Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2842

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
200.144.062-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om afschrift van de genoemde bescheiden op grond van artikel 843a Rv. Aan alle vereisten van toewijzing is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.144.062/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/448685/HA ZA 10-221

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2015

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ING VASTGOED ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,
advocaat: mr. J.G.F. Rijlaarsdam te Rotterdam.

1 Het procesverloop

Partijen worden hierna de gemeente en ING genoemd.

De gemeente is bij dagvaarding van 13 maart 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2010 en 29 januari 2014, gewezen tussen ING als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, en de gemeente als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

De dagvaarding bevat tevens een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv en een voorwaardelijke incidentele vordering tot zekerheidsstelling ex artikel 235 Rv.

Hierna hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- een akte houdende producties van de gemeente;

- een memorie van antwoord in de door de gemeente opgeworpen incidenten ex artikel 351 Rv en 235 Rv van ING;

- een memorie van grieven, tevens houdende eiswijziging, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 843a Rv, met producties, van de gemeente;

- een conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv van ING;

- een akte in het incident ex artikel 843a Rv van de gemeente;

- een antwoordakte in het incident ex artikel 843a Rv van ING.

Ten slotte is arrest gevraagd in het incident ex artikel 843a Rv.

De incidenten ex artikel 351 en 235 Rv zijn doorgehaald.

In het incident heeft de gemeente gevorderd dat ING door het hof zal worden verplicht inzage te geven in of een afschrift of uittreksel te verschaffen van door haar genoemde bescheiden.

ING heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering van de gemeente, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2 De beoordeling

2.1

In de onderhavige bodemprocedure hebben ING en de gemeente over en weer vorderingen ingesteld met betrekking tot parkeergarage De Opgang (hierna: de parkeergarage) gelegen aan het Buiksloterplein te Amsterdam. Deze parkeergarage is in opdracht van ING gebouwd door bouwbedrijf [H.]. In 2008 zijn ING en de gemeente gaan onderhandelen over overdracht van de parkeergarage door ING aan de gemeente.

Door de rechtbank is in een tussenvonnis van 13 oktober 2013 geoordeeld dat tussen ING en de gemeente een koopovereenkomst tot stand is gekomen (r.o. 4.1 - 4.4.1). Een beroep op dwaling door de gemeente, strekkende tot vernietiging van de koopovereenkomst, is verworpen (r.o. 4.5 - 4.6).

Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of de gemeente gerechtigd was de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, vanwege geconstateerde gebreken aan de parkeergarage. In dat kader heeft de rechtbank een deskundigenbericht ingewonnen. Mede op basis van het deskundigenbericht heeft de rechtbank in het eindvonnis van 29 januari 2014 geoordeeld dat de tekortkomingen, gelet op de bijzondere aard en relatief geringe betekenis, een algehele ontbinding niet rechtvaardigen (r.o. 3.21). Dit heeft de rechtbank geleid tot toewijzing van de vordering van ING tot veroordeling van de gemeente tot, kort gezegd, afname van de parkeergarage onder de overeengekomen voorwaarden. Voorts is ING veroordeeld tot vergoeding aan de gemeente van schade wegens het toerekenbaar tekortkomen in haar uit de koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis tijdig een parkeergarage conform de koopovereenkomst af te leveren, op te maken bij staat.
Na het eindvonnis van de rechtbank heeft op 4 juni 2014 levering van de parkeergarage aan de gemeente plaatsgevonden.

2.2

In dit incident vordert de gemeente dat ING haar inzage zal geven in of een afschrift of uittreksel zal verschaffen van:

a. de overeenkomst tussen ING en [H.] tot het bouwen van (het complex met

daarin) de parkeergarage;

b. de bouwverslagen die tijdens de bouw van de parkeergarage, althans tijdens de looptijd van de onder a bedoelde overeenkomst zijn opgesteld;

c. overige documenten uit het bouwdossier waarin de gebreken die tijdens de bouw van de parkeergarage zijn geconstateerd (constructieve gebreken, gladde oprit, onvoldoende afschot, wateroverlast en lekkages) staan vermeld;

d. de (eerste) brief waarin ING [H.] aansprakelijk stelt voor gebreken aan de parkeergarage.

