Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2836

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
200.115.508-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia, eindarrest na tussenarrest waarin appellant in de gelegenheid is gesteld tot het leveren van tegenbewijs. Het hof komt tot het oordeel dat de bevoegdheid tot vernietiging van de echtgenote van appellant is verjaard. Zie ECLI:NL:GHAMS:2014:3969.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.115.508/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 1110417 DX EXPL 09-658

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2015

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en Dexia genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 23 september 2014 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt naar dit arrest verwezen.

Bij genoemd arrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands als bewezen aangenomen feit dat zijn echtgenote […] (hierna: [X]) meer dan drie jaar voordat zij deze buitengerechtelijk heeft vernietigd met het bestaan van de door [appellant] met Dexia gesloten leaseovereenkomst bekend is geworden.

Ingevolge het tussenarrest heeft [appellant] zichzelf en [X] op 16 februari 2015 als getuigen doen horen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de gedingstukken gevoegd.

Daarop hebben [appellant] en Dexia achtereenvolgens een memorie na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het hof zal allereerst ingaan op hetgeen [appellant] heeft gesteld ter toelichting op de eerste grief, betreffende het moment waarop met betrekking tot de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst de verjaringstermijn aanvangt.

2.2

Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van de leaseovereenkomst, die moet worden aangemerkt als overeenkomst van huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de leaseovereenkomst te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten daarvan is verleend.

2.3

Uit artikel 3:52, eerste lid, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW volgt dat de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan.

2.4

Op grond van de totstandkomingsgeschiedenis en uit de redactie van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW is naar het oordeel van het hof met de maatstaf ‘ten dienste is komen te staan’ tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene de bevoegdheid tot vernietiging daadwerkelijk moet kunnen uitoefenen. Van een ‘ten dienste komen te staan’ is onder andere geen sprake als de tot vernietiging bevoegde niet op de hoogte was van het feit dat de desbetreffende rechtshandeling is verricht (en dus ook niet dat een vernietigingsgrond bestaat). De rechtshandeling moet ter kennis van de tot vernietiging bevoegde zijn gekomen, zodat de betrokkene de nietigheid kan inroepen tegenover degenen die partij zijn bij de rechtshandeling. Anders dan [appellant] stelt, is voor de aanvang van de verjaringstermijn niet vereist dat [X] bekend was met de feiten en omstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat het om een huurkoopovereenkomst ging.

2.5

Voor het hof is aldus uitgangspunt – en dat is in eerdere rechtspraak van het hof ook tot uitdrukking gebracht – dat voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en daarmee voor de aanvang van de verjaringstermijn, bepalend is wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de betreffende overeenkomst bekend is geworden. Het komt er daarmee op aan wanneer [X] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomst waarvan zij bij brief van 5 december 2005 de nietigheid heeft ingeroepen (zie ook de arresten van de Hoge Raad van 28 januari 2011, NJ 2012, 603; ECLI:NL:HR:2011:BO6106 en 17 februari 2012, RvdW 2012, 319; ECLI: NL:HR:2012:BU6506). In het laatstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof, dat in beginsel met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift van de en/of-rekening waarop de betalingen op grond van de leaseovereenkomst staan vermeld kan worden aangenomen dat de echtgenote bekend was met de betrokken overeenkomst, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd geacht. Ook daaruit volgt dat voor de aanvang van de verjaringstermijn niet (tevens) is vereist dat de betrokkene (reeds) bekend was met de feiten en omstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat het om een huurkoopovereenkomst ging. Bekendheid met het bestaan van de overeenkomst (kenbaar door de betalingen vanaf een bankrekening) is voor de aanvang van de verjaringstermijn voldoende.

2.6

Met het voorgaande is de eerste grief vergeefs voorgesteld.

2.7

De tweede en derde grief lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In het kader van deze grieven is [appellant] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het voorshands als bewezen aangenomen feit dat [X] meer dan drie jaar voordat zij deze buitengerechtelijk heeft vernietigd met het bestaan van de door [appellant] met Dexia gesloten leaseovereenkomst bekend is geworden.

