zouden kunnen keren, zodat er geen termen zijn om van het bedrag van USD 200.000,-- af te wijken.
Ook deze grieven slagen. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade moet als uitgangspunt worden genomen dat TMF zoveel als mogelijk is, in de toestand wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis achterwege was gebleven. De schadeveroorzakende gebeurtenis is de vernietiging van de partij vliegtuigonderdelen door Hellmann op 25 juli 2003. Niet is in te zien waarom voor de bepaling van de hoogte van die schade zou moeten worden aangeknoopt bij de verwachtingswaarde van de vliegtuigonderdelen in 1996, noch bij het bedrag dat TMF heeft ontvangen in het kader van een vaststellingsovereenkomst die zij met een derde (AlliedSignal) heeft gesloten.

3.6

Het slagen van de grieven brengt mee dat de schade van TMF thans door het hof zal moeten worden begroot. Zoals overwogen moet daarbij als uitgangspunt worden genomen dat TMF zoveel als mogelijk is in de toestand wordt gebracht, waarin zij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis van 25 juli 2003 achterwege was gebleven. Daarbij ligt het in de rede om uit te gaan van de waarde in het economisch verkeer (de marktwaarde) van de partij vliegtuigonderdelen, ten tijde van de vernietiging daarvan.

3.7

In haar akte na pleidooi heeft Hellman grief I in het voorwaardelijk incidenteel ingetrokken. Deze grief was gericht tegen r.o. 4.2 van de rechtbank, waarin is overwogen dat de vliegtuigonderdelen vóór de vernietiging in goede conditie verkeerden. Het hof zal er derhalve vanuit gaan dat de vliegtuigonderdelen vóór de vernietiging in goede conditie verkeerden.

3.8

Voor wat betreft aantal en soort van de onderdelen die deel uitmaakten van de partij vliegtuigonderdelen kan worden uitgegaan van het overzicht dat door TMF is overlegd als productie 6 bij memorie van grieven. In het overzicht zijn niet alleen de onderdelen opgenomen die deel uitmaakten (en nog niet waren verkocht) van de oorspronkelijke partij uit 1996 (zie ook het overzicht opgenomen in productie 18 inleidende dagvaarding), maar ook een drietal vliegtuigonderdelen (nozzels) die TMF in 1997 aan de in het douane-entrepot opgeslagen onderdelen heeft toegevoegd, genoemd in de facturen die in het geding zijn gebracht als producties 22 en 23.

Uit de processtukken leidt het hof af dat Hellmann op zich zelf niet betwist dat dit de voorwerpen zijn die vernietigd zijn. Ook de door Hellmann ingeschakelde Curran is, naar het hof begrijpt, uitgegaan van het genoemde overzicht (zie appendix 1 bij het rapport).

3.9

Nu het bepalen van de waarde van de vernietigde vliegtuigonderdelen deskundige kennis vereist waarover het hof niet beschikt, is het noodzakelijk dat een of meer deskundigen wordt benoemd. Het hof is voornemens de deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen:

1. Wat was op 25 juli 2003 de waarde in het economisch verkeer van de partij vliegtuigonderdelen die zich bevond in het douane-entrepot van Hellmann? U wordt verzocht daarbij uit te gaan van de onderdelen vermeld op het overzicht dat als productie 6 bij memorie van grieven door TMF in het geding is gebracht. Voorts wordt u verzocht bij de beantwoording van de vraag ervan uit te gaan dat de onderdelen zich vóór vernietiging in goede staat bevonden.

2. Heeft u verder nog opmerkingen die voor deze zaak van belang zijn?

3.10

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de concept-vraagstelling. Voorts kunnen zij zich bij akte uitlaten over aantal en persoon van de te benoemen deskundigen. Partijen wordt verzocht hierover in overleg te treden, zodat zij tot een gezamenlijk voorstel kunnen komen.

3.11

Het hof zal iedere nadere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 4 augustus 2015 voor het nemen van een akte aan de zijde van TMF, waarna Hellmann een antwoordakte kan nemen, om zich uit te laten over het vermelde bij punt 3.10;

houdt iedere nadere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H.C. van Harmelen, R.H. de Bock en

E.J. Rotshuizen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.