De gemeente stelt dat zij afschrift van deze bescheiden wenst omdat zij daarmee kan bewijzen dat ING wist van het bestaan van de gebreken aan de parkeergarage voorafgaand aan de koopaanbieding. De gemeente zal die wetenschap voor haar vordering uit onrechtmatige daad moeten bewijzen.

ING heeft betwist dat aan de voorwaarden voor toewijzing van de incidentele vordering van de gemeente is voldaan.

2.3

Het hof overweegt het volgende.
Artikel 843a Rv stelt voor de toewijsbaarheid van een vordering tot afschrift van of inzage in bescheiden drie cumulatieve voorwaarden:
(i) de eiser of verzoeker dient daarbij een rechtmatig belang te hebben,
(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden,
(iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.

Om te beoordelen of voldaan is aan deze voorwaarden, moeten deze in onderlinge samenhang worden beoordeeld.

2.4

De gemeente heeft voldoende omschreven van welke stukken zij afschrift wenst en waarom zij daarbij belang heeft.
Een meer exacte omschrijving en met name een precieze omschrijving van de inhoud van de stukken, zoals ING kennelijk nodig acht, kan niet van de gemeente worden gevergd en vindt ook geen steun in de rechtspraak. De bescheiden genoemd onder a, b en d betreffen specifieke, geïndividualiseerde stukken en zijn daarmee voldoende omschreven. Voor de bescheiden genoemd onder c geldt weliswaar dat zij niet individueel zijn omschreven, maar dat kan ook niet van de gemeente worden gevergd, nu zij immers niet bekend is met die stukken. Nu het redelijk is te veronderstellen dat er nadere documenten zijn waarin tijdens de bouw de gebreken aan de parkeergarage zijn omschreven en met die omschrijving de stukken ook voldoende zijn afgebakend, is in voldoende mate voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste (HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244 (Theodoor Gillissen Bankiers).
Ook het belang dat de gemeente heeft bij afgifte of inzage is door haar voldoende onderbouwd. Voor wat betreft de aannemingsovereenkomst (sub a) gaat het om de aanneemsom die ING met [H.] overeen is gekomen, zulks in verband met r.o. 3.20.1 van het eindvonnis van 29 januari 2014, waarin de rechtbank onder meer heeft overwogen:

"Herstel en onderhoud tezamen kunnen dan worden geraamd op (...) € 1.174.498,00. Dit is op zichzelf, in absolute zin, een aanzienlijke geldsom. Gerelateerd aan de, commerciële, koopprijs van de parkeergarage van € 14.450.000,00 gaat het om 8,1 % van de koopprijs. Deze prijs is voor een belangrijk deel bepaald door de verwachte exploitatieopbrengsten (...). Zoals de Gemeente terecht stelt, zou dit percentage hoger uitvallen wanneer herstel en onderhoud zouden worden gerelateerd aan de lagere - in dit geding niet bekende - kostprijs van de parkeergarage."

Gelet op deze overweging - die gelezen moet worden in het kader van de beoordeling van de vraag of de gebreken aan de parkeergarage de ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigen - is het denkbaar dat in hoger beroep opnieuw aan de orde komt wat de verhouding is van de herstelkosten tot de kostprijs van de garage. Wat in de aanneemovereenkomst daarover is opgenomen, kan in dit verband relevant zijn.
Voor wat betreft de overige stukken (sub b, c en d) geldt dat zij alle betrekking hebben op de vraag of ING de gemeente voorafgaand aan de koopaanbieding voldoende heeft geïnformeerd over de gebreken. Daarmee heeft de gemeente ook bij inzage in deze stukken voldoende belang.