2.8

[appellant] heeft het volgende verklaard:
“U vraagt mij hoeveel bankrekeningen wij hebben. Wij hebben één betaalrekening, een en/of-rekening, en op die rekening kwamen de salarissen van ons beiden binnen. Wij hadden geen afzonderlijke betaalrekeningen. Van onze en/of-rekening werden automatische incasso’s afgeschreven waartoe ik de opdracht had gegeven. Daarnaast deed ik zo nu en dan zelf betalingsopdrachten. Zowel mijn vrouw als ik hadden een bankpasje. Mijn vrouw gebruikte het bankpasje voor pinbetalingen, maar zij gaf geen betalingsopdrachten. Acceptgiro’s gericht aan mijn vrouw werden door mij betaald. Een enkele keer, ik denk ongeveer drie keer per jaar, opende mijn vrouw de bankafschriften. Zij opende alleen de bankafschriften wanneer zij bezig was om andere post aan haar te openen. In juni 1999 heb ik de leaseovereenkomst gesloten, nadat de consultant bij mij op het werk was gekomen. Het was de eerste keer dat ik ging beleggen. Ik heb hierover niet gesproken met mijn vrouw. Ik heb pas in juni 2005 voor het eerst met mijn vrouw over het Dexia-contract gesproken. De overeenkomst is in 2002 met drie jaar verlengd. Op dat moment was er al een kleine restschuld. Op het moment van de verlenging heb ik niet overwogen om hierover met mijn vrouw te spreken. Wij hebben thuis nooit over beleggen gesproken. Ik wist niet hoe mijn vrouw erover zou denken als ik zou zeggen dat ik zou beleggen.

Op vragen van mr. Cornegoor antwoord ik:

U houdt mij voor dat mevrouw [X] ter comparitie op 30 juni 2010 heeft verklaard dat zij soms de afschriften wel eens openmaakte en daarbij de naam Dexia wel eens heeft gezien. Ik kan bevestigen dat zij dit heeft verklaard, met dien verstande dat zij niet wist wie Dexia was. Verder antwoord ik op een vraag van mr. Cornegoor dat bij mij op het werk bij de Rijks Brandweer Academie een consultant, althans een persoon werkzaam bij Dexia, is langsgekomen om te praten over de leaseovereenkomst. Verder kan ik u vertellen dat mijn vrouw geschrokken reageerde toen ik haar in juni 2005 vertelde over de leaseovereenkomst en over de restschuld. Zij reageerde niet boos.

U houdt mij voor een verklaring getekend door mij en mijn echtgenote op 14 oktober 2009. Daarin verklaren wij dat ik mijn vrouw in november 2005 heb geïnformeerd over het contract bij Dexia. Zojuist verklaarde ik dat ik mijn vrouw in juni 2005 voor het eerst heb geïnformeerd. Ik kan dat verschil niet verklaren. Aan ons beider handtekeningen te zien is deze verklaring van 14 oktober 2009 inderdaad door mij en mijn vrouw ondertekend.
U vraagt mij tot slot bij welke gelegenheid mijn vrouw de bankafschriften opende. Dat deed zij alleen als zijzelf post had en toch bezig was met het openen van de enveloppen.

2.9

[X] heeft het volgende verklaard:

Wij hebben thuis één betaalrekening, een en/of-rekening, waarop mijn salaris ontvangen werd. Ieder van ons heeft een betaalpasje. Ik gebruikte de pinpas voor dagelijkse betalingen. Betalingen per bank deed ik nooit. Opdrachten voor betalingen en automatische incasso’s werden door mijn man gedaan. Ongeveer 2 tot 3 keer per jaar opende ik de bankafschriften samen met de andere post. Ik opende de afschriften om te kijken of mijn salaris was binnengekomen, maar keek niet specifiek naar andere afschrijvingen. Ik herinner mij nauwelijks de naam Dexia. Ik herinner mij dat mijn man mij in 2005 vertelde over de leaseovereenkomst. Ik denk dat dat ongeveer in mei of juni moet zijn geweest. Ik was toen wel geschrokken over de restschuld. Ik herinner mij geen andere post van Dexia. Post die was gericht aan mijn man opende ik niet. Ook enveloppen met het Dexia-logo kan ik mij niet herinneren. Ik heb nooit gesproken met mijn man over de inhoud van de bankafschriften.