2.5

Door ING is voorts aangevoerd dat de gemeente geen aanspraak kan maken op afgifte van of inzage in de bescheiden, omdat zij geen partij is bij de rechtsbetrekking tussen ING en [H.]. Dit verweer gaat niet op. De omstandigheid dat de gemeente in de onderhavige procedure met ING strijdt over - in essentie - de gebreken aan de parkeergarage, die door [H.] in opdracht van ING is gebouwd en waarbij aannemelijk is dat tussen ING en [H.] de gebreken aan de garage op zijn minst onderwerp van gesprek zijn geweest, is voldoende grond voor het oordeel dat de bescheiden waarvan de gemeente afschrift vordert zien op een rechtsbetrekking waarbij (ook) de gemeente partij is in de zin van artikel 843a Rv (vergelijk HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244 (Theodoor Gillissen Bankiers).

2.6

ING heeft niet aangevoerd dat aan haar zijde sprake is van gewichtige redenen, op grond waarvan zij niet gehouden kan worden tot afgifte van of inzage in de genoemde bescheiden.

2.7

Het betoog van ING dat de gemeente geen aanspraak kan maken op afgifte van of inzage in de genoemde bescheiden omdat zij de betreffende informatie eerst via getuigenverhoren moet zien te verkrijgen, verwerpt het hof. De kwesties waarom het gaat lenen zich bij uitstek voor opheldering door middel van - primair - raadpleging van de genoemde schriftelijke bescheiden. Eventueel kunnen daarna nog getuigenverhoren plaatsvinden. ING heeft bovendien niet (gemotiveerd) aangevoerd dat het verstrekken van afgifte van of inzage in de betreffende bescheiden onredelijk belastend of omslachtig voor haar is of om andere redenen niet van haar kan worden gevergd. Er is dan ook geen goede grond om van de gemeente te verlangen dat zij de in de bescheiden vervatte informatie door middel van het horen van getuigen zou moeten verzamelen.
Ook kan ING niet worden gevolgd in haar betoog dat de gemeente geen aanspraak kan maken op afgifte van of inzage in de bescheiden omdat zij eerst moet afwachten of op de betreffende punten bewijslevering noodzakelijk wordt geacht. Dat dit vereiste geldt, kan noch uit de wet noch uit de rechtspraak worden afgeleid. Dat de gemeente voldoende belang heeft bij haar vordering is hiervoor reeds aan de orde gekomen.
Hetgeen ING overigens nog heeft aangevoerd vormt evenmin grond voor afwijzing van het verzoek van de gemeente.

2.8

Voor zover ING nog zou willen betogen dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat zij, ING, beschikt over de gevraagde bescheiden, kan dat betoog niet leiden tot afwijzing van het verzoek of afgifte van of inzage in de bescheiden, nu ING niet gemotiveerd stelt dat zij níet beschikt over de bedoelde bescheiden. Het ligt ook in de rede dat zij die gegevens onder zich heeft.

2.9

Het voorgaande leidt tot toewijzing van het verzoek van de gemeente. Nu ING, als overwogen, niet heeft aangevoerd dat het verstrekken van afschriften van de genoemde bescheiden voor haar niet mogelijk is of gepaard gaat met disproportionele kosten of inspanningen, zal het hof haar opdragen de genoemde bescheiden binnen vier weken na dit arrest in afschrift aan de gemeente ter beschikking te stellen.
Een beslissing over de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot een beslissing daarover in de hoofdzaak.

3 Beslissing

Het hof:

draagt ING op om binnen vier weken na het wijzen van dit arrest aan de gemeente afschrift te verstrekken van:

a. de overeenkomst tussen ING en [H.] tot het bouwen van (onder meer) de parkeergarage;

b. de bouwverslagen die tijdens de bouw van de parkeergarage, althans tijdens de looptijd van de onder a bedoelde overeenkomst zijn opgesteld;

c. overige documenten uit het bouwdossier waarin de gebreken die tijdens de bouw van de parkeergarage zijn geconstateerd (constructieve gebreken, gladde oprit, onvoldoende afschot, wateroverlast en lekkages) staan vermeld;

d. de (eerste) brief waarin ING [H.] aansprakelijk stelt voor gebreken aan de parkeergarage.

verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2015 voor verder procederen in de hoofdzaak;

houdt een beslissing omtrent de kosten van dit incident aan tot de uitspraak in de hoofdzaak.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, R.H. de Bock en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.