Op vragen van mr. Cornegoor antwoord ik:

Ik opende de bankafschriften ongeveer 2 à 3 keer per jaar om te kijken of mijn salaris al was binnengekomen. Soms had ik op het werk gehoord dat het salaris later zou worden betaald, ik opende de bankafschriften om te controleren of het salaris al was ontvangen. Ik keek zeker niet iedere maand of ik mijn salaris al had gekregen.
U houdt mij voor dat ik ter zitting op 30 juni 2010 heb verklaard dat ik de afschriften soms wel eens openmaakte en daarbij de naam Dexia wel eens heb gezien. Ik kan mij niet herinneren dat ik dat zo heb gezegd.
Voordat ik met pensioen was heb ik nooit met mijn man gesproken over onze gezamenlijke pensioenvoorziening.

U houdt mij voor een verklaring van mij en mijn echtgenoot van 14 oktober 2009, waarin ik heb verklaard dat ik in november 2005 voor het eerst over de leaseovereenkomst ben geïnformeerd. Ik kan het verschil met mijn eerdere verklaring, dat ik omstreeks mei of juni 2005 voor het eerst over dit contract heb gehoord niet verklaren. Ook de verklaring zelf kan ik mij niet herinneren, maar gelet op de handtekeningen van mij en mijn echtgenoot moet deze door ons zijn ondertekend.

U houdt mij voor een brief van 5 december 2005. Deze is aan mij opgestuurd en ik heb deze getekend omdat ik het geld terug wilde. Verder kan ik mij niet veel concreets herinneren over deze brief.

2.10

Het hof is van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. De echtelieden hebben in hoger beroep als getuigen beiden verklaard dat [X] twee tot drie keer per jaar de bankafschriften van de en/of-rekening opende. [appellant] heeft desgevraagd bevestigd dat [X] ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard dat zij soms afschriften openmaakte en daarbij de naam Dexia wel eens heeft gezien. De getuigenverklaringen zijn bovendien consistent met de schriftelijke verklaring van de beide echtelieden van 14 oktober 2009 waaruit blijkt dat [X] weleens naar de bankafschriften keek en daarbij de naam Dexia mogelijk wel eens heeft gezien. Nu - zoals Dexia reeds ter comparitie in eerste aanleg naar voren heeft gebracht - de bankafschriften niet alleen de naam Dexia vermelden maar ook het contractnummer, het bedrag en welke termijn het betreft, terwijl uit de omstandigheid dat het een afschrijving betreft blijkt dat een betaling was gedaan, gaat het hof, evenals de kantonrechter, ervan uit dat [X] van de leaseovereenkomst op de hoogte is gekomen. Dit geldt te meer nu de leaseovereenkomst is gesloten op 11 juni 1999 en is geëindigd op 10 juni 2005, hetgeen met zich meebrengt dat gedurende zes jaren maandelijks bedragen zijn afgeschreven van de en/of-rekening en dat [X] dus gedurende deze jaren twee tot drie keer per jaar de bankafschriften bekeek. Daaruit volgt genoegzaam dat [X] voor december 2002 kennis heeft gekregen van de afschriften en dus van de leaseovereenkomst. Hieraan kan niet afdoen dat [X], volgens [appellant], niet wist wie Dexia was of dat [X], zoals zij zelf naar voren heeft gebracht, zich niet kan herinneren dat zij in eerste aanleg heeft verklaard dat zij de naam Dexia weleens heeft gezien.

2.11

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [X] eerder dan drie jaren voor de vernietigingsbrief van 5 december 2005 wetenschap heeft gehad van de leaseovereenkomst en kan het hoger beroep niet slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Dexia begroot op € 666,00 aan verschotten en € 1.264,00 voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.W.M. Tromp en